Kritiek als zelfportret

Isaiah Berlin
Enlightening. Letters 1946-1960
(Red. Henry Hardy en Jennifer Holmes)
Chatto & Windus, 844 blz., € 50,95

‘Hij was ongetwijfeld een geweldige prater, maar is dat voldoende? Hoe zit het met zijn snobisme, kleingeestigheid, plaagzucht, het verdoen van zijn tijd met roddelen, zijn verlangen de biechtvader van jonge vrouwen te worden, en zijn onvermogen om één onvergankelijk geleerd werk te schrijven in de trant van Burckhardt of Mommsen?’ Over de honderd jaar geleden geboren filosoof en ideeënhistoricus Isaiah Berlin heeft menig scepticus zich dergelijke vragen gesteld. Toen in 1999 Michael Ignatieffs biografie van de twee jaar daarvoor gestorven Berlin verscheen, werd opgemerkt dat het een raadsel was waarom de gebiografeerde zo beroemd was geworden. Uiteindelijk had hij toch slechts een handjevol niet erg diepgravende essays geschreven en was hij niet meer geweest dan een gewiekst causeur, die zich wist op te dringen aan allerlei beroemde en machtige mensen.
Wie dit tweede deel van Berlins correspondentie leest is zeker in het begin geneigd iets dergelijks te denken. Want Berlin mocht dan vrolijk en openhartig corresponderen met mensen als Winston Churchill, de eerste Israëlische president Chaim Weizmann, de Amerikaanse opperrechter Felix Frankfurter, de diplomaat George Kennan en befaamde dichter T.S. Eliot, maar wat had deze bijna veertigjarige Oxford-don eigenlijk gepresteerd? Hij gold vooral als een belofte, maar zou hij die ook waarmaken?
Berlin was de eerste om toe te geven dat hij geen oorspronkelijk denker was, dat er veel scherpzinniger filosofen waren dan hij, dat zijn oeuvre als historicus heel bescheiden was. In zijn brieven liet hij zich vaak laatdunkend uit over zijn eigen geschriften en liet hij dikwijls blijken dat hij onzeker was. Hij was zich goed bewust van zijn eigen beperkingen. Het is misschien niet te gewaagd om te veronderstellen dat het citaat waarmee deze recensie opent – dat niet over Berlin gaat maar van hemzelf is, over de kunsthistoricus Bernard Berenson – onbewust een soort zelfportret is.
Berlin was weliswaar geen Plato, Spinoza, Kant of Wittgenstein, maar zijn ideeën over vrijheid, zijn pleidooi voor waardenpluralisme en zijn aandacht voor de critici van de Verlichting oefenen nog altijd invloed uit. Hoewel zijn oratie Two Concepts of Liberty (1958) slechts vijftig pagina’s telt, wordt die door politicologen en politiek filosofen veel intensiever bestudeerd en becommentarieerd dan de duizenden bladzijden die Friedrich von Hayek over dit onderwerp volschreef.
Berlin was niet alleen kritisch ten opzichte van zichzelf, maar had ook oog voor de zwakheden van anderen. Soms had dat betrekking op hun intellectuele capaciteiten – mensen als Raymond Aron, Karl Jaspers, Michael Oakeshott en Walter Lippmann werden door Berlin op erg zelfverzekerde wijze afgeserveerd – maar niet zelden dreef hij op milde wijze de spot met persoonlijke hebbelijkheden. Zo stak hij de draak met zijn vriend Maurice Bowra, die zo graag geridderd wilde worden en die vol trots een Engelse vertaling van een Russisch gedicht presenteerde, blijkbaar zonder te weten dat het oorspronkelijk in het Engels geschreven was.
Ook een groot man als Chaim Weizmann had volgens Berlin zo zijn beperkingen. Toen deze erop stond dat Berlin, nog voor de stichting van de staat Israël, naar Palestina kwam, streelde dat uiteraard zijn ijdelheid, maar hij besefte heel goed dat de latere president op het moment dat hij daar arriveerde alweer vergeten zou zijn waarom hij Berlin had laten komen. Grappig zijn de brieven waarin Berlin onder de uitnodiging probeert uit te komen. Eerst schrijft hij ziek te zijn, al gaat hij in dezelfde periode naar Frankrijk en Italië, en vervolgens schrijft hij zo’n lullig briefje naar Buitenlandse Zaken dat hem een visum wordt geweigerd. Wat hij zich echter niet had gerealiseerd, was dat Weizmann veel invloed had, zodat Berlin alsnog zijn visum kreeg.
Berlins joodse afkomst speelde ook een rol in zijn beschaafde confrontatie met T.S. Eliot, die volgens hem in de jaren dertig enkele uitspraken had gedaan die als antisemitisch geduid konden worden. Na enkele brieven ging Berlin niet meer in op de verdediging van de grote dichter, die korte tijd later subtiel wraak nam. Toen Berlin hem uitbundig prees naar aanleiding van zijn lezing over The Literature of Politics, schreef Eliot: ‘Ik was er reeds van overtuigd dat u wat betreft geleerdheid, diepzinnigheid en eloquentie mijn meerdere was. Ik ben nu van mening dat u mij in de kunst van het vleien ruimschoots overtreft.’ Aan een vriend bekent Berlin: ‘Ik weet niet wat ik hierop moet antwoorden, en daarom heeft hij gewonnen.’
Die zelfrelativering – gecombineerd met Berlins brede intellectuele en oprechte persoonlijke belangstelling, de soms smakelijke academische roddels, en zijn opvattingen over de politieke ontwikkelingen van zijn tijd – maakt dit boek tot aangename lectuur.