De keuken van Ella Vogelaar & Partner

Kroniek van een aangekondigd falen

Vorige week publiceerde Ella Vogelaar haar logboek, geschreven door haar partner. De ex-minister doet daarin verslag van haar Werdegang. De tragische folie à deux van Ella Vogelaar en Onno Bosma.

ZE IS ANDERHALVE week minister als ze juichend thuiskomt. ‘Het past me, ik ben het.’ Haar logboekschrijver en partner Onno Bosma geniet mee. Een paar maanden verder – de PVDA staat dramatisch laag in de peilingen, de positie van Wouter Bos ligt onder vuur – brainstormt het echtpaar over de rol die zij zou kunnen spelen in het tot leven wekken van de partij. Zoveel verwachtingen, zoveel verantwoordelijkheden, zegt Onno Bosma een beetje bezorgd. Ella wuift die zorg weg. Onno bewondert haar. Ze is in het kabinet een bruggenbouwer, zo weet hij, het olievrouwtje. Hij verneemt hoe ze collega Plasterk ‘waarschuwt’, minister Donner ‘adviseert’ en Kamervoorzitter Verbeet ‘tips geeft’ over de organisatie van het parlement. Twintig maanden later is het allemaal voorbij. Ze wordt weggestuurd, uitgespuugd, van haar reputatie is weinig over. Vogelaar en haar logboekschrijver blijven in ongeloof en verbijstering achter.
Het boek van Ella Vogelaar en Onno Bosma, Twintig maanden knettergek, laat zich lezen als een kroniek van een aangekondigd aftreden. Ver voordat ze minister wordt, reageren beiden al enigszins wereldvreemd. Hij vraagt zich tuttend af hoe hij als ‘partner van’ moet omgaan met kabinetsbeleid waarmee hij het niet eens is. Zal hun relatie de beproeving aankunnen? Zij stuurt in een veel te prematuur stadium mailtjes aan Bos waarin ze haar voorwaarden voor het ministerschap kenbaar maakt. ‘Beste Ella’, antwoordt Bos, ‘we zijn nog lang niet zo ver.’ Zij houdt zich ondertussen al bezig met de inhoud, thema’s, mogelijke portefeuilles. Ze vinden Bos afstandelijk, niet erg communicatief. Pas veel later, na veel opwinding en ongenoegen in huize Vogelaar/Bosma, begrijpen ze dat het ‘een tombola’ is.

HET VOORTIJDIG AFGEBROKEN ministerschap is niet het eerste bewogen moment in het leven van Ella Vogelaar. De loopbaan van deze gereformeerde Zeeuwse boerendochter, die op jonge leeftijd geloof en milieu achter zich laat, links, radicaal en communistisch wordt, kent veel strijd en conflicten. Ze krijgt landelijke bekendheid via de onderwijsbond, de ABOB, waar ze zich een grillige weg omhoog vecht. Ze was de gedoodverfde opvolger van FNV-voorzitter Johan Stekelenburg, maar de opvolging loopt uit op een drama. Ze wijkt voor Lodewijk de Waal. Ze beschuldigt na afloop de vakcentrale van machismo en repressieve tolerantie. Daarna bouwt ze in de luwte via functies in tal van besturen, raden van toezicht en commissarissen een wijdvertakt netwerk op. Dat netwerk en die bestuurlijke ervaring zijn voor Wouter Bos reden haar als minister te vragen. Hij is enthousiast, noemt haar een powerhouse en zet haar op de voor de PVDA belangrijke en gevoelige plek van Wonen, Wijken en Integratie.
Waarom heeft Jacques Tichelaar, destijds Tweede-Kamerlid en medeonderhandelaar, Bos niet gewaarschuwd of althans zijn verwachtingen getemperd? Tichelaar heeft lang met Vogelaar samengewerkt in de onderwijsbond en kent haar goed. In een profiel in Vrij Nederland zei hij: ‘Overal waar Ella komt, denkt men: daar staat iemand, sterk, aimabel, verfrissend, iemand met ideeën. Maar wat eerst uitdagend was, kan later bedreigend worden. Ze krijgt strijd met mensen die niet aan haar eisen voldoen. Ze is hard voor zichzelf, maar ook voor anderen. Ze neemt je de maat.’
En heeft hij de volgende behartigenswaardige opmerking wel aan Bos meegegeven? ‘De politieke arena is niks voor haar. Ze houdt niet van het politieke spel, ze zou er niet tegen kunnen en ze zou strijd krijgen met ambtelijke organisaties. Nee, dat zou heel gauw fout gaan.’
Tichelaar heeft zijn mond gehouden of Bos heeft niet geluisterd. Vogelaar wordt minister met de opdracht om van probleemwijken prachtwijken te maken. De financiering is onduidelijk, maar ze treedt toch toe tot het kabinet. De verleiding is te groot, ze heeft er te lang op moeten wachten. Ze staat stralend (‘met je mooie benen’ – Onno) op het bordes. Op de bijeenkomst van bewindslieden en hun partners vraagt Onno om de e-mailadressen van alle partners zodat ze ervaringen kunnen uitwisselen. Daar blijkt weinig behoefte aan, hij bemachtigt slechts zes adressen.
Binnen een etmaal is Vogelaar al onderwerp van een relletje in De Telegraaf naar aanleiding van haar standpunt over de boerka (niet verbieden). Bos geeft een vriendelijk advies: ‘Het helpt als je begint met te zeggen hoe akelig je de boerka vindt.’ In veel van de daaropvolgende botsingen met de media zit eenzelfde patroon. Vogelaar benoemt niet de problemen rond integratie. Dat wil ze niet, omdat ze een hekel heeft ‘aan grote woorden over iets wat vanzelfsprekend is’. Zelfs Onno laat zich van zijn kritische kant zien, hij suggereert mediatraining. Zij: ‘Ik krijg alleen maar complimenten dat ik het goed doe en authentiek overkom.’ Zelfs aan het eind van haar ministerschap, als de negatieve berichtgeving toeneemt en ze wordt afgeschilderd als een politieke brekebeen en het zorgenkindje van het kabinet, onderneemt ze geen pogingen dat beeld te corrigeren. ‘Ik doe alles op mijn manier.’ Immuun voor kritiek en stronteigenwijs, het zal haar opbreken.

DE WANKELE FINANCIERING van de wijkverbeteringen blijkt een zware handicap. Vogelaar moet als minister het geld bij elkaar zien te krijgen. Het lukt haar niet om snel met de woningbouwcorporaties tot werkbare akkoorden te komen. Ze krijgt een verstoorde verhouding met de vertegenwoordiging van de corporaties. Zij verwacht dat Wouter Bos als partijleider optreedt en haar helpt, terwijl hij vooral de minister van Financiën is die zijn begroting rond wil krijgen en van alle ministeries geld verlangt.
De sfeer tussen Bos en Vogelaar verslechtert. Haar dagboekschrijver denkt dat het aan de slechte opiniepeilingen ligt: deze zouden bij Bos een profileringsdrang oproepen, ten koste van Vogelaar.
Bos begint Vogelaar openlijk te schofferen. In een interview verkondigt hij de polarisatie inzake integratie en prijst de lijn-Aboutaleb-Marcouch aan. Ze reageert publiekelijk, niet netjes misschien, maar dat is Bos ook niet. Ze zit op de eerste rij als Bos op een PVDA-congres opnieuw spreekt over de lijn-Aboutaleb-Marcouch. Weer wordt haar naam niet genoemd. Ze komt thuis, stomverbaasd. Later komt daar boosheid bij. ‘Waar is die man nou toch mee bezig.’ Bos maakt zijn excuses, maar laat ook weten dat mensen hem regelmatig vragen haar te lozen. Je hebt de neiging haar toe te schreeuwen: geef die man een peut en vertrek, houd de eer aan jezelf! Maar nee, ze blijft ijzerenheinig doorgaan.
Nog een keertje Jacques Tichelaar, in het VN-profiel: ‘Ella’s eisen en verwachtingen zijn hoog opgeschroefd. De druk die ze zichzelf oplegt is groot, een enorme dwang, woede haast. Bij haar moet alles lukken, en ze rekent zichzelf daarop af. Dat is haar bottleneck, er is een grens, en die ziet ze niet aankomen, niet bij zichzelf en niet bij anderen.’
Ze schrijft Bos schamper getoonzette brieven. ‘De halve wereld vraagt zich af wat de grote leider nu werkelijk heeft bedoeld.’ (…) ‘Ik vind het jammer dat je op die manier illustreert wat ik ook schreef: dat politici zo vaak alleen maar zenden en niet ontvangen, dat wil zeggen, luisteren.’ Een ramkoers, maar of ze dat door heeft? Wouter Bos vraagt zich af of ze wel weet hoe precair haar positie in de partij is. ‘Vanuit de hele partij, ook vanuit het kader en bij de Kamerfracties bestaan grote zorgen en vragen mensen zich af of jij de PVDA het hier benodigde profiel kunt geven.’ Nog steeds hebben Vogelaar en Bosma niet door dat de race wel zo ongeveer gelopen is. Volgens hen is de positie van Bos minstens zo precair.
Het gelukkigst is Vogelaar tijdens de wijkbezoeken. Ze komt opgetogen thuis van een bijeenkomst met migrantenvrouwen. Ontmoetingen met bewoners zijn warme baden. Ze ligt niet wakker van negatieve publiciteit, want er zijn zo veel leuke initiatieven, zoals het landelijk kampioenschap straatvoetbal voor jongens en meiden. Het wereldbeeld van het paar wordt bepaald door de hartverwarmende reacties uit de wijken. ‘Wouter Bos beseft niet dat hij met jou goud in handen heeft.’ Ze is trots en voldaan over een jongerenbijeenkomst of een wijkbezoek. ‘Dit is de manier waarop ik minister wil zijn.’ Hier spreekt een merkwaardig beperkte opvatting van het ministerschap uit. Een warm bad is fijn, maar wat hebben de bewoners op de lange termijn aan een invoelende minister die in Den Haag niets voor elkaar krijgt?
Ze zal ook de liefde van het ambtenarenkorps op de proef hebben gesteld. Vaak zit ze tot diep in de nacht teksten te corrigeren. Conceptbrieven aan de Kamer worden keer op keer teruggestuurd. Haar secretaris-generaal vindt dat ze te kritisch en te gedetailleerd bezig is.
Ze treedt krachtig op voor de bewoners, haar ambtenaren waarschuwen dat ze daarbij de wethouders niet al te zeer voor het hoofd moet stoten. Dat doet ze wel. Een bijeenkomst met wethouders heet een oefening in de omgang met grote ego’s en ze maakt zich vrolijk ‘over de subtiele manoeuvres om de ego’s in toom te houden’.

ALS DE PVDA uiteindelijk het vertrouwen in Vogelaar opzegt, is ze stomverbaasd. Wat is er aan de hand? Onvoldoende gezag bij de fractie, de partij en bij de wethouders, laat de PVDA-leiding haar weten. Je laat je niet adviseren, zegt Bos, je bent niet toegankelijk. Vogelaar meent dat men geen idee heeft waarmee ze bezig is.
Haar eerste gedachte gaat vervolgens uit naar het logboek. Dat zou ze publiceren. Geen wraakneming, beweert ze. Toch is het moeilijk er iets anders in te lezen. Alle PVDA-collega’s krijgen er min of meer van langs, Wouter Bos in de eerste plaats, maar ook Guusje ter Horst, Ahmed Aboutaleb en ‘de boys’ van de Kamerfractie krijgen sneren mee. Ronald Plasterk wordt afgeserveerd als de man die het volk vermaakt met een teveel aan hoeden.
Ze wil haar eigen verhaal vertellen, met dit boek wil ze het publiek een kijkje gunnen in de keuken van de politiek. Maar aan politiek ontbreekt het juist. We komen weinig te weten over hoe ze van haar plannen beleid wil maken. Waar is het politieke handwerk, waar zijn de informele overleggen met collega-bewindslieden, de fractie, de strategieën, de een-tweetjes in de wandelgangen? Vermoedelijk beschouwt ze dit politieke spel als verderfelijk achterkamertjesgedoe. Ze voelt zich verwant met Aboutaleb, maar waarom heeft ze dan nooit de samenwerking gezocht met hem en met Marcouch? Daarmee zou ze haar positie, en het accent dat ze wilde aanbrengen in het integratiedebat, hebben versterkt. Het logboek maakt geen melding van pogingen gezamenlijk op te trekken.
Je vraagt je ook af waarom Vogelaar niet zelf het boek heeft geschreven. Wilde ze haar man, de ‘partner van’, deze eer, deze profilering gunnen? De constructie is ongemakkelijk en soms gênant, want wat moeten we met Onno’s mening over ministers of ambtenaren? Onbedoeld geeft het boek een beeld van twee mensen die in een rollercoaster zitten en gaandeweg het zicht op de realiteit zijn kwijtgeraakt. Berichten uit de buitenwereld worden weggewuifd. Als Vogelaars zus zich bezorgd toont (‘Ze had nooit minister moeten worden’) riposteert Onno dat Ella elke dag thuiskomt met enthousiaste verhalen.
Als het stof is neergedaald, bekijkt het paar thuis op de bank foto’s van wijkbezoeken waar ze zo in haar element was. Haar ministerschap is heel goed gegaan, vindt ze. Haar enige fout was dat ze niet om kon gaan met de populistische media (en dat is eigenlijk een mooie, begrijpelijke zwakte).

Ella Vogelaar en Onno Bosma, Twintig maanden knettergek. Balans, 347 blz., € 16,95