Kritiek (4)

Vroeger zocht ik nog wel eens iets op in een woordenboek of een encyclopedie, tegenwoordig vraag ik het aan mijn dochter van dertien.

‘Wat is cultuur?’ vraag ik.
'Dat wat de mensen maken’, zegt ze.
Ze heeft het aan een leraar bij haar op school gevraagd. Die verwees naar een passage in een boek. Dat heeft ze half opgezocht, waarschijnlijk verkeerd onthouden. Maar 'dat wat de mensen maken’ bleef over - en meer hoef je ook niet over cultuur te weten.
Wie met 'cultuur’ werkt (journalisten, schrijvers, kunstenaars in het algemeen) weet niet precies wat cultuur is. Ik vroeg het in het cafe aan vrienden en kenissen. Bert (kunstschilder) antwoordde: 'Alles om de kunst heen is cultuur.’ Winfred (journalist): 'Nee, gewoon, alles wat wij doen en schrijven, gewoon, het hele discours zal ik maar zeggen, polemiek en essay, muziek en dans, alle kunst erbij… dat is cultuur.’ Annechien (kunstgeschiedenis gedaan, nu geen werk): 'Ik denk dat cultuur is: een analyse van kunstzinnige verschijnselen waardoor je een uitspraak kan doen over het beeldend vermogen van de mens.’
Ik dronk met mijn dochter een cola - en vond haar definitie nog steeds de beste.
Cultuur, die aardige verzameling van alles wat we in de loop der tijd hebben verzonnen, veraangenaamt ons leven en je kunt er soms flink aan verdienen. Zelfs als je schrijver bent.
Het aardige van ons is, dat we invloed op die cultuur willen uitoefenen. Invloed hebben op de cultuur is net zoiets als rijk worden: het geeft macht.
Wie de meeste invloed op de cultuur uitoefent, heeft de meeste macht - met alle prettige revenuen van dien, zoals een vergrote seksuele aantrekkingskracht (dat is de belangrijkste) en dus ook dat vele geld. Hoe meer geld je hebt, hoe minder je je met die cultuur hoeft te bemoeien. Rijke kunstenaars oefenen derhalve ook zelden invloed uit op de cultuur.
Schrijvers bestaan door recensenten en recensenten bestaan door schrijvers - tussen hen is dus een voortdurend gevecht om de macht gaande. Recensenten moeten steeds met nieuwe argumenten komen om boeken te bestrijden of boeken te bejubelen.
Umberto Eco heeft eens een grappig essay geschreven: over een boek schreef hij een aantal recensies; een recensie zoals die in de jaren dertig zou zijn geschreven, in de jaren zestig en in de jaren tachtig. Je ziet aan die recensies wat de literaire mode was: de psychologie, het existentialisme en het postmodernisme.
Alle argumenten van vroeger om een boek te bewonderen of te kraken blijken heden ten dagen ongeldig geworden. Neem De avonden van Simon van het Reve. Wie in Frits van Egters heden ten dage nog een jongeling ziet met een 'existentialistisch dilemma’, wordt niet meer serieus genomen - toch werd er in de jaren vijftig zo over De avonden gesproken.
Schrijver en recensent zijn elkaars water en brood; wie elkaars voedsel is, eet elkaar uiteindelijk op. De recensent maakt de schrijver, maar de schrijver maakt de recensent.
Voor elke schrijver is altijd wel een recensent te vinden. Maar zoals een schrijver macht wil, zo wil de recensent die ook. Hij moet zich dus onderscheiden. Schrijvers en recensenten zijn dus voortdurend bezig stampei te maken, of elkaar juist te slijmen.
Een recensent die goed omgaat met schrijvers is een machtig, invloedrijk recensent. Elke schrijver doet er verstandig aan met zo'n recensent vrienden te worden. Of zo'n criticus al dan niet goed schrijft, is van geen enkel belang. Noch wat hij te vertellen heeft.