Profiel: Helene Kröller-müller

Kröller-Müller: Uit verdriet geboren

Deze week is het 136 jaar geleden dat Helene Kröller-Müller werd geboren. Aan haar en haar man heeft Nederland een internationaal befaamde kunstcollectie en een nationaal park te danken. «Naarmate ik het slechte zag in al zijn naaktheid en leelijkheid, leerde ik ook het goede kennen.»

«Het is niet de gewoonte verzamelaars van kunst te herdenken in het openbaar.» Zo begint de latere directeur van het Kröller-Müller Museum, A.M. Hammacher, in De Groene Amsterdammer van 23 december 1939 zijn artikel over Helene Kröller-Müller. De week daarvoor is de kunstverzamelaarster op zeventigjarige leeftijd overleden.

Hammacher maakt voor Helene Kröller-Müller een uitzondering, omdat «haar aandeel in de totstandkoming van de verzameling zich immers niet heeft bepaald tot het beschikbaar stellen van de noodige financiën». Integendeel, HKM, zoals ze tegenwoordig kortweg wordt genoemd, bemoeide zich tot in de details met haar verzameling kunstwerken. Volgens Hammacher roept haar manier van verzamelen «de machtpositie en de eerzucht aan figuren van kunstminnende Italiaansche machthebbers tijdens de bloei der renaissance» in her innering. Het resultaat is volgens hem dat «Nederland op de Hooge Veluwe een kunst verzameling rijk is geworden, die internationale betekenis heeft gekregen».

Vier jaar voor haar overlijden was het landgoed van de familie Kröller-Müller op de Hoge Veluwe Nederlands eerste nationale park geworden en was ook de door HKM aangelegde kunstcollectie in handen gekomen van de staat. Niet geheel om niet. De staat betaalde er de Kröllers acht ton voor, in guldens. Maar voor 6800 hectare grond met daarop het door architect Berlage ontworpen slot Sint Hubertus en een kunstcollectie van achthonderd schilderijen, 275 beelden, ruim vijfduizend werken op papier en vijfhonderd stuks kunstnijverheid was dat, zoals de toenmalige minister H.P. Marchant schreef «zakelijk gezien – o, wantrouwige rentmeesters! – bovendien een koopje, zodat het Nederlandse volk zich zal moeten schamen, als het niet blijkt te waarderen wat het thans zo goedkoop heeft gekregen». In De Groene van 26 mei 1935 ver dedigde Marchant de aankoop, waaruit volgens hem «met geen mogelijkheid een schandaal» te kloppen is.

Uit dank voor de bemiddeling bij de transactie door minister Marchant, de man van de toen nieuwe Nederlandse spelling, kreeg het park van het echtpaar Kröller-Müller de naam De Hoge Veluwe en niet De Hooge Veluwe met dubbel o zoals tot dan toe de spelling was. Die dankbaarheid van de kant van de Kröller- Müllers lijkt vreemd, omdat het gezien «het koopje» eerder de staat had moeten zijn die dankbaar was. Maar diezelfde staat had drie jaar daarvoor, in 1932, een bod van Anthony Kröller van de hand gewezen. Vandaar dat juist de Kröllers verheugd waren dat de staat nu wél toehapte.

Voor de geschiedschrijving: Anthony en zijn vrouw Helene vroegen aanvankelijk een miljoen gulden voor het park, wilden de voor vijf miljoen gulden verzekerde kunstverzameling schenken, maar eisten wel dat er binnen vijf jaar een groot museum voor de kunstcollectie zou worden gebouwd naar een ontwerp van Henry van de Velde. In 1935 stemden de Kröllers in met een noodmuseum en de belofte dat de bouw van het grote museum zou volgen. De opening van het noodmuseum in 1938 heeft Helene Kröller-Müller nog meegemaakt. Het grote museum is er nooit meer gekomen.

De huidige directie van het museum Kröller-Müller merkt dat er steeds meer belangstelling is voor de persoon Helene Kröller-Müller. Dat heeft beslist met de huidige tijdgeest te maken. Net als van hedendaagse beroemdheden willen mensen weten wie die vrouw eigenlijk was, wat haar dreef, waar ze het allemaal van betaalde. Die belangstelling voor de persoon is de reden waarom de huidige tentoonstelling in het museum de titel De favorieten van Helene heeft gekregen en er niet alleen kunstwerken uit haar verzameling te zien zijn, maar ook foto’s van haarzelf, haar familie en haar huizen en landgoederen. Tevens heeft het museum een boek uitgebracht met nog meer foto’s uit het privé-archief van HKM. Vanwege de toegenomen belangstelling is het museum ook aan het uitzoeken of er in samenwerking met een universiteit een biografie geschreven kan worden over Helene, want die is er nog niet.

Volgens de huidige directeur van het museum, Evert J. van Straaten, wordt het schrijven van die biografie een hele kluif, omdat in de persoon van HKM veel samenkomt: de filosofische ideeën uit die tijd alsmede de toen geldende opvattingen over kunst en architectuur, de politiek aan het begin van de twintigste eeuw, de geschiedenis van het familie bedrijf Müller en Co en de wijze waarop dit handel dreef in de Eerste Wereldoorlog en de crisisjaren, en de invloed van de opmars naar de Tweede Wereldoorlog.

De biografen krijgen het extra moeilijk omdat een deel van het persoonlijk archief van HKM door de veel jongere huisvriend van de Kröllers, Sam van Deventer, is meegenomen en in zijn eigen archief is gestopt. Van Deventer was in de oorlogsjaren directeur van het Kröller-Müller Museum, maar werd direct na de bevrijding gedwongen te vertrekken omdat hij schilderijen in handen van de Duitsers had gespeeld. Bij zijn overlijden, in 1972, bleek hij in zijn testament te hebben vastgelegd dat zijn archief pas mag worden geopend als zijn kinderen zijn overleden. De ze wens van Van Deventer voedt de geruchten over de relatie tussen hem en HKM. Pas als ook zijn archief mag worden ingezien, zal duidelijk worden hoe intiem lijkende zinnen van HKM aan Van Deventer moeten worden geduid, zoals deze: «Ja, als jij het met mij kan delen, daarnaar verlang ik steeds.»

Uit het in memoriam van Hammacher blijkt dat Helene Kröller-Müller in haar eigen tijd al niet werd gezien als zomaar een puisant rijke dame die met haar teveel aan tijd en geld een leuk kunstverzamelingetje aanlegde, zoals toen wel meer gebeurde. De toekomstige biografen staat de beantwoording van veel vragen te wachten. Niet alleen is interessant wat de idee was achter de kunstverzameling van HKM, maar het is ook aan hen om uit te zoeken wat precies de reden was waarom het echtpaar Kröller-Müller de collectie en het park overdeed aan de staat. Was het altruïsme met een boodschap die dan zo ongeveer luidde dat beeldende kunst de mens kan verheffen? Of had de overdracht toch vooral te maken met de slechte financiële situatie waarin de handelsfirma Müller en Co tijdens de crisis in de jaren twintig terecht was gekomen? Dreigde de collectie bij een faillissement uit elkaar te vallen en te verdwijnen? Feit is dat de bank La Bouchère en een aantal obligatie houders in 1927 de verkoop van de collectie en het park eisen. Anthony Kröller steekt daar weliswaar een stokje voor, maar het echtpaar richt dan begin 1928 wel de Stichting Kröller-Müller op, waarin, «tot nut en genot der gemeenschap», de verzameling en het landgoed worden ondergebracht. Met de oprichting van die stichting komen park en collectie buiten het bereik van schuldeisers.

Toch lijkt het echtpaar onrecht te worden aangedaan als financiële problemen als hun belangrijkste motief worden gezien om het park en de kunstverzameling aan de staat te verkopen. Jaren eerder al, als er zakelijk gezien nog geen vuiltje aan de lucht is, schrijft HKM dat ze niet verzamelt «voor het tegenwoordig bezit (…). Maar bij hetgeen ik verzamel, denk ik altijd aan de toekomst (…) want ik verzamel om aan de toekomst dat te geven wat mij lijkt het beste in het leven.»

Behalve de financiële handel en wandel van de firma kunnen de biografen ook uitzoeken hoe de uitlatingen van Victorine Hefting over HKM geïnterpreteerd moeten worden. Hefting was kunsthistorica en eind jaren veertig directeur van het Haagse Gemeentemuseum. In haar studentenjaren hielp ze, in opdracht van het rijk, HKM de kunstverzameling in kaart te brengen. Volgens Hefting was zij daarvoor aangesteld omdat men «het idee had dat met name mevrouw Kröller misschien wel eens een achterdeurtje kon hebben, want ze had er grote moeite mee dat het rijk haar verzameling zou overnemen en was er bepaald niet op uit om de overdracht snel te doen verlopen». Zou HKM echt van plan zijn geweest kunstwerken achter te houden of was ze, wat begrijpelijk zou zijn, vooral gehecht aan de door haar opgebouwde collectie?

Dat laatste moet welhaast een rol hebben gespeeld. HKM schreef weliswaar dat ze niet verzamelde om te bezitten, maar vanaf het moment dat ze met het aanleggen van de collectie begon, omringde ze zich in haar huis met door haar gekochte kunst. Zo hing in haar Wassenaarse villa Groot Haesebroek boven de sofa het schilderij Le chahut van de Franse schilder Georges Seurat. Op een foto in de huidige tentoonstelling is te zien hoe je, zittend op die sofa, met je hoofd tegen de schilderijlijst kon leunen.

Het schilderij zelf hangt terecht op de tentoonstelling, want Le chahut was een van HKM’s favorieten. En dat was niet alleen omdat het zo fraai stond boven die sofa. De kunst waarmee HKM zich omringde vertelde iets over de wijze waarop zij tegen het leven aankeek. In 1922 schrijft ze in een brief aan vriend Van Deventer dat haar jongste zoon zich had verbaasd over de aankoop van juist dit schilderij, een dans nog wel. De zoon begreep voor het eerst zijn moeder niet. In een lang betoog aan Van Deventer legt HKM uit wat haar bewogen heeft dit werk aan te schaffen. Volgens HKM leerde Le chahut haar dat dans iets anders is dan het zielloos zwaaien van armen en benen, zoals ze het vroeger altijd had gezien. Volgens haar staat de schilder in dit werk «boven de banaliteit van de dans, als een nieuw mensch en beeldt hem als ontroeringskunst uit».

Een Seurat in haar woonkamer en een zelfportret van Van Gogh in haar werkkamer, ook dat is geen bewijs voor Heftings bewering dat HKM maar met moeite afstand zou hebben willen doen van haar kunstverzameling. Al voor de Eerste Wereldoorlog biedt Helene buitenstaanders de mogelijkheid haar collectie te komen bezichtigen in de kantoorpanden van de firma Müller en Co aan het Voorhout in Den Haag. Zomaar aanbellen en binnenstappen kan niet, wie wil komen kijken moet schriftelijk toestemming vragen.

In diezelfde tijd komt ze via haar leermeester in het beoordelen en aankopen van kunst, H.P. Bremmer, in contact met de architect Berlage. Zijn eerste opdracht voor de Kröllers is het maken van het ontwerp voor een villa inclusief expositieruimte in Wassenaar. Vier andere architecten van naam zijn met diezelfde opdracht bezig geweest. Om een indruk te geven van de manier waarop het echtpaar Kröller-Müller meedacht en oordeelde over de ontwerpen: van twee van de vijf laten ze van hout en doek maquettes op ware grootte maken die met behulp van rails op de plaats in de Wassenaarse duinen worden gezet waar het huis moet komen staan. Het echtpaar kijkt ernaar en is niet tevreden met wat het ziet. Deze twee ontwerpen vallen af.

Het is Berlage die uiteindelijk de opdracht krijgt en in dienst treedt bij de firma. Zijn ontwerp voor de villa wordt niet gebouwd, maar dat heeft met de aankoop van een ander stuk grond in Wassenaar te maken, het landgoed Groot Haesebroek. Berlage tekent in de jaren dat hij voor de Kröllers werkt onder meer het jachtslot Sint Hubertus en een te bouwen museum op de Veluwe. Tijdens de bouw van het slot krijgen HKM en Berlage echter ruzie en wordt hun samenwerkingscontract verbroken. «Voor mij», schrijft Helene twee jaar nadat Berlage is vertrokken, «was hij altijd de kleine man, de chagrijnige mensch, het leelijk, onaangenaam karakter, maar – de groote kunstenaar!»

HKM wilde niet alleen met haar kunstcollectie een boodschap uitdragen, dat wilde ze ook met de architectuur en inrichting van wat ze liet bouwen. Zo schrijft ze aan een Engelse kennis dat ze Berlage bij de les moest houden, want de architect was weliswaar een kind van zijn, lees moderne, tijd, maar gezien zijn leeftijd stond hij toch ook met een voet in het verleden. Bij de nieuwe tijd hoorden volgens haar een heldere constructie en eerlijk materiaal. «My aim during the process of building was to support him (Berlage – red.) to be strong in this principle. He not always was strong in himself and consequently the Sint-Hubertus-house bears still the characteristic marks of a period of transition.»

Ze schrijft dit aan haar Engelse kennis omdat deze haar, zonder dat hij dit zich waarschijnlijk realiseerde, een enorm compliment had gemaakt. Tijdens een verblijf op het slot had de Engelsman opgemerkt dat in het huis geen plaats is voor intriges. HKM schrijft hem: «I abhor secrecy and dishonesty. The words ‹no intrigues› convey, slightly, this idea.»

Na het vertrek van Berlage geeft Helene Kröller-Müller het idee van een museum op de Veluwe niet op. Ze trekt de Belgische architect Henry van de Velde aan. Met de bouw van zijn ontwerp wordt begin jaren twintig ook daadwerkelijk begonnen. HKM is enthousiast. «O, het ontwerp wordt mooi. Je zult verbaasd zijn als je de plannen ziet», schrijft ze in september 1921 aan vriend Van Deventer: «Het overtreft ver, ver mijn verwachtingen, en ik geloof ver alles, wat tot nu toe in die richting is gebouwd of ontworpen.» Ze laat hem ook nog weten dat Berlages ontwerp bij dat van Van de Velde in het niet valt.

Zes maanden later echter moet ze de bouw van het op zes miljoen gulden geraamde museum stopzetten. Het gaat de firma Müller en Co zo slecht dat er geen geld meer is. De fundamenten van het nooit afgebouwde museum zijn op de Veluwe in de ruim tachtig jaar die inmiddels zijn verstreken grotendeels onder het zand bedolven geraakt.

De crisis raakt de firma zo hard dat HKM begin jaren dertig ook haar kunstmentor Bremmer moet ontslaan. In 1906 ging ze bij hem in Den Haag voor het eerst «op les». Velen uit adellijke en industriële kringen lieten zich in die tijd door Bremmer onderrichten en adviseren bij kunstaankopen. Al gauw begint ook HKM op zijn advies kunst te kopen. Later gaat hij zich ook een dag per week bezighouden met haar verzameling. In de ontslagbrief aan Bremmer schrijft HKM: «De tijden zijn ernstig en in deze verwacht men ook ernstige dingen van mij.»

HKM wist hoe enigszins smalend werd gezegd dat haar collectie eigenlijk die van Bremmer was. Ze onderkende zijn invloed, zoals blijkt uit een brief aan haar zoon Bob uit 1921. «Hij (Bremmer – red.) was mijn eerste minister en naast hem voelde ik mij koningin: trotsch was ik alleen daarop, dat ik mij op kunstgebied gaarne ondergeschikt aan hem voelde. Als de achterwacht wel eens beweerde, mevrouw Kröller doet niets zonder Bremmer, ja dan was dat zo en ik wist, dat het juist mijn beste deugd was.»

Het is in diezelfde brief dat HKM schrijft over haar motieven voor de bouw van een museum. Ze leeft dan nog in de veronder stelling – het is juli 1921 – dat het er komt zoals zij het voor ogen heeft en dat het betaald wordt door haar en haar man. Ze vertelt haar zoon dat ze nooit een dagboek heeft bij gehouden, maar in haar hoofd, als ze ’s nachts niet kon slapen, wel aan een dagboek schreef. «Dan begon ik meestal: dit museum is uit verdriet geboren. Als een dankbare bloem is het er uit opgebloeid en dit verdriet heet Helene.»

HKM laat haar zoon weten dat ze iets moest hebben wat ze waard vond om voor te leven. «Maar ik moet billijk zijn: dit verdriet, hoe groot het ook was, heette niet uitsluitend Helene. Het had nog een anderen naam: de groote wereld. (…) Naarmate ik het slechte zag in al zijn naaktheid en leelijkheid, heel duidelijk zag, leerde ik ook het goede kennen.»

De brief aan haar zoon Bob waarin ze de verwezenlijking van het museum op de Hoge Veluwe beschrijft, eindigt met een oproep: «Alles zal ik nooit kunnen vertellen. Maar jij kent nu toch de groote lijnen en als er later dwaze ideeën opduiken, dan kun jij toch zeggen: zoo was het niet.» Toen al voorzag Helene Kröller-Müller dat er later «wel menschen zullen zijn, die gaarne zouden willen weten uit welke motieven het (museum – red.) werd geboren.»

De tentoonstelling De favorieten van Helene is nog tot 1 september te zien in het Kröller-Müller Museum in Otterlo