Kritiek op de kritiek op de kritiek beeldende kunst

Zouden er jongens en meisjes van zestien jaar te vinden zijn die ervan dromen om later kunstcriticus te worden? Ik kan me veel beroepen voorstellen: soldaat, brandweerman, advocaat, postbode, arts, boekhoudkundig medewerker van een middelgrote provinciale instelling, of zelfs kunstenaar. Maar kunstcriticus?

Kunstcriticus word je over het algemeen ook niet uit vrije keuze, maar juist uit een gebrek aan keuzes. Ieder jaar weer studeren er honderden jongens en meisjes af in de kunstgeschiedenis. Vervolgens gaat er een handvol voortijdig dood of wordt bijtijds zwanger. Blijven er nog honderden over. Twee vinden een baan in een provinciaal museum, de rest is veroordeeld tot nietsdoen of de kunstkritiek.
Kunstcriticus dus. Zelden een roeping, al te vaak een tweede keus.
Een kunstcriticus viert nooit triomfen. Vooral de afgelopen honderd jaar is de geschiedenis van de kunstkritiek, voor wie er de humor in ziet, een hilarische optelsom van foute inschattingen. Kunstcritici zijn volgers en de kunst, zeker deze eeuw, is volop in beweging. Er is nog nooit een kunstcriticus geweest die een belangrijke wending heeft gegeven aan die tumulteuze beweging. Wel zijn er duizenden geweest die zich in het op waarde schatten van een nieuwe ontwikkeling jammerlijk hebben vergist.
De kunstcriticus in spe die goed heeft opgelet tijdens de les is zich terdege bewust van deze polonaise van flaters en past dus wel goed op om niet de zoveelste in de reeks te worden. Het gros van de kunstcritici is dus bang. Bang om het verkeerde goed te vinden, bang om het goede af te kraken, en ze hullen zich derhalve, als hovelingen van een onvoorspelbare tiran, bij voorkeur in multi-interpretabele vaagheden.
Na de conceptuele kaalslag van het postmodernisme, toen de kunstenaars zelf de betekenis van hun werk en van kunst in het algemeen ter discussie stelden, was er niets meer waarachter de criticus zich kon verschuilen. Stuiptrekkend, meer uit gewoonte dan uit enthousiasme, werd er doorgeschreven, maar de rek was er duidelijk uit. Een overtreffende trap van vaagheid, in een poging de kunst bij te benen, was niet meer mogelijk.
Sinds die tijd wordt er door de direct betrokkenen geklaagd over de kunstkritiek. Nu is de discussie openbaar dankzij de kersverse Jan Bart Klasterprijs voor de kunstkritiek die afgelopen vrijdag werd uitgereikt aan publicist en ex-medewerker van deze kroniek, Paul Kempers. Met de toekenning van de prijs aan Kempers heeft de jury een daad proberen te stellen. Hier werden niet braafheid, ondoorzichtigheid en academisch geneuzel beloond, maar werd, naast de stilistische kwaliteiten van de schrijver, vooral zijn straatvechtersmentaliteit geprezen. 1-0 dus voor de liefhebbers van leesbare en moedige kunstkritiek.
Tijdens het openingswoord dat werd uitgesproken door NRC-publicist Cornel Bierens werd evenwel duidelijk dat het oppassen blijft. Bierens ging direct op de populaire toer met een verhaal uit het leven over stratemakers die kunst voor rommel hadden aangezien en het dus besloten op te ruimen (lees: vernietigen).
Als vermoedelijk de enige schrijvende kunstcriticus uit de westerse wereld die zich erop kan laten voorstaan ooit stratemaker te zijn geweest, voelde ik me natuurlijk direct aangesproken. Toespraaktechnisch gezien een begrijpelijk begin - je hebt direct de lachers en de zaal op je hand - maar inhoudelijk een beetje verdacht. Na nog wat grappen en grollen kwam Bierens tot de conclusie dat een kunstcriticus vooral mooi literair moet schrijven en al schrijvend zelf ook kunst zou moeten maken.
Maar dit is niet de oplossing voor de crisis in de kunstkritiek. Een mooi verhaal schrijven mag natuurlijk altijd, maar wordt dan gewoon schrijver, een leuk beroep waarin, met een beetje mazzel, ook nog wat eer te behalen valt. De laatste opmerking vind ik raadselachtig. Dienen critici een schilderij te bekritiseren door zelf het penseel op te nemen?
De oplossing ligt, zoals zo vaak, veel dichter bij huis dan men denkt. Kunstcritici dienen hun hoofd vol kunsthistorische kennis eindelijk eens te gebruiken en de wereld uit te leggen dat moderne kunst niet iets is dat rond 1900 in Parijs en St. Petersburg werd uitgevonden, maar iets dat van alle tijden is. Terugslaan dus, het initiatief nemen en een waarachtige plaats bevechten voor de kunstkritiek door zich los te worstelen van de waan van de dag.

  • Thomas Mohr. Verzamelmaniak Thomas Mohr heeft de video-opnamen van zijn reizen rond de wereld, vrienden, bloemen en andere zaken achter elkaar gezet. In een spectaculair tempo. Het adembenemende resultaat is te zien in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Neem er de tijd voor, het staat er nog drie jaar. Privaatarchief 1985-1998 van Thomas Mohr. IISG, Cruqiusweg 31, Amsterdam. Maandag t/m vrijdag van 09.00-17.00 uur. T/m 5 oktober 2001.