Krom, gekruld en gebogen

In de moderne kunst kun je alles wel schilderen. De enige manier om te vinden hoe het moet worden, is er gewoon aan te beginnen. Bijvoorbeeld met impulsieve slingers en halen en krullen, zoals bij Penck.

Medium 1122

Kan ik, als ik geduldig naar dat grote gele schilderij kijk van A.R. Penck, ook zien waar hij begonnen is op dat vierkante stuk linnen? Misschien, als je desbetreffend tot enig inzicht en verheldering geraakt, begin je te begrijpen hoe de verdere bouw en ontwikkeling van dit brutale schilderij gelopen zijn. Eigenlijk probeer ik me in de schilder te verplaatsen. Eerst heeft hij het dunne, witte linnen op een spieraam gespannen, bijna drie meter in het vierkant. Ik zie hem daar staan tegenover dat vlak dat nog helemaal leeg is en ook groot – en een stuk hoger dan hij zelf is. Wat dan? Dat lege vlak moet vol gemaakt worden, met een figuratie die past in en dan ook voortvloeit uit de dynamiek van het handschrift. Ooit dacht ik dat de schilder misschien wel een soort beeld in zijn hoofd had, een eerste idee, dat zijn schilderen op weg kon helpen. Over het algemeen is dat, denk ik, zo in de oude kunst. Anders dan het lijkt in Pencks schilderij (een verzameling van zomaar vreemde slingers en krullen) had een oude meester meestal met een preciezer soort opdracht te maken. Hij wist wat van hem verwacht werd als hij eraan begon: bijvoorbeeld (bedenk ik nu) een martelaarschap van de heilige Sebastiaan.

Daar is direct een schema aan verbonden: een slanke jongeman aan een boom gekneveld, naakt op een lendendoek na, die met pijlen wordt beschoten en in zwijm raakt en sterft. Dat is het programma. De schilder kon er een landschappelijke scène van maken met onder de bomen en rondom de vastgebonden Sebastiaan de schutters ijverig in de weer, of het werd een samenvatting (meeslepend mooi) waarin we de martelaar in close-up zien, zijn lijf met pijlen doorboord, terwijl hij stervend ineenzijgt. Intussen was, vooral in de Renaissance, dit onderwerp voor schilders interessant omdat ze een amechtig en slank mannelijk naakt konden schilderen.

Medium 3017 01
Penck wilde iets uitzonderlijks maken dat dwars was en brutaler dan eerder werk

Dat is weer een ander verhaal. Toen Penck aan zijn schilderij moest beginnen, had hij niet een dergelijk programma tot zijn beschikking. In de moderne kunst kon je alles wel schilderen. Het kon niet gek genoeg. De ruimte was in principe onbegrensd. Maar je moest wel eerst vinden wat je ging maken. De enige manier om te vinden hoe het moet worden, is er gewoon aan te beginnen. Aan de impulsieve slingers en halen en krullen in het schilderij is te zien dat het zo op gang gekomen is. Behalve zijn lenige handschrift (waarmee hij vertrouwd was) had Penck een instinct dat het schilderij die bepaalde kant op moest. Hij wilde iets uitzonderlijks maken dat dwars was en brutaler was dan eerder werk. Wat hij eerst deed was met een brede kwast het hele vlak van wit linnen een eigen kleur geven. In mijn beleving maakt dat bleke vanille-geel de beeldruimte zachter zodat daarin de lijnen soepeler buigen. Ter vergelijk: in het schilderij Torquato Tasso is het linnen helder wit geschilderd. Die beeldruimte is hard daardoor. De vallende vrouw in groen is een stugge, scherpe gestalte in een ruimte die nogal hoog oogt.

In het andere schilderij ziet het zachte geel er vlakker uit. Het beeldvlak lijkt dichterbij en voor de schilder optisch onder handbereik. Aan de rechterkant komen daar dan, van boven naar beneden, lang gebogen halen te staan in blauw. Links zien we ook in fel rood zulke elkaar kruisende buigingen. Laten we zeggen dat dat soort lijnen een maat geven aan het schilderij. Ik kijk ernaar en ineens zie ik duidelijker wat ik al wist: in dit werk zijn alle lijnen krom, gekruld en gebogen. Niet één is er recht. Het zijn ook geen contouren van vormen maar losse slingerende bewegingen van lijn – of lijnen die, als in een sprookje, in een doolhof voeren. Als je rechte lijnen over en door elkaar laat lopen, blijft het patroon toch overzichtelijk. Hier veel minder: Penck laat de lijnen buiten de regels om hun gang gaan. Maar ook zien we bepaalde krullen die hier en daar, als figuren, herhaald worden. Al doende heeft hij zo gevonden wat hij zocht en wat past in dit vreemde schilderij. Het is een andere manier (dan de rechtlijnige) om een beeldruimte te doorkruisen die dan door het gekronkel op een doolhof gaat lijken. Dat klinkt romantisch. We moeten dus langer kijken. Dan beginnen we in Pencks werk juist een geweldige helderheid in de formulering te zien.


PS: Deze twee schilderijen hangen nu in mijn tentoonstelling Opwinding in het Stedelijk Museum. Overigens houdt de kunst van Penck mij zeer bezig. Ik ga er dus mee door

Beeld: (1) A.R. Penck, Torquato Tasso, 1976. Temperaverf op doek, 285 x 285 cm (incl. lijst); (2) Markus, 1973. Temperaverf op doek, 287,5 x 288,5 cm (incl. lijst) (Foto’s Peter Cox / Collectie van Abbemuseum, Eindhoven)