Groen

Krimp

Tijdens de afgelopen vorstperiode wilde een beroemde fotograaf een filmpje van mij maken. Want, zo redeneerde hij, er is een nieuw boek uit, jij bent een schaatser en misschien kunnen we ook nog een tuin meepikken. Ik had ooit een filmpje van deze fotograaf gezien dat hij van Tim Krabbé gemaakt had en dacht: slechter schaatsen doe ik niet, dus vooruit maar. Eén deel van het filmpje werd opgenomen op de Jaap Edenbaan, bij min vijf en een harde oostenwind. De fotograaf gaf geen krimp terwijl ik een uur lang stond te schreeuwen tegen mijn pupillen. Ik gaf ook geen krimp. In de kantine vroeg men mij: ‘Waarom werd er van jou een film gemaakt?’ Die vraag vond ik zó moeilijk en ergens ook onbegrijpelijk, dat ik maar zei: 'Omdat ik zo beroemd ben.’ Daarna vertroetelde ik mijn bevroren tenen.
Het tweede deel van de film werd een paar dagen laten opgenomen in Waterland. Nog steeds kou en wind en sneeuw, dat kwam goed uit. We liepen door een tuin die ik in onderhoud heb. Ik moest dingen steeds opnieuw doen. En dat deed ik gewoon, geen krimp gaf ik. Tot drie keer toe deed ik net alsof ik ter plekke ontdekte hoe fijn het is als een sloot bevroren is en de wilgen geknot moeten worden. Ik leek wel een acteur. De fotograaf zakte door het ijs, die bleek iets zwaarden dan zijn onderwerp. Iets later zakte hij met twee benen tegelijk door een bevroren vijver omdat hij niet door had dat hij op een vijver stond. Daarna moest ik het ijs van de Kerk Aa in Zuiderwoude op. 'Kun je iets verder het ijs nog op gaan?’ riep hij me vanaf de brug toe. Ik gaf geen krimp. Het ijs kraakte niet eens en ik zag een zo wondermooie lucht dat ik mijn eigen camera er ook bij pakte. De fotograaf durfde niet meer, de rest van de opnamen werd aan de vaste wal gemaakt. Mijn wimpers bevroren, zo godsgruwelijk koud was het. We gaven tegelijkertijd een krimp. Samen gingen we onze voeten vertroetelen, in de warme auto.