De zelfmoord van Vincent van Gogh

Kroniek van een aangekondigde dood

Nog altijd wordt druk gespeculeerd over de oorzaken van de zelfmoord van Vincent van Gogh. Was het een terpentineverslaving, syfilis of een overdosis absint? Of werd hij wellicht door zijn familie de dood in gedreven? Een reconstructie van het laatste deel van Van Goghs leven.

«Afgelopen zondag ’s avonds om half twaalf vervoegde zich een zekere Vincent van Gogh, een uit Holland afkomstige schilder, zich bij bordeel nr. 1 en vroeg naar een zekere Rachel en overhandigde haar zijn oor met de woorden: ‹Bewaar dit object zorgvuldig›. Vervolgens verdween hij. Op de hoogte gesteld van deze daad, die slechts door een arme krankzinnige kon worden begaan, begaf de politie zich de volgende morgen naar deze persoon en trof hem in bed aan. Hij gaf geen teken van leven meer. De stakker is in het ziekenhuis opgenomen.» Aldus bericht op 24 december 1888 een lokale krant in Arles, in de Franse Provence, over de historische zelfmutilatie van Vincent van Gogh. De geschiedenis vermeldt verder dat de aldus gefêteerde prostituee het oor inderdaad zorgvuldig bewaarde. Ze bracht het gewikkeld in een doek naar de politie, die het naar het plaatselijke ziekenhuis liet overbrengen, waar het in een pot op sterk water werd bewaard, om een jaar na de dood van de schilder spoorloos te verdwijnen. Het oor incident, dat zich afspeelde op 23 december, markeert het begin van het einde van een artistiek heiligenleven. Het zou nog anderhalf jaar duren voordat Van Gogh zich met een revolverschot door de borst het leven definitief zou benemen.

Nog altijd twisten de Van Gogh-experts over de oorzaak van de psychotische toestand van de schilder. Biografen Marc Edo Tralbaut en Kenneth Wilkie noemen een in de haven van Antwerpen opgelopen syfilisaandoening als oorzaak, terwijl Karl Jaspers het in zijn studie hield op schizofrenie. Van Gogh-biografe Viviane Forrester zocht de oorzaak meer in sociale factoren, en stelde dat Van Gogh min of meer de dood in was gedreven door zijn broer en weldoener Theo. Hij zou Vincent radeloos hebben gemaakt met de aankondiging dat hij zijn betrekking bij een Franse kunsthandel vaarwel zou zeggen en daarom niet langer in staat zou zijn zijn broer finan cieel te ondersteunen. Die toelages van broer Theo waren eigenlijk de enige vaste bron van inkomsten van Vincent van Gogh. De Franse kunstenaar Artonin Artaud ging nog verder, en stelde dat Van Gogh naar de zelfmoord was gedreven door zijn omgeving, juist op het moment dat hij als kunstenaar zichzelf had gevonden.

De meest complete studie naar het ziektebeeld van Vincent van Gogh is geschreven door Wilfred Niels Arnold, die in zijn boek Vincent van Gogh, Chemicals, Crises & Creativity (1992) alle in het verleden geopperde verklaringen voor Van Goghs hallucinante wanen onderwerpt aan een nauwgezette medische analyse. Arnold verzet zich hevig tegen de syfilis-optie, zoals die onder anderen naar voren is gebracht door Kenneth Wilkie in zijn boek Het dossier-Van Gogh (1978). Arnold wijst erop dat Van Gogh in 1882 werd behandeld voor gonorroe. Maar omdat die aandoening er gemiddeld twintig jaar over doet om zich te ontwikkelen tot neurosyfilis kon Van Gogh in zijn periode in Arles onmogelijk met deze ziekte hebben rondgelopen, aldus Arnold.

Ook de in 1990 met veel publicitair tromgeroffel gepresenteerde hypothese van het Journal of the American Medical Association dat Van Gogh zou hebben geleden aan de ziekte van Ménière, een oorafwijking die kan leiden tot een manisch-depressieve psychose, wordt door Arnold afgewezen. Volgens hem leed Van Gogh aan Acute Intermittant Porphyria (AIP), een ziektebeeld dat veroorzaakt zou zijn door een combinatie van terpentineverslaving, een systematische overdosering van kamfer (dat Van Gogh innam tegen slapeloosheid) en vooral het overmatig gebruik van absint, de alcoholische anijsdrank met de bijnaam «de groene duivelin» die aan het begin van de twintigste eeuw in de meeste Europese landen werd verboden omdat hij waanzin in de hand zou werken. Arnold stelt dat Van Gogh in de Provence dagelijks absint dronk, wat tot hersenbeschadiging zou leiden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met een aangeboren aanleg voor depressiviteit bij de familie Van Gogh. Niet alleen Vincent leed aan depressies, maar ook zijn broer Theo (die een jaar na zijn broer overleed met vrijwel hetzelfde ziektebeeld). Hun zus Wilhelmina bracht het grootste gedeelte van haar leven in een gesticht door, en broer Cornelis pleegde op 12 april 1900 «in koortsige toestand» zelfmoord in Zuid-Afrika, waar hij in Oranje Vrijstaat als soldaat had deelgenomen aan de Boerenoorlog tegen de Britten.

Terug naar het oorincident in Arles. De enige directe getuige van de gebeurtenissen is collega-schilder Paul Gauguin, met wie Van Gogh in die dagen een atelier deelt in het zogeheten «gele huis». Gauguin verklaart tegenover de politie dat Van Gogh hem op 23 december op straat zou hebben aangevallen met een scheermes. De twee kunstenaars hadden aanvankelijk tot beider grote voldoening samengewerkt in het atelier van Van Gogh. Gauguin, brodeloos, was ondanks zijn weerzin tegen Arles (dat hij «het smerigste oord van de Midi» noemde) ingegaan op de uitnodiging van de Hollandse schilder om zich bij hem te voegen. Gauguin had vooral zijn hoop gevestigd op Van Goghs broer Theo, van wiens bemiddeling als kunsthandelaar hij — terecht — veel verwachtte. Van Gogh zag in Gauguin, een robuuste Breton met Afrikaans bloed, een geestverwant. In een brief aan Theo prees hij hem als «een onbedorven wezen met de instincten van een wilde»: «Bij Gauguin hebben bloed en seks de overhand op ambitie.»

In een creatief hoogseizoen beleven beide schilders in Arles een persoonlijke doorbraak in hun schilderkunst. «Zonder dat het publiek er iets van vermoedt», zo zal Gauguin zich later herinneren, «hebben twee mannen daar een reusachtig werk verzet dat nuttig voor beiden was.» Van Gogh deelt de toelages van zijn broer in Parijs broederlijk met Gauguin. Het geld wordt vooral besteed aan tabak en bezoeken aan het plaatselijke bordeel, in de gezamenlijke boekhouding omschreven als «hygiënische nachtwandelingen». Van Goghs geestelijke staat is echter zeer delicaat. De dood van zijn vader, drie jaar eerder, kwelt hem nog bijna dagelijks. Hij is prikkelbaar, lijdt aan dramatische stemmingsveranderingen. De relatie met Gauguin verandert geleidelijk in competitiedrift. Van Gogh reageert woedend als Gauguin een — weinig flatteus — schilderij van hem maakt. «Dat ben ik, maar ik ben krankzinnig geworden!» roept Van Gogh uit. Gauguin, op zijn beurt, wordt het gezelschap van Van Gogh al snel beu. «Vincent houdt veel van mijn schilderijen», klaagt hij tegen een vriend, «maar als ik bezig ben vindt hij altijd dat ik met dit of dat ongelijk heb. Om van alles af te zijn, antwoord ik met ‹Brigadier, u hebt gelijk!›»

Enkele dagen later besluit Gauguin te vertrekken. In een brief aan Theo van Gogh legt hij uit waarom: «Vincent en ik kunnen als gevolg van onze onverenigbare karakters beslist niet zonder onenigheid naast elkaar leven en zowel hij als ik hebben rust voor ons werk nodig. Het is een opmerkelijk schrander man voor wie ik veel waardering heb en die ik met spijt verlaat, maar ik zeg u nog eens, het is noodzakelijk.» Vincent blijft echter aan Gauguin trekken, stelt voor om zich gezamenlijk in Marseille te vestigen. Als Gauguin volhardt in zijn streven Van Gogh te verlaten, komt het tot de uitbarsting van 23 december, als Van Gogh in een vlaag van verstandsverbijstering zijn linkeroor afsnijdt. Gauguin wordt door de politie op de hoogte gesteld, krijgt te horen dat zijn kompaan is overleden, maar treft hem vervolgens thuis levend en wel aan, zij het ijlend van de koorts.

Diezelfde dag pakt Paul Gauguin zijn koffers en vertrekt uit Arles. Van Gogh komt op advies van Theo terecht in een gesticht voor krankzinnigen in Saint-Rémy. Van de geschiedenis met het oor weet hij zich niets te herinneren. De enige herinneringen die hij aan de episode heeft zijn «vreselijke religieuze waandenkbeelden». Van Gogh meent zelf dat hij lijdt aan epilepsie. Vanuit de kliniek schrijft hij aan zijn familie: «Ik neem bij de anderen waar dat ook zij in hun crisis vreemde geluiden en stemmen hebben gehoord, evenals ik zelf, dat ook voor hen de dingen schenen te veranderen. En dat verzacht voor mij de afschuw die mij aanvankelijk bijbleef van de crisis die ik heb gehad, en die, wanneer je dat onverwacht overvalt, geen ander effect kan hebben dan je bovenmatig schrik aanjagen. Wanneer men eenmaal weet dat dit bij de ziekte hoort, aanvaardt men dat als andere dingen. Zou ik de andere krankzinnigen niet van dichtbij hebben gezien, dan had ik mij er niet van kunnen bevrijden er altijd aan te blijven denken, want het lijden door psychische beklemming is niet grappig wanneer men in een crisis bevangen is.»

Van Gogh verblijft een jaar in de kliniek. In razend tempo maakt hij er meer dan honderdvijftig schilderijen, tot hij in augustus 1889 door een nieuwe depressie wordt overvallen en giftige verf eet. Zijn artsen verbieden hem dan nog langer te schilderen. Hij mag alleen nog maar tekenen. «Ik zie geen mogelijkheid meer om moed of goede hoop te hebben», schrijft Vincent aan zijn broer, «maar ten slotte is het niet sinds gisteren dat wij weten dat dit beroep niet vrolijk is.»

In september 1889 wordt Vincent van Gogh door zijn arts, dr. Peyron, genezen verklaard. «Uw broer is zijn crisis geheel te boven», schrijft Peyron aan Theo. «Hij heeft zijn helderheid van geest teruggekregen en is weer begonnen te schilderen zoals hij tevoren deed. Zijn zelfmoordgedachten zijn verdwenen, er zijn slechts benauwende dromen over die al de neiging vertonen om te verdwijnen en waarvan de intensiteit al minder groot is. Zijn eetlust is teruggekeerd en hij heeft zijn gewone leven weer opgevat.» In mei 1890 verlaat Van Gogh de kliniek van Saint-Rémy en vestigt zich in het plaatsje Auvers-sur-Oise, dicht bij Parijs, waar dr. Paul Gachet, vriend van kunstenaars en de auteur van een studie naar de oorzaken van melancholie (zoals een depressie toen werd genoemd), zich over hem ontfermt.

De schilder loopt rond met plannen om dienst te nemen bij het Franse Vreemdelingenlegioen, en werkt ondertussen verwoed door. Maar al snel zinkt hij weer weg in een even hopeloze toestand als eerder in Arles. Biografe Viviane Forrester legt de schuld hiervan geheel bij Theo, die Vincent tot wanhoop zou hebben gedreven door te dreigen zijn toelage te stoppen.

Een van de laatste doeken die Vincent van Gogh schildert is een korenveld met kraaien, volgens vele Van Gogh-vorsers een voorbode van de naderende dood. Op zondag 27 juli gaat Van Gogh weer naar de korenvelden even buiten Auvers. Daar schiet hij zichzelf door de borst met een Browning-revolver (nog altijd is onbekend van wie hij dat had gekregen). Met een bebloed hemd strompelt de schilder de plaatselijke herberg binnen. «Ik wilde zelfmoord plegen, maar ik miste», brengt hij nog uit. (In Auvers-sur-Oise zal later nog het gerucht de ronde doen dat in werkelijkheid de schilder werd neergeschoten, per ongeluk, door een jongen uit het dorp, en dat Vincent hem in bescherming wilde nemen door het een zelfmoordpoging te laten lijken.)

Mogelijk zal zijn leven nog kunnen worden gered, maar medische verzorging krijgt hij niet of nauwelijks. Wel ontvangt Van Gogh bezoek van twee veldwachters, die onderzoek doen naar de — door de wet verboden — poging tot suïcide. Van Gogh, die op zijn bed ligt te roken, wijst hen de deur. Twee dagen later, dinsdag 29 juli 1890 om 13.30 uur, overlijdt hij, 37 jaar oud. Zijn broer Theo is aan zijn zijde. Vincents laatste woorden: «En nu zou ik graag naar huis gaan.»

Omdat Van Gogh zelfmoord zou hebben gepleegd, weigerde de pastoor van Auvers-sur-Oise hem de gebruikelijke uitvaartdienst. De Nederlandse schilder Anton Hirschig, een van de weinige aanwezigen bij de uitvaart, schreef: «Van de slecht gemaakte kist stroomde een stinkende vloeistof; alles aan die man was verschrikkelijk.» Theo, overmand door verdriet en schuldgevoel, stortte in terwijl hij bezig was met het inrichten van een expositie van het werk van zijn broer. Zijn collega Emile Bernard nam het werk over. Hij ontving daaromtrent nog een brief van Paul Gauguin met de raad er onmiddellijk mee te stoppen: «Dus u organiseert een expositie van Vincent. Wat onhandig! U weet hoe ik van Vincents kunst houd. Maar gegeven de stompzinnigheid van het publiek is het volstrekt te onpas Vincent en zijn krankzinnigheid in herinnering te roepen op het moment dat zijn broer in dezelfde situatie zit.»

Theo van Gogh overleed op 25 januari 1891 in het ziekenhuis van de Willem Arntsz Stichting in Den Dolder. De broers liggen naast elkaar begraven in Auvers-sur-Oise. Het geheim van hun beider ziekte namen ze mee in hun graf.