Kritiek (3)

In mijn leven heb ik tot nu toe drie keer een recensent bij een krant aangesteld. Een keer vertelde ik op een walgelijk slijmerige manier aan een recensent dat we de samenwerking maar moesten opheffen. Ikzelf ben vier keer ergens als criticus aangesteld bij een blad en een keer moest ik weg wegens ruzie (maar ze vonden me eenvoudigweg niet goed) en twee keer ben ik zelf weggegaan. Op grond van al deze ervaringen meen ik dat ik iets weet over de rol van de criticus.

Waarom vroeg ik aan een bepaald iemand of hij wilde recenseren? Laat ik hem Bob noemen. Ik had stukken van Bob gelezen en kende daarvan het effect. Het effect was dat hij door de manier waarop hij schreef, mijn vrienden en kennissen in tweeen deelde. Het ene deel vond hem heel leuk en moest erg om hem lachen (tot dat gedeelte behoorde ik zelf ook); het andere deel ergerde zich blauw aan hem. ‘Wat een walgelijk mens moet dat zijn’, hoorde ik. Dat effect wilde ik bereiken! Wat hij besprak kon me niet zoveel schelen - het ging erom wat hij teweegbracht.
Ikzelf werd als recensent ontslagen bij een blad omdat ze mij, zoals gezegd, niet goed von den. Wat deed ik dan? Ik ventileerde een bepaalde mening die men tamelijk bekrompen vond. Misschien hadden ze gelijk - ik denk het wel. Ik toetste alles aan het verhalende element. Bestond een verhaal niet uit een begin, een midden en een eind, dan vond ik het een slecht verhaal en een slecht boek. Aldus vond men mij een voorspelbare recensent - en men had gelijk.
Sindsdien weet ik ongeveer wat er van een recensent wordt verlangd: hij moet kunnen verwoorden wat de redacteur die hem heeft aangesteld, wenst. Wat die redacteur wenst, is afhankelijk van het blad waarvan hij redacteur is. Een recensent schrijft dus niet voor de lezers, hij schrijft voor zijn chef. Altijd! Wat die critici ook beweren! Zegt die chef 'sodemieter op met die stompzinnige oordeeltjes van je!’ dan heeft die recensent maar op te sodemieteren.
Wanneer doet de chef dat niet? Hij doet dat niet wanneer de lezers zich hechten aan de criticus. Dat is welbeschouwd niet zo vaak het geval. Als de beste critici die we vandaag hebben, morgen worden ontslagen, kraait overmorgen geen haan meer naar ze - en abonneeverlies levert het ontslag van een recensent nooit op. De chef is dus belangrijk, belangrijker dan de recensent. Hij bepaalt de koers.
Maar nu weer terug naar die recensent. Men dicht hem een culturele waarde toe, en vorige week hebben we geconstateerd dat hij die niet heeft. Toch is de recensent onontbeerlijk. Wat is dan zijn belang? Simpel: hij zorgt ervoor dat een boek bestaat. Een boek dat niet wordt gerecenseerd, bestaat eigenlijk niet. Dat gaat van de schappen van de uitgever naar de schappen van De Slegte en van de schappen van De Slegte rechtstreeks naar de vuilverbrandings oven. Daarom heeft een recensent ook macht; hij zorgt ervoor dat er mensen zijn die wij uitgevers noemen en dat er mensen zijn die wij aanwijzen als schrijvers.
Het belang van wat hij zegt, is niet groot - het gaat om hoe hij het zegt. Bevalt hij de chef en beweert hij zaken die kunnen rekenen op instemming van een groot deel van zijn publiek en weet hij, tegelijkertijd, agressie en haat op te roepen bij een ander deel van zijn publiek: dan maakt die recensent samen met de schrijver cultuur. Niet 'de’ cultuur en ook niet De Nederlandse Cultuur maar gewoon: cultuur.
Cultuur is niets anders dan geklets over iets dat bij anderen weer geklets oplevert. Als mijn buurvrouw met mijn andere buurvrouw gezellig aan het praten is over de ziekte van een andere buurvrouw, en als dat weer wordt opgevangen door weer een andere buurvrouw die dat aan de groenteman vertelt, dan is dat cultuur. Althans, net zo'n cultuur als recensenten die zwetsen over een boek en besluiten dat op te schrijven. Maar die cultuur waar iedereen de mond van vol heeft, is die eigenlijk wel zo belangrijk?