Menno Hurenkamp

Kroniek van een aangekondigde dood

In mijn tuintje woont een mokkabruin konijn. Het zit meestal op een vaste plek, direct naast de omheining, waardoor de kat van de buren graag op hem loert. Soms rent-ie plagend af op de duiven en merels die gestrooid brood gebruiken. Hij lijkt zich te vermaken. Erg idyllisch, maar er is een redelijke kans dat de kat van de buren hem in een onbewaakt moment opvreet. Zo hoog is dat hek niet. Andere buurtkatten delen dat verlangen en vermoedelijk zijn zelfs de buurteksters en gaaien nog wel in staat het kleine konijn (‘Pippi Carel’) iets aan te doen.

Mijn idee is dat het beest tot het moment van overlijden een leven heeft gehad dat beter is dan een lang leven in een klein hok. Lekker rennen en dan dood, of lekker niet rennen en ook niet dood – zeg zelf. Ik voelde me behaaglijk bij deze gedachtegang, als een intellectueel die de harde natuur onder ogen ziet, die ondanks boekenwijsheid niet out of touch is met de aarde, maar klaar staat voor de confrontatie met de wreedheid van het dierenrijk. Opgevreten worden is al eeuwen een cruciaal deel van het konijnenleven! Maar eind vorig jaar is in het parlement een machtige dierenlobby opgestaan. Die maakt me onzeker over de vraag of ik er verstandig aan doe het beest nog langer bloot te stellen aan de stadsjungle.

Eerst had je alleen Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren. Een knap meisje, daar wilde Harry Mulisch wel op stemmen. Sinds kort is er ook de vervaarlijke Dion Graus van Geert Wilders’ Partij voor de Vrijheid. Dat is een Limburgse ‘ondernemer’ die gevangenisstraffen wil zetten op dierenmishandeling. Graus is recent ongunstig in het nieuws gekomen, vanwege akkefietjes met door hem opgelichte ex-werkgevers en door hem afgetuigde ex-partners. Maar onverschrokken loodste hij een voorstel door het parlement waarin gepleit wordt voor onderzoek naar ‘één nationaal alarmnummer voor dieren en bijbehorende hulpdiensten’. Dat nummer, 113, komt er vast. Met zo’n lobby van mooie vrouwen en agressieve Limburgers is het oppassen geblazen voor de doorsnee dierenbezitter. Want vanuit het Thieme-Graus-perspectief is het heengaan van mijn konijn dood door schuld. En een anonieme aangifte tegen mij is zo geregeld (‘die beul van nummer 1’). Bovendien, wat als ik, tegen mijn verwachting in, niet koelbloedig toekijk wanneer die zwarte kater de schedel van het konijn kraakt? Wat als ik in blinde paniek het ‘nationaal alarmnummer voor dieren en bijbehorende hulpdiensten’ bel? ‘Ja, mannetje, maar hoe kwam dat konijn in die kattenbek?’ Eens zien of konijn en ik ongeschonden 2007 overleven.

Mensen willen graag solidair zijn, maar solidair zijn met andere mensen is bijna altijd teleurstellend. De zieligerds voor wie je opkomt, blijken lui, koppig of dom. Je geeft ze steun, waarop ze op de bank gaan liggen (zoals de Tokkies) of tegenstanders in het gevang stoppen (derdewerelddictators). Solidair zijn met dieren is probleemloos. Dieren zeggen nooit wat terug en – niet onbelangrijk tegenwoordig – je kunt op het dier ongestraft je eenvoudigste emoties projecteren. Dat heet dus: kitsch. Als de dieren een alarmnummer krijgen, moet er ook een alarmnummer komen voor huilende zigeunerinnen. Je ziet ze huilen op die portretten, ze zijn mooi, gedecolleteerd en je wilt ze troosten. Maar hoe moet dat? 114 biedt uitkomst.