Kritiek (1)

Gezag - dat is ook niets.
Mijn vader wilde graag gezag. Gezag was iets nastrevenswaardig en moest niet verworven worden, maar moest er zijn.
Mijn vader was ambtenaar van het Binnenlands Bestuur in Indie, en in die functie oefende hij gezag uit; hij hoefde er maar te zijn en men boog en knikte. Thuis wilde hij dat gezag ook.

Wie gezag had, kon trots zijn. Ook zoiets. Trots. Ik weet niet waar ik meer van walgde: gezag of trots.
Ik kon nagenoeg gek worden van onzekerheid als mijn vader televisie keek of de krant las en dan zei: ‘Kijk, die mijnheer Neuman, die weet het, die heeft gezag. Daar zouden we trots op moeten zijn.’
Later begreep ik dat gezag en trots noodzakelijke luchtkastelen waren om te overleven. Talloos waren de verhalen van mijn ouders over het kamp, waar gezag en trots het enige voedsel waren, voedsel waar ook de dood moeite mee had.
De subtiele relatie die er bestaat tussen moed, gezag en trots werden me ontvouwd, en juist omdat ik moed, net als trots en gezag, ook al niet had en niets vond, nam de onzekerheid toe.
Nooit zou ik moedig zijn, nooit zou ik streven naar trots en gezag.
Maar die strijd geef ik nou op.
Ik wil gezag.
In de literatuur kun je niets verkopen als je geen gezag hebt.
Je kunt nog zo mooi schrijven, wanneer je geen gezag hebt, kun je net zo goed je boeken bij eb onder de vloedlijn in het zand kalligraferen en wachten op de golven.
Gezag verwerf je door kundig te zijn, door meer te weten dan een ander, door betere ideeen te hebben dan iemand anders, maar het belangrijkste is: je moet slaven hebben die je gezag erkennen.
Dat was in het kamp al zo, dat is bij de literatuur evenzeer het geval.
Slaven maak je door afhankelijkheid. Mensen met groot gezag, hebben altijd een slaafse vrouw of man, want het begint bij het huis gezin. Kijk maar eens goed om u heen.
Gezaghebbers hebben ook vrienden die van ze afhankelijk zijn en die gevoed worden met geld, goederen en ideeen. Niets maakt zo slaafs als economische afhankelijkheid.
Je ziet het ook bij gezaghebbende, beroemde schrijvers. Die delen uit. Je klopt bij A. F. Th. van der Heijden of Harry Mulisch nooit tevergeefs aan voor een rondje.
Maar het mooist is het gezag van de letterkundige kritiek.
Dat gezag was vroeger groot. Ik denk aan de tijd van Ter Braak, Du Perron, maar ook nog van P. H. Ritter junior.
Dat gezag is weg - de fakkel is overgegeven aan Ivo Niehe, Sonja Barend en Tineke Koffietijd. Om de kleine kluifjes van gezag wordt nu ge vochten.
Het is tragisch, maar het gezag wordt niet meer bepaald door kunde, door betere ideeen te hebben dan iemand anders (nog wel door de slaafjes die je om je heen verzamelt), nee - het belangrijkste is de plek geworden.
Literatuurrecensenten zijn net makelaars. Vraag wat hun geheim is en ze antwoorden: de plek, de plek, de plek.
De televisie bestaat uit de grachtenpanden, NRC Handelsblad is Oud-Zuid, de Volkskrant is de rijke buurt rond de kerk, en de week- en opiniebladen houden zich op in de wijken daaromheen.
De literaire bladen spelen al helemaal geen rol meer - dat zijn opgesloten dorpsgekken geworden. Niemand ziet ze, niemand hoort ze, dus niemand heeft er last van.
En de achterbuurten?
Die worden door niemand bezocht. Iemand met gezag kan daar onmiddellijk worden neergestoken. Men denkt het probleem van de achterbuurten op te kunnen lossen door het te 'verneinen’ - door er maar niet over te spreken.
Het is net Indie - opeens waren we het kwijt.