Kringloopklanken

DE MUZIEK VAN Jan Boerman is een van de best bewaarde geheimen van de Nederlandse muziek. Ruim veertig jaar bouwde hij gestaag aan een imposant oeuvre, maar tot uitvoering kwam het zelden. Elektronische muziek haalt immers niet vaak de concertzaal. Ook op plaat was zijn werk nauwelijks verkrijgbaar. Het best bekend zijn waarschijnlijk De zee en Alchemie, die door Rudi van Dantzig werden gebruikt voor het ballet Monument voor een gestorven jongen (‘Een vreemde onwerkelijke wereld van dromen en gevoelens’, zo beschreef Van Dantzig de muziek).

Beter laat dan nooit - zo moet ook de uitgave door Donemus van een blinkende cd-box met ‘het complete oeuvre voor tape’ van Boerman worden beschouwd. Deze werd voorafgegaan door eenzelfde box met de elektronische muziek van Dick Raaijmakers. Boerman en Raaijmakers delen meer dan een luxe-uitgave van hun werk. Ze stonden, met de pas overleden Ton Bruynèl, aan de wieg van de elektronische muziek in Nederland. Terwijl Raaijmakers in 1956 zijn elektrische loopbaan begon in de Philips-studio in Eindhoven, zette Boerman zijn eerste schreden op dit onontgonnen pad in de studio van de Technische Hogeschool in Delft. De experimenten kenden geen lang leven en in 1962 bouwden ze een simpele studio bij Boerman thuis, die de geschiedenis is ingegaan als de eerste privé-studio in Nederland.
Voor Raaijmakers was deze samenwerking een pijnlijke confrontatie, zo heeft hij herhaaldelijk gememoreerd. Naast 'het genie Boerman’ stak hij maar bleekjes af, vond hij. Boerman en Raaijmakers hebben inderdaad veel weg van een Siamese tweeling. De een maakt volledig autonome muziek, de ander zoekt altijd naar referentiepunten in de werkelijkheid. Pure muziek-muziek tegenover multidisciplinaire conceptuele kunst.
Het werk van Boerman laat zich dan ook moeilijk beschrijven. Het is muziek die zich het liefst in muziek uitdrukt. Maar wat een openbaring! Niet alleen heeft hij een oneindig palet aan kleuren, timbres en ruisklanken in huis, de composities steken met een klassiek evenwicht in elkaar en stralen een hoge mate van natuurlijkheid uit. Het is muziek die ademt en beweegt, kortom leeft. Boerman neemt de luisteraar bij de hand door een grenzeloos universum dat even ongrijpbaar als magisch is. Zijn muziek is zo verfijnd, logisch en alert dat er een betoverende werking van uitgaat.
Dat wil niet zeggen dat Boerman alleen maar pure schoonheid etaleert. Sommige stukken zijn uitgesproken onaangenaam om te horen. Bijvoorbeeld Kompositie 1979 (de titel is kenmerkend voor Boermans abstracte denken) kan het best beschreven worden als een zenuwenoorlog die via het oor wordt uitgevochten: snerpende, rauwe geluiden afgewisseld met fragmentatiebommen van klanksplinters.
DE NU 75-jarige Boerman studeerde oorspronkelijk piano en had wat compositielessen van Hendrik Andriessen. De elektronische muziek trok hem aan vanwege de oneindige hoeveelheid klankkleuren die zich tussen de traditionele tonen bevinden. 'Ruis was voor mij een heel nieuw gebied’, zei hij ooit in een televisiedocumentaire van Ramon Gieling en Michel Waisvisz. 'In de begintijd van de elektronische muziek was het juist heel moeilijk om met tonen te componeren omdat ze direct gingen lijken op imitaties van instrumentale muziek, en dat werd soms vreselijk triviaal. Maar ik vond die ruisgeluiden gewoon mooi en boeiend, dát kwam op de eerste plaats.’
In dat opzicht vertoont Boerman grote overeenkomst met zijn generatiegenoot Karlheinz Stockhausen, die ook een leven lang diepgaand onderzoek deed naar klankkleur. Klankkleur, een element dat eeuwenlang slechts een decoratieve functie had, is door beiden tot zelfstandige parameter uitgeroepen. Boermans specialiteit is dan weer de zogenaamde klankkleurbeweging. Door een geraffineerde manipulatie van de kleur en het timbre van een klank weet hij de suggestie van beweging te wekken. Klankprojectielen suizen langs, verdwijnen in de verte of komen strak als een straaljager op je af. Een muziek die zich driedimensionaal door de ruimte lijkt te bewegen - alles gebaseerd op pure illusie.
De oneindige klankmogelijkheden in de elektronische muziek dragen - in verkeerde handen - het gevaar in zich slechts een oeverloze stroom muziek te produceren en in het slechtste geval zelfs een optelsom van effectjes. Tegenover die latente vormeloosheid brengt Boerman de Gulden Snede in het geweer. Veel van zijn composities zijn gestructureerd volgens deze klassieke verhoudingen die als 'een golfbreker’ fungeren, 'zodat er door een fijnmaziger proportionering ook allerlei tegenstromen en onderstromen kunnen ontstaan’.
HET LEEUWEDEEL van de muziek van Boerman is gebaseerd op geluiden die hij zelf kunstmatig heeft opgewekt en vervolgens bewerkt. In enkele werken gaat hij echter de confrontatie met akoestische instrumenten aan. Een van de oudste voorbeelden is Ontketening(II voor de Slagwerkgroep Den Haag. Daarna volgden Vervlechting en Vocalise. Interessant aan deze stukken is dat Boerman de instrumentale en vocale geluiden zodanig bewerkt dat de bron nauwelijks nog herkenbaar is, terwijl hij met de elektronische klanken zo dicht mogelijk het akoestische geluid probeert te benaderen. Zo ontstaat een vervreemdende uitwisseling van identiteiten.
De grote makke van elektronische muziek is het feit dat een enorme klankrijkdom door twee luidsprekerkastjes geperst moet worden. Een dodelijk a-theatrale situatie en een grove inperking van alle nuances. Voor dit laatste heeft Boerman, net als vele van zijn collega’s, een alternatief gevonden door met meer dan één luidspreker te werken, zodat er een ruimtelijke werking ontstaat. Daarnaast is hij aan de zitplaatsen van de luisteraars gaan morrelen: 'Het is natuurlijk ideaal wanneer mensen in het auditorium hun eigen plekje kunnen opscharrelen. Hier blijf ik staan of zitten, hier hoor ik het ’t best’, zei hij in een interview in 1988 naar aanleiding van het Maasproject dat buiten bij de Euromast werd uitgevoerd. In dit werk was het zelfs de bedoeling om met geluid, met klankvlakken een ruimte af te bakenen. De ultieme vorm van muziek als architectuur.
WIE HET COMPLETE werk (vijf cd’s) achter elkaar beluistert, krijgt de vreemde gewaarwording dat Boerman zijn hele leven eigenlijk aan één reusachtige compositie heeft gebeiteld. Ook al neemt hij steeds andere onderwerpen bij de kop, alle composities hebben eenzelfde niveau en eenzelfde lijvige omvang (geen tussendoortjes of aforismen) en ademen eenzelfde geest uit. In zekere zin is dat ook de manier waarop Boerman zelf naar zijn werk kijkt. In een interview met Roland de Beer in 1984 zei hij: 'Ik zie mijn stukken vooral als studies. Het ene stuk is een studie voor het volgende stuk.’ Daarnaast wordt de coherentie in zijn muziek versterkt doordat hij dezelfde klanken steeds opnieuw gebruikt. Vanaf het allereerste begin heeft Boerman een bibliotheek van klanken aangelegd, die als het ware gerecycled worden. Een klank wordt bewerkt voor het ene stuk, die bewerking wordt nog eens onder handen genomen voor het volgende stuk. De oorspronkelijke bron is dan al mijlenver uit zicht verdwenen en diezelfde klank is aan een zoveelste leven begonnen.
Met deze cd-box is het werk van Boerman nu definitief ontsloten, hoezeer een stereoinstallatie in de huiskamer de akoestische vergezichten die in deze muziek besloten liggen ook tekort mag doen. Eén laa*…latje…tje zal echter altijd geheim blijven: de stukken voor twee piano’s die Boerman gedurende al die decennia is blijven schrijven. 'Ze waren experimenteel in dát opzicht dat ik erachter wilde komen hoe ik dat structureren van die instrumentale stukken ook met elektronica kon doen. Het waren een soort voorstudies.’ Geen van deze werken heeft ooit geklonken en het geeft wel aan dat Boerman meer in zijn onderzoeken, experimenten en studies geïnteresseerd is dan in publiek succes. In zijn beleving is elke nieuwe compositie weer een nieuw experiment met de bijbehorende ruimte en vrijheid. Aan die veiligheid van de luwte is nu in één klap een einde gekomen: zijn verzamelde werk is niets minder dan een monument voor de elektronische muziek.