Nederlandse academici moeten internationaal publiceren

Kringloopwetenschap

Hoeveel «outputpunten» zou Friedrich Nietzsche hebben behaald? En wat zou zijn «citatie-impactscore» zijn geweest? In zijn tijd als universitair docent filologie publiceerde de Duitse denker niet in toonaangevende Engelstalige vakbladen, kreeg zijn meest wetenschappelijke werk, De geboorte van de tragedie, ongenadige kritiek van collega’s en werd hij amper geciteerd. Het Leidse Centrum voor Wetenschaps- en Technologie Studies zou hem hebben bestempeld als non-geleerde, de visitatiecommissie van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten had hem een grote mate van onzichtbaarheid verweten en zijn werkgever had hem gemaand tot het schrijven van relevante artikelen.

Het aantal publicaties in, bij grote voorkeur Engelstalige, vakbladen (output) en het aantal gemeten citaties (impact) zijn bepalend voor hedendaagse academici, niet voor alleen de bèta’s, maar in toenemende mate ook voor de gamma’s en de alfa’s aan de Nederlandse universiteiten. Alleen de juristen weten zich, dankzij het karakter van hun vakgebied, te onttrekken aan de tucht van de academische globalisering. Zij kunnen hun annotaties nog naar hartelust in het Nederlands publiceren, welke dan weer worden bekeken door een Nederlandstalige visitatiecommissie. «Maar we blijven proberen ze over te halen», belooft Frans van Steijn, hoofd Kwaliteitszorg van de VSNU, «net als andere Nederlandse wetenschappers moeten ze internationaler gaan denken en communiceren».

Uitgangspunt is het idee dat vakbroeders aller landen moeten bijdragen aan the body of knowledge. Niet de nationale maar de internationale vergelijking zal in de toekomst de norm zijn: meetellen in de internationale wetenschappelijke gemeenschap, met het bijbehorende «aanzien» en «prestige». «Benchmarking» is de term die valt in het rapport Kwaliteit verplicht: Naar een nieuw stelsel van kwaliteitszorg voor het wetenschappelijk onderzoek. Publicaties in topvakbladen zijn, in het middenstandsproza van de CWTS, «een indicatie van het succes waarmee Nederlandse onderzoekers ‹concurreren› met andere landen voor deze wetenschappelijke ‹etalageruimte›…» Een stadssociologisch artikel over hondenpoep moet ook interessant zijn voor de leden van academische grootwinkelcentra in de Verenigde Staten, net als een artikel over een nieuwe aidsremmer.

Sinds 1986, één jaar na haar oprichting, organiseert de VSNU, op instigatie van de politiek, internationaal getinte visitaties om te controleren of onderzoek kwalitatief, productief, relevant en levensvatbaar is. Het doel is om de kwaliteit te verbeteren en te bekijken of het belastinggeld op een verantwoorde wijze wordt besteed. Dat het Nederlandse visitatiesysteem vrij uniek is binnen Europa, merkte Frans van Steijn onlangs weer eens tijdens een bijeenkomst van collega’s in Madrid. Alleen de Britten hanteren een vergelijkbaar systeem, dus ook op dit vlak vormt Nederland een Angelsaksische voorpost op het vasteland. In het Verenigd Koninkrijk leidt een negatieve beoordeling door collega’s veelal tot het einde van een onderzoeksschool. Wetenschappelijke reputaties staan of vallen daar met het aantal mensen dat iemand kan «managen» en hoeveel geld er kan worden binnengesleept. In Nederland is die relatie vooralsnog minder direct. Reden voor de socioloog Dick Pels, die tijdens zijn hoogleraarschap aan de Londense Brunel University een visitatie leidde, om in het sociaal-wetenschappelijke magazine Facta de Nederlandse wetenschappers aan te raden niet te veel te klagen over deze vorm van prestatieloon.

Want geklaagd wordt er. Al jaren.

Door de filosofen bijvoorbeeld. Bij de Twentse denkers bijvoorbeeld, die onder leiding van de gerenommeerde filosoof Hans Achterhuis, halverwege de jaren negentig een magere 5,6 scoorden. De kritiek was kenmerkend: men schreef te weinig in Engelstalige vakbladen en te veel in «populaire» media waartoe ook een door Achterhuis geschreven hoofdstuk in een rapport van de Club van Rome bleek te behoren. Het publicatiebeleid was «te weinig ambitieus». Sindsdien wordt er veel vergaderd over publicatiestrategieën. Na deze visitatie-wijsbegeerte sprak de Groningse filosoof Hans Harbers — zijn vakgroep werd beloond met het hoogste cijfer, een 8,7 — in Krisis over een «schijnbaar geobjectiveerde kwaliteitsevaluatie», leidend tot een oordeel dat veel weg had van «een slecht tot niet gecontroleerde grootste gemene deler van de opinies van zes heren». Eén van die heren reageerde. De organisatieadviseur Pieter Mostert stelde dat het visitatierapport ter bescherming van de beoordeelden juist zo vaag mogelijk was opgesteld.

Het rumoer beperkte zich niet tot de wijsgerige gemeenschap. Een paar jaar later waarschuwde Maarten van Riemsdijk, docent aan de faculteit Technologie Management in Twente, dat de nadruk op de internationale output het bedrijfskundige onderzoek in Nederland bedreigt, omdat «de internationale publiceerbaarheid in feite een diskwalificatie van ons eigen vermogen de onderzoekskwaliteit te beoordelen en te bewaken betekent». De natuurkundige Ad Lagendijk laat geen gelegenheid voorbijgaan om de VSNU in het algemeen en haar visitaties in het bijzonder te bekritiseren. Gemor klonk ook in Tilburg, waar de vrijetijdswetenschappers na een moeizame visitatie — er waren weliswaar veel opdrachten uitgevoerd voor de rijksoverheid, maar ook hier: te weinig internationale publicaties — niet langer zelfstandig onderzoeken mochten uitvoeren. De Maastrichtse filosoof Rein de Wilde signaleerde, alles overziend, een industriële revolutie binnen de academie.

Een fundamentele aanklacht kwam van Trudy Dehue, Gronings hoogleraar theorie en geschiedenis van de psychologie, die eind 2000 in De academische boekengids (nul impactpunten) onder de kop Alle boeken de wetenschap uit: om te beginnen die in het Nederlands de werkwijze fileerde van de CWTS, wier omstreden citatieturving meespeelde in de beslissing van de visitatiecommissie de bij psychologie werkzame wetenschapshistorici en -sociologen als «onzichtbaar» en «geïsoleerd» te kenschetsen. Voor de Leidse rekenmeesters tellen boeken noch boekrecensies mee bij het berekenen van de impact, al helemaal niet als ze in het Nederlands zijn geschreven, zoals Douwe Draaisma’s goedverkopende Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt. Dehue: «Impact schijnt immers alleen iets internationaals (lees: Angelsaksisch) te zijn.» En zelfs dat niet helemaal: publicaties in bijvoorbeeld het Amerikaanse American Psychology werden niet meegeteld. Tevens hielden ze, aldus Dehue, geen rekening met het gegeven dat experimenteel onderzoek relatief sneller wordt geciteerd dan theoretisch/historisch onderzoek.

Dehue kreeg alom bijval, onder meer uit de bètahoek. De Delftse hoogleraar operations research Freerk Lootsma meent dat output financiering — de verdeling van het nationale researchbudget op grond van de wetenschappelijke productie — drijft op «surrogaatgegevens»: zeker vier van de vijf artikelen gaan ongeciteerd de geschiedenis in, terwijl tussen prestatie en beloning soms vijf jaar zit. Hij ziet om zich heen dat het schrijven van bijdragen voor congresbundels een geliefde bezigheid is geworden, daar zulks relatief meer punten oplevert dan een doorwrocht artikel. «Het systeem is vooral geschikt voor een bureaucratische en landelijke controle op onderzoek», stelde hij in zijn afscheidsrede Geteld, geteld, gewogen, gebroken.

Een reactie van de VSNU kon niet uitblijven. Van Steijn gaf toe dat de commissie-psychologie het onderdeel «internationale zichtbaarheid» wellicht te veel had afgemeten aan de CWTS-cijfers. Maar desondanks luidde zijn devies: «Schrijft u uitsluitend boeken? Uitstekend, maar legt u wel uit waarom.» Uitleg geven hoort erbij, verduidelijkte Van Steijn, er later aan toevoegend dat zulks ook geldt voor de bèta’s, Nobelprijswinnaars niet uitgezonderd: «Het viel de commissie-natuurkunde een keer op dat er bij de theoretisch natuurkundigen in Utrecht zo weinig mensen promoveerden. Het hoofd van de vakgroep verdedigde zich door te zeggen dat hij dolgraag mensen wil laten promoveren, maar dat het niveau nu eenmaal hoog is.» In de beoordeling werd de Nobelprijswinnaar vervolgens als het ware met purper bekleed, gelijk Daniël door de koning der Chaldeeën, na het uitleggen van de tekens aan de wand.

Het CWTS reageerde overigens niet op Dehues artikel.

Afgelopen voorjaar deden Leidse bibliometristen wel van zich spreken door samen met Elsevier een onderzoek te verrichten naar «de beste wetenschap van Nederland». Het artikel had een sportief karakter, mede dankzij de illustratie waarop wetenschappers over een atletiekbaan rennen. De Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek stelt niet voor niets dat wetenschap «deels topsport» is. Uiteindelijk werd het een eerbetoon aan «de onbekende wetenschapper», aan de natuurkundige, de moleculair architect en de chemicus wiens vondst van harde feiten het gevolg was van hard werken. Saillant detail: in Groningen zaten de beste psychologen. De twee bekendste vertegenwoordigers van de Amsterdamse School voor sociologisch onderzoek, Cees Schuyt en Abram de Swaan, werden neergezet als non-geleerden, daar zij amper tot niet hadden gepubliceerd in de internationale bladen die door de citatentellers waren ingevoerd. Toevallig of niet, recentelijk ontvingen onderzoekers van de Amsterdamse School een lijst van het dagelijks bestuur met daarop een puntenwaardering als basis voor de kwantificering van hun wetenschappelijke prestaties. Tien punten gaan er naar een door collega’s vóór publicatie becommentarieerd boek in een vreemde taal, zes punten naar een soortgelijk boek in het Nederlands. Een welbevonden artikel in The American Journal of Sociology levert drie punten meer op dan eenzelfde artikel in Mens & Maatschappij. Publiceren voor een breder publiek, variërend van Socialisme & Democratie, The London Review of Books tot De Groene Amsterdammer, is een vorm van vrijetijdswetenschap. Collega-sociologen van Global Issues and Development Studies hebben meer geluk: een gewoon populariserend artikel levert een tiende punt op.

De opvatting dat kennis, alvorens te worden blootgesteld aan de buitenwereld, eerst met methodische precisie moet rijpen in de kring van experts, doet de Amsterdamse politicoloog en School-lid Hein-Anton van der Heijden denken aan hetgeen Michel Foucault zei tijdens diens inaugurele rede De orde van het vertoog. Voor het Collège de France verkondigde de Franse filosoof dat de functie van vertooggemeenschappen het bewaren of voortbrengen van vertoog is, «maar dan teneinde deze in besloten kring te doen circuleren, het alleen volgens strikte regels door te geven, zonder dat degenen die er deel van hebben door die verbreiding verlies lijden». Van der Heijden vreest dat wetenschappers wier denken zich aan de periferie van het hoofddebat afspeelt, het moeilijker zullen krijgen, althans, in een outputcrisis zullen geraken binnen een wetenschappelijke monocultuur. «Verrassende, risicovolle artikelen zullen geweigerd worden door de topbladen binnen een bepaald vakgebied.» Hij krijgt bijval van Lootsma, die in een nog te verschijnen nieuwsbrief van Kunsten ’92 beweert dat de outputfinanciering nadelig is voor onderzoekers die nieuwe wegen inslaan, zeker als zij «de geaccepteerde paradigma’s in twijfel trekken».

Moeilijk krijgen wetenschappers het wier werkterrein een lokaal of nationaal karakter heeft. Van der Heijden: «Natuurlijk kan een verhandeling over Nederlandse kabinetsformaties voor een internationaal publiek worden geschreven, maar dat gaat ten koste van specifieke punten die soms juist zo belangrijk zijn.» Hij vermoedt dat Nederlandse vakbladen een ongewisse toekomst tegemoet gaan. Deze vrees lijkt niet ongegrond. In NRC Handelsblad constateerde historicus Cor van der Heijden dat de tijdschriften in zijn vak gebied welhaast zijn overgenomen door de Belgen. Hij vroeg zich af of historisch Nederland inmiddels «al zo geïnternationaliseerd is dat onderzoekers hun pennenvruchten liever in een buitenlands tijdschrift wegstoppen dan onder de ogen te komen van een ruime schare van vaderlandse vakbroeders?»

In de jacht op de broodnodige outputpunten zoekt ook Trudy Dehue haar heil steeds vaker over de grens, hetgeen tot curieuze situaties kan leiden: «Het Maandblad geestelijke volksgezondheid vroeg me om een artikel over proeven met heroïneverstrekking dat in een Engelstalig blad was verschenen terug te vertalen naar het Nederlands.» Als redactielid van Krisis ziet Hans Harbers eveneens een kleine intellectuele volksverhuizing: «Vooral wetenschapsfilosofen en empirici publiceren liever in een Engelstalig vakblad. Wij krijgen de kruimels.» Een Engelstalige Krisis zal zeker lezers kosten, denkt Harbers. «Afgezien daarvan krijgen publicaties van Nederlanders in het Engels al snel een technisch-wetenschappelijk en niet-literair karakter, bedoeld voor een naar binnen gekeerde gemeenschap. Dit gaat ten koste van de cultureel-maatschappelijke functie van de filosofie.» Of, zoals de Delftse onderzoeker Lootsma opmerkt: «Wie schrijft er voor een mager outputpuntje nog een Nederlandstalig leerboek? Of voor de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad?»

Frans van Steijn beaamt dat de kans bestaat dat het scoren van output- en impactpunten ertoe kan leiden dat de publieke rol van de wetenschappers afneemt. Publiceren gaat vóór publiciteit. «Wie zijn onderzoek verwaarloost, maar ’s ochtends wel floreert op de opiniepagina’s om nog dezelfde avond bij Nova te verschijnen, krijgt strafpunten. Dan moet diegene maar gaan werken bij Clingendael», aldus Van Steijn. Geruststellend wijst hij erop dat de toekomstige visitaties «maatwerk» worden. Er zullen geen vakgebieden worden beoordeeld, maar afzonderlijke delen daarvan. Terwijl de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen moet waken voor vriendjespolitiek mogen de universiteiten in de toekomst zelf bepalen in hoeverre rekening wordt gehouden met de traditie van de diverse onderzoeksscholen en -instituten. Zo zullen neerlandici in Utrecht bijvoorbeeld geen «last» krijgen van de natuurkundige, op Engelstaligheid gebaseerde publicatiemodellen van de CWTS, al kan het, gezien de verwachte rel, verleidelijk zijn een artikel over Gerard Reves patriottische gedicht Voor eigen erf in het Engels te schrijven. Een citatenvoorraad voor tien jaar! Het CWTS geeft toe dat zijn modellen zich nog niet lenen voor de alfawetenschappen en «helaas» een deel van de gamma’s, terwijl ook Van Steijn niet van alle academici verlangt dat ze zich blindstaren op cijfers en de maatschappelijke relevantie uit het oog verliezen. Wat hij wél verlangt, is dat ze een missie hebben: «Na een onderzoek moeten ze iets hebben van: dit moet de hele wereld weten, ik stuur het naar Science. En niet zonder uitgestippelde strategie iets schrijven om het vervolgens maar eens op te sturen naar The Review of Nothingness.»

Het argument van critici dat bètawetenschappers meer outputpunten veroveren omdat ze in teamverband werken, overtuigt Van Steijn allerminst: «Zij hebben weer te maken met hogere publicatie-eisen.» Om eraan toe te voegen dat niet-harde wetenschappers meer zouden moeten samenwerken in groepsverband. Voor een bij uitstek individualistische, persoonlijke aangelegenheid als filosofie lijkt dat een vergeefse oproep. De Groningse filosoof Harbers ziet dan ook meer in het zo creatief mogelijk omgaan met de gestelde eisen. Naast de outputpunten en de impactscore moeten andere maatstaven volgens hem ook aandacht krijgen. «In sommige takken van de natuurkunde of de geneeskunde worden octrooien opgevoerd als kwaliteitsmaatstaf. Waarom zou dat niet kunnen in de filosofie of sociologie? Op taal vernieuwing zou een beloning kunnen staan, bijvoorbeeld voor De Swaan, bedenker van het woord ‹onderhandelingshuishouding›.» Bij de zelfstudie die onderzoeksscholen aan de vooravond van het bezoek van de visitatiecommissie dienen te maken, meet Harbers niet alleen de impact af aan het aantal citaties, maar laat hij ook zien wát en hóe er wordt geciteerd . «Een slecht artikel kan talloze citaties krijgen, juist omdat het zo slecht is. En dat kan toch niet de bedoeling van kwaliteitszorg wezen?»