Generatie Alles: Jonge bankiers

Krijtstreep als blauwdruk

Was het ooit een beroep met aanzien, nu roept het bankiersvak vooral het beeld op van een cultuur waarin zelfverrijking de norm is. Willen pas afgestudeerden nog werken bij een bank?

Medium 13026487

In maart van dit jaar organiseerde debat­centrum De Balie in Amsterdam de bijeenkomst ‘Generatie IK: de ethiek van de nieuwe graaiers’. Een provocerende titel en een veelbelovend programma hadden op een koude avond een volle zaal weten te trekken. Drie young professionals zouden met hun aanwezige generatiegenoten in debat gaan over beloningen, bonussen en subsidies. De panelleden waren aangekondigd als: de ‘subsidie graaiende kunstenaar’, de ‘idealistische weldoener’ en de ‘gewetenloze bankier’.

Dat het de belangstellenden vooral te doen was om het laatste panellid bleek uit de teleurgestelde kreten die opstegen toen duidelijk werd dat de derde kruk leeg zou blijven. In de aanloop naar het debat hadden de programma­maaksters weliswaar jonge bankiers bereid gevonden om op het podium plaats te nemen, maar hun werkgevers bleken minder geporteerd voor het idee. Ze hadden het dringende advies gekregen om af te zien van deelname aan de discussie, of zelfs een spreekverbod. Het voorval geeft iets weer van de huidige verhouding tussen de banken en de rest van de samenleving. Vijf jaar na de val van de Amerikaanse zakenbank ­Lehman ­Brothers is het vertrouwen in de financiële sector nog altijd laag en het wederzijdse wantrouwen groot. De media en het publiek zien de banken als zonde­bokken in het verhaal van stagnerende groei, hoge werkloosheidscijfers en afkalving van het welvaartsniveau.

De banken reageren met radiostilte. Ze hebben zich verschanst in hun glazen torens, die zijn verworden tot relikwieën uit een tijdperk waarin termen als bad banks en zombiebanken alleen bij insiders bekend waren. Een tijd waarin het begrip ‘bank run’ iets was uit de geschiedenisboeken, niet van de voorpagina’s, en niemand nog repte over ‘bankentaks’, ‘bonuscaps’ en ‘kapitaalbuffer’. Toen het samenwerkings­akkoord tussen banken onder de naam ‘Basel II’ nog in de kinderschoenen stond en ‘Basel III’ nog niet eens het embryonale stadium had bereikt. Toen je nog zonder gêne op een feestje kon vertellen dat je bankier was.

Vraag het aan de young professionals die bij ABN Amro, ing of Rabobank werken en ze zeggen regelmatig te worden geconfronteerd met het beschadigde imago van bankiers. ‘Bankiers roepen dezelfde mate van achterdocht op als tweedehands-autoverkopers’, zegt de een. ‘Je wordt toch een beetje gezien als een witteboordengraaier. Iemand die jaarlijks met een bonus van een paar ton naar huis gaat’, zegt de ander. Lijden ze eronder dat bankieren niet meer het prestige heeft van rond de eeuwwisseling? Prettig is het niet om je steeds te moeten verdedigen over hun nering, geven ze toe. Maar erg?

Een half decennium van crisisjaren heeft diepe sporen achtergelaten in het Nederlandse bankenlandschap. Twee banken zijn genationaliseerd, drie worden overeind gehouden met overheidssteun, Friesland Bank is overgenomen en dsb is verdwenen. Is werken bij een Nederlandse bank nog een aantrekkelijke optie voor pas afgestudeerden?

Op de jaarlijkse voorjaarsconferentie van de Financiële Studievereniging Amsterdam (fsa) in het Amsterdamse Concertgebouw zijn zo’n driehonderd studenten bijeengekomen die het antwoord op die vraag weten. De meesten zitten in de afrondingsfase van een economische of bedrijfskundige studie en hebben hun ambitieuze pijlen gericht op een carrière in de financiële sector.

Het programma begint om half tien, vroeg naar studentenbegrippen. Op de balie bij de ingang liggen de rijen plastic naambadges op alfabetische volgorde klaar voor de deelnemers. Het zeskoppige fsa-bestuur, blakend en onberispelijk gekleed in grijze pakken, heet zijn leden welkom. Na binnenkomst wacht koffie. Geen automatenkoffie in plastic bekertjes, maar cappuccino’s in porseleinen kopjes en geglazuurde koekjes. Het advies ‘Kleed je naar je ambitie’ heeft deze groep studenten bewust of onbewust ter harte genomen. De aanwezige jongemannen zijn zonder uitzondering gekleed in een donker grijs of blauw pak met een lichtgekleurd overhemd. De kleur van hun stropdas lijkt het enige waarmee zij zich onderscheiden. De weinige vrouwelijke deelnemers zijn ook eensgezind in hun keuze: donkergekleurde, korte rokjes, getailleerde jasjes en pumps. Zo op het eerste oog allemaal bankiers-in-de-dop, deze fine fleur van de economische faculteiten van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit. Een selecte groep die weet wat ze wil en ook hoe ze dat moet bereiken. Daar past geen hip H’etje bij.

Tussen de programmaonderdelen is veel tijd ingebouwd om te netwerken, want daar gaat het hier toch vooral om. Onder het toeziend oog van componisten en concertmeesters uit lang vervlogen tijden, die vereeuwigd in olieverf aan de crèmekleurige muren hangen, staan de fsa-leden in kleine groepjes met elkaar te praten. VU-student Pieter (24) is een van hen. Hij heeft net zijn tweede stage bij een bank afgerond en is bezig de laatste hand te leggen aan zijn scriptie. ‘Werken bij een bank staat nog altijd voor een redelijke mate van baanzekerheid, een goed salaris met een uitgebreid pakket aan secundaire arbeidsvoorwaarden en gedegen opleidingsmogelijkheden.’

Vooral het laatste wordt door hem en andere congresgangers hoog aangeslagen. De materiële en immateriële beloningen zijn nog altijd dusdanig hoog dat een traineeship bij een bank een aantrekkelijk perspectief biedt. Zeker in een tijd waarin de jeugdwerkloosheid is opgelopen tot 15,5 procent. Ook voor Pieter. ‘Als trainee bij een bank zit je de eerste paar jaar vooral Excel-sheets en Powerpoint-presentaties te maken, maar je krijgt er veel voor terug.’

Het imagoprobleem is nauwelijks een factor van betekenis in de overweging van studenten om bij een bank te willen werken. Karel Zegers (21) en Laurens van Brandenburg (20), allebei derdejaars studenten economie aan de UvA, zien dat banken bij studiegenoten nog steeds een populaire carrièrebestemming zijn. ‘De teneur is nog altijd dat je een traineeship moet doen bij een grote bank en daarna een goede baan met een dik salaris voor jezelf moet regelen. Bij ons op de faculteit hangt het vol met flyers van investeringsbanken als Goldman Sachs.’

bij abn amro kwamen vorig jaar 5500 sollicitatiebrieven binnen voor 113 vacatures voor trainees. In 2011 waren dat er nog vierduizend voor honderd plekken. Ook andere banken constateren een substantiële stijging van het aantal reacties. Volgens ABN Amro is dit voor een deel te verklaren door de krappe arbeidsmarkt, maar heeft het ook te maken met het feit dat afgestudeerden banken als een aantrekkelijke werk­gever zien.

De uitkomsten van het meest recente Intermediair Imago Onderzoek dat door onderzoeksbureau Motivaction werd gehouden, bevestigen de populariteit van banken onder de beroepsbevolking. De status van bankiers mag dan zijn aangetast, de wens om er een te zijn of te worden, is dat allerminst. Voor het vierde opeenvolgende jaar kwam de Rabobank uit de bus als favoriete werkgever onder de vierduizend respondenten tot en met 45 jaar met een hbo- of wo-opleiding. ing stond op nummer 8, op de voet gevolgd door ABN Amro op nummer 9.

Van een verminderende interesse in een carrière bij banken merkt ook de fsa weinig. Het aantal aanmeldingen voor de London Banking Tour die ze jaarlijks organiseren is onverminderd hoog. Over hoeveel studenten zich aanmelden, wil fsa-voorzitter Yorrick Koomen (22) geen uitspraken doen. ‘Wij willen studenten niet ontmoedigen om mee te dingen naar een plek.’ Het initiatief biedt 24 topstudenten de gelegenheid om in tien dagen kennis te maken met zakenbanken als Credit Suisse, rbs en Goldman Sachs in de Londense City. Een baan ligt niet direct in het verschiet, maar rond de tachtig procent van de deelnemers weet uit de kennismaking een stage te slepen. Dit verklaart de felle competitiestrijd die eraan voorafgaat, want de Londense City wordt door aspirant-bankiers in Nederland nog altijd gezien als het Elysium voor bankieren.

Gemeten naar controverse en publieke opinie is de situatie van de bankensector in Groot-Brittannië te vergelijken met die in Nederland. Ook aan de overzijde van het Kanaal worden banken overeind gehouden door nationalisaties en overheidssteun. En het volksgericht van Twitter-inquisiteur Jelle Brandt Corstius verbleekt bij de beroering die de Britse media telkens weer weten te bewerkstelligen over excessieve salarissen en bonussen. Ook Britse banken zijn al lang niet meer de trots van de natie. Toch bevestigt ook onderzoek daar het beeld van banken als gewilde werkgevers. In een recent onderzoek van de Britse krant The Guardian onder 25.000 studenten aan honderd universiteiten steeg zakenbank Goldman Sachs van nummer 67 naar nummer 12 op de lijst van populairste werkgevers. Pas afgestudeerden die daar een plek bemachtigen, weten zich verzekerd van een gouden toekomst in bankenland. Letterlijk, want de bank staat niet alleen bekend als de meest meedogenloze onder de zakenbanken, maar ook als de best betalende. Is het gemiddelde startsalaris zo’n 22.000 pond, bij Goldman Sachs begin je met 47.000 pond.

Was de spoeling voor de crisis dun, nu hebben banken het voor het uitkiezen. Minder beschikbare traineeships en een groter aanbod van universitair geschoolden hebben de competitie verhevigd. De jongeren die aspiraties in die richting hebben, vullen hun tijd niet met spiegelstaren of dagdromen. Zij weten dat als ze een kans willen maken ze niet vroeg genoeg kunnen beginnen met de opbouw van hun cv. Zij denken in termen van ik-alles-straks en kunnen de vereisten voor een traineeship in staccato opdreunen. Hoge cijfers halen op het vwo en de universiteit. Een bachelordiploma economie of bedrijfskunde in krap drie jaar afronden, een master in een jaar. Dat zijn de wapenfeiten die blijk geven van intelligentie en doorzettingsvermogen. Lid zijn van het studentencorps is optioneel, maar een bestuursfunctie bij een studenten- of faculteitsvereniging is dat niet. Daarmee toon je namelijk aan dat je over organisatietalent en goede communicatieve vaardigheden beschikt. Met een half jaartje ervaring in het buitenland scoor je hoog, net als met een stage bij een financiële instelling.

Wie echt een goede kans wil maken om straks geselecteerd te worden, moet zich ook weten te onderscheiden. Dat doet iemand dan door op z’n achttiende de marathon van New York te lopen of tijdens zijn studie een consultancybedrijfje te runnen. Voor de huidige lichting studenten is de krijtstreep van het heden nog steeds de blauwdruk voor de toekomst.

‘De cv-check bij banken en multinationals is heel rigide. Je krijgt per onderdeel punten en als je onder een bepaalde score valt, dan word je niet uitgenodigd voor een gesprek.’ Predikant-ondernemer Ruben van Zwieten (29) weet waarover hij het heeft. Sinds vijf jaar geeft hij leiding aan Stichting Zingeving Zuidas en organiseert hij existentie- en zingevings­activiteiten. In juni dit jaar opent hij in het hart van de Amsterdamse Zuidas De Nieuwe Poort, een cultuurhuis waarin ruimte wordt geboden voor bezinning en verbinding met de bijbel als leidraad. ‘Hard nodig op een plek waar de menselijke maat ontbreekt.’

Nog niet zo lang geleden was Van Zwieten zelf een ambitieuze student. Hij studeerde theo­logie en rechten, was president van het Leids studentencorps en richtte toen een eigen bedrijf op dat bemiddelde tussen studenten en multinationals. Zijn achtergrond en dagelijkse ontmoetingen met jonge, ambitieuze professionals geven hem een uniek inzicht in de mechanismen van cv-bouwen. ‘Studenten van nu kijken hoe ze die punten dadelijk binnen moeten halen. Ze worden steeds doelgerichter. Alles wat ze doen, moet hun cv ten goede komen. Op die manier blijft weinig ruimte over om eens een boek te lezen of naar een toneelstuk te gaan. Dat is heel arm.’

Het ‘Zuidas-paradigma’ noemt Van Zwieten het eindeloze najagen van ambities binnen de bestaande kaders waarbij ‘oog voor al het andere’ verloren gaat. Met bijbelverhalen, ­theater, kunst en literatuur wil hij de gedreven en ambitieuze medemens ‘ontregelen’ en zo op een ander denkspoor zetten. ‘Mensen schieten in een bepaalde rol als ze een krijtstreeppak aantrekken. Vanaf dat moment zijn ze bankier en hanteren ze andere waarden tot ze zich weer omkleden. “Nee, aan mijn dochter had ik dat product niet verkocht”, hoor je ze dan zeggen. Maar ik geloof dat de mens een en hetzelfde is, dat werk en privé in elkaar vloeien. In je rol als bankier neem je beslissingen die de maatschappij en uiteindelijk dus ook je dochter raken.’

Om dat mensen te laten inzien, moeten banken weer terug naar ‘in den beginne’ en verbinding zoeken met hun klanten. Van Zwieten: ‘Spreadsheets zijn best handig, maar als je alleen nog maar in de taal van Excel spreekt, is menselijk contact onmogelijk.’ Hij betwijfelt of de pas afgestudeerde masterstudenten die als trainee bij de grote banken beginnen in staat zullen zijn om de benodigde veranderingen door te voeren. ‘Voor innovatie heb je mensen met verbeeldingskracht nodig. Meesterdromers zoals de figuur van Jozef uit het Oude Testament die in het verhaal van twee werkelijkheden droomt. Maar de criteria waarop geselecteerd wordt, maken dat de mensen met vernieuwende ideeën er vaak niet doorheen komen.’

Dat banken moeten veranderen, daarover zijn de studenten op de fsa-conferentie het wel eens. Hoe het anders moet, blijft nog een grotendeels onbeantwoorde vraag. Het programma geeft wel alvast een aanzet. Na vijf jaar van thema’s gewijd aan de crisis heeft de organisatie gekozen voor ‘Financieren in de toekomst: Een verschuiving naar duurzame waarde’. Prominente gastsprekers zoals Koos Timmermans (vice-voorzitter ing), Herman Mulder (voor­malig topbestuurder ABN Amro) en Joanne Kellerman (directeur dnb) laten hun licht schijnen over duurzaam bankieren.

‘Duurzaamheid’ is het nieuwe toverwoord in bankenland, maar de invulling ervan is nog allerminst uitgekristalliseerd. Duidelijk is wel dat het vooral een containerbegrip is waar alles onder kan worden geschoven dat afwijkt van de traditionele vorm van bankieren en dat verder gaat dan het gebruik van biologisch katoen in bankbiljetten zoals De Nederlandsche Bank dat tegenwoordig doet. Vooral in een sector waar letterlijk alles om geld draait, betekent het vooropstellen van mens, milieu en maatschappij een diepgaande verandering. ‘Banken moeten zichzelf opnieuw uitvinden’, drukken de grijze bankmannen vanaf het podium de jongeren in de zaal dan ook op hun hart.

‘Banken moeten terug naar de basis’, zegt ook Céline Pessers (31), innovatiemanager bij Dialogues Incubator, een dochterbedrijf van ABN Amro, waar een team van twintig medewerkers zich bezighoudt met nieuwe vormen van ondernemerschap in de financiële dienstverlening. Met haar losse, blonde haar en vrolijk gekleurde kleding beantwoordt ze in niets aan het clichébeeld van een bankier. ‘Duurzaamheid voor banken betekent dat ze weer maatschappelijke waarde moeten creëren’, zegt ze. ‘Dat ze dienend moeten zijn. In de nabije toekomst zullen ze onherroepelijk hun rol moeten her­definiëren. Zo heeft ABN Amro als eerste bank ter wereld een crowdfunding-platform opgezet. Op het platform Seeds.nl kunnen startende onder­nemers in contact komen met investeerders voor de benodigde financiering. Als bank treden we in dat financieringsproces alleen nog maar faciliterend op. Mensen kunnen op die manier zelf bepalen waar hun geld terechtkomt. ­Mensen willen meer autonomie, meer zeggenschap over wat er met hun geld gebeurt, meer transparantie en kleinschaligheid. Ze vragen zich steeds meer af wat de effecten van hun handelen op de lange termijn zijn. Wil je als bank overleven, dan is het noodzakelijk dat je je aanpast aan de ­veranderende behoeften van de maatschappij. En die is razendsnel aan het veranderen. Mede door de mogelijkheden die sociale media bieden.’

Duurzaam bankieren betekent dat winst­optimalisatie ondergeschikt wordt gemaakt aan het langetermijneffect van financiële trans­acties. Niet alleen op het gebied van het milieu, maar ook in sociale context. Zo moet een bank die een krediet verstrekt niet alleen kijken naar de kredietwaardigheid van de betreffende onderneming, maar ook naar het beleid ten aanzien van bijvoorbeeld kinderarbeid. In een sector die van oudsher behoudend is en gericht op de korte termijn trekt die boodschap aan de ideologische wortels van het bestaansrecht. Toch is Pessers hoopvol gestemd: ‘Ik ontmoet steeds meer mensen die ontvankelijk zijn voor deze boodschap. Ook bij banken. Het moet en kan anders. Bovendien vraagt de maatschappij om duurzaamheid, dus ook als veranderings­gezindheid niet uit idealisme wordt geboren, dan dwingt de noodzaak het wel af.’

Hoe banken die verandering moeten vormgeven, is een complex vraagstuk. Dat regulering en toezicht van bovenaf geen almachtige instrumenten zijn, daar is iedereen het wel over eens. Een veel gehoord geluid in de bankwereld is dat echte verandering en vernieuwing breed moeten worden gedragen en van binnenuit moeten komen. Om oplossingen te vinden, zijn innovatieve mensen nodig die niet alleen over verbeeldingskracht beschikken, maar ook over de moed en overtuigingskracht om het ‘anders’ te doen. Een nieuw type bankier dat in niets lijkt op de babyboombankiers, maar wel van deze generatie de ruimte krijgt om het ‘nieuwe’ bankieren vorm te geven.

Bij de Rabobank beseffen ze dat de sleutel tot verandering ligt bij de nieuwe lichtingen trainees. Zweder van Hövell tot Westerflier, campusrecruiter bij de Rabobank: ‘De laatste jaren is bij de selectie van trainees meer nadruk komen te liggen op diversiteit. Hoe breder het profiel van de individuele trainees, hoe groter de synergie van de groep. Dat gegeven wordt nog eens versterkt door de coöperatieve gedachte van onze bank. Voor ons corporate management traineeship zoeken we bewust ook naar exotische profielen. Zo hebben we laatst een filosoof aangenomen.’

Student Karel Zegers betwijfelt of het pad van een traineeship bij een grote bank voor hem de juiste keuze is. ‘Stel dat ik een traineeship bij ing ga doen, dan is de kans groot dat ik word meegenomen in de heersende denkbeelden over bankieren.’ Terwijl de sector steeds meer doordrongen raakt van de noodzaak van duurzame innovatie is het thema binnen de economische en financiële studierichtingen nog een onontgonnen gebied. Op de economische faculteiten van de drie hofleveranciers van banken (Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit en Erasmus Universiteit) is het vak duurzaamheid bijvoorbeeld geen verplicht onderdeel van het curriculum binnen de bachelor- of master­opleiding economie. Vaak kunnen studenten met interesse in die richting het vak alleen volgen als keuzevak bij een andere faculteit. Zegers ervaart dat wel als een gemis. Hij wil in zijn leven het verschil maken: ‘De vraag hoe het anders kan, houdt me wel bezig. Vanuit mijn studie wordt dat niet aangereikt. Ik moet er zelf naar op zoek.’

‘Wie weet wie Wim Duisenberg was?’ De vraag wordt gesteld door Dirk Schoenmaker, decaan van de Duisenberg School of Finance (dsf). Geen van de studenten in spe die naar de voorlichtingsavond zijn gekomen, weet het antwoord. Misschien niet zo verwonderlijk, want toen de ‘vader van de euro’ president van de Europese Centrale Bank was, zaten deze jongeren nog op de basisschool. De instelling die vier geaccrediteerde masters aanbiedt en gevestigd is aan de Zuidas opende haar deuren op de dag dat Lehman Brothers failliet ging. De symboliek was treffend. ‘De noodzaak om studenten die in de financiële sector willen werken een opleiding aan te bieden die goed aansluit aan de praktijk werd er nog urgenter door’, licht Schoenmaker toe.

Wie toegelaten wil worden tot een master bij de dsf moet eerst een strenge selectieprocedure doorlopen. Daarbij wordt niet alleen naar cijfers gekeken, maar ook naar de communicatieve vaardigheden en het maatschappelijk besef van de aspirant-masterstudent. Uit de ruim duizend aanmeldingen vorig jaar werden honderd studenten geselecteerd die aan een 16.800 euro kostende master konden beginnen.

Neelie Kroes vroeg zich twee jaar geleden hardop af of Lehman Brothers ooit failliet was gegaan als het Lehman Sisters had geheten. Een andere interessante vraag is of de bank dezelfde risico’s had genomen als de basisprincipes van ethiek en duurzaamheid deel hadden uit­gemaakt van het academische curriculum van hun bankiers. Bij de dsf zijn ‘zachte’ vakken als ethiek, duurzaamheid en corporate governance een verplicht onderdeel van de masters.

Decaan Dirk Schoenmaker: ‘Juist in de combinatie van de “harde” financiële kennis met de maatschappelijke kant van bankieren zijn wij als opleidingsinstituut uniek. Bij universiteiten zie je dat aan dat soort vakken veel minder aandacht wordt gegeven. Ons doel is om een nieuwe generatie bankiers op te leiden. Een die een kritische houding heeft, morele dilemma’s ter discussie kan stellen en transparant durft te zijn. Tegen bestuurlijke zonnekoningen helpt immers geen risicomodel. Om dat soort fenomenen aan de kaak te stellen, moeten bankiers ook over zachte skills beschikken. Onze alumni zijn toegerust om het verschil te maken omdat ze een bredere dimensie hebben. Dat horen we ook terug van ze. Ik ben ervan overtuigd deze jonge bankiers de ruimte krijgen om veranderingen door te voeren. Ze dwingen het gewoonweg af. De kracht van talent is ongekend.’

Alumna Lisette Beekman (27) studeerde in 2011 af aan de dsf en is nu trainee bij ing: ‘In de praktijk merk ik dat er tijdens mijn opleiding veel nadruk is gelegd op de maatschappelijke kant van bankieren. Actuele onderwerpen zoals duurzaam bankieren zijn ruimschoots aan bod gekomen. Ook hamerden docenten op het belang van een kritische houding ten aanzien van wat zich afspeelt in de bankwereld en werden er veel discussies gehouden. Op die manier wordt het een tweede natuur om vraagtekens te plaatsen.’ In de waan van de dag is het niet altijd gemakkelijk om die instelling vast te houden, geeft Beekman toe, maar ook oud-studenten krijgen daartoe ondersteuning van hun alma mater: ‘Wij ontvangen nog regelmatig mailtjes met informatie over recente ontwikkelingen om ons scherp te houden.’


De naam van Pieter is op verzoek van de betrokkene gefingeerd

Beeld: Elmer Van der mareL / HH