Kroniek van een dorpsharmonie

‘Het dorp dat orkest heet’, zo had de ondertitel kunnen luiden van het boek Lekker gespeeld, dat Parool-journaliste Bente-Helene van Lambalgen schreef na een jaar in de gelederen van het Radio Filharmonisch Orkest verkeerd te hebben. Een dorp met zijn gebruikelijke intriges, conflicten en relletjes. Waarin het van levensbelang is wie je buren zijn (de gedeelde lessenaars). En de onvermijdelijke vooroordelen: ‘De strijkers hikken tegen de mentaliteit van de koperblazers aan: druk, luidruchtiger dan de wat introverte violisten, altijd schnabbelen, bijna allemaal op de een of andere manier ook actief in de lichte muziek.’

Een dorp met zijn outcasts (‘De bassen zijn in dit orkest altijd de zigeuners geweest’) en zijn ongewenste vreemdelingen: musici uit Oost-Europa 'hokken vaak bij elkaar’ en er worden grappen gemaakt over 'hun geldzucht’. En een enkel orkestlid laat doorschemeren dat hij blij is dat bij audities nu weer de voorkeur wordt gegeven aan een Nederlander.
De belangen van de gemeenschap worden vertegenwoordigd door de dorpsraad (de orkestcommissie). Daarnaast is er natuurlijk een dorpsoudste, die informeel heel wat zaakjes regelt met de burgemeester (de dirigent). Deze dorpsoudste wordt met argusogen bekeken: laat hij zich niet inpalmen door deze vleiende onderonsjes? Zelf heeft bassist Peter Jansen het gevoel, vooral sinds hij aanvoerder van de bassen is, dat hij 'in een ander straatje’ woont.
Dan heb je nog de oudjes die met heimwee aan de tijden van weleer terugdenken. 'Vroeger speelde techniek een minder belangrijke rol, musiceren kwam primair vanuit het hart’, meent Wim van der Beek, die 35 jaar in het orkest zit. En natuurlijk heb je de sterke verhalen over vroeger. Bassist Jaap Grundeler is uitgegroeid tot een mythisch personage, onder andere omdat hij je stevig bij de arm pakte als hij iets duidelijk wilde maken. 'Iedereen zat altijd onder de blauwe plekken in Jaaps tijd’, luidt het nu.
Ook de klagende huisvrouwen het peloton technici dat achter de schermen bergen verzet) ontbreken niet. Evenmin de veldwachter manager Rob Overman), die de ondankbare taak heeft de gemeenschap op de ge- en verboden te wijzen - uiteraard alles voor eigen bestwil.
Een dorp zou geen dorp zijn zonder dorpsgek. Vermoedelijk wil orkestinspecteur Bob Krikke zich wel voor die rol lenen. Toen hij gedwongen werd een pak te dragen, kocht hij van de weeromstuit een paar chique kostuums; nu gaat hij 'stukken beter gekleed ging dan die ouwe knakkers met hun terlenka C&A-pakjes’.
Het is tekenend dat een vrolijk figuur als Bob Krikke, na vijftien jaar 'Radio Fil’, heeft besloten in een dorp verderop (het Metropool Orkest) te gaan wonen. De belangrijkste tendens die zich in het orkest afspeelt, is namelijk een toenemende verzakelijking en professionalisering. Serieuze artistieke ambities zijn immers moeilijk te verenigen met een al te 'zacht’ sociaal beleid.
Van Lambalgen beschrijft al deze conflicten en tegenstellingen niet alleen op een zeer leesbare, geanimeerde toon, maar ook met veel nuance. In het jaar dat ze met het orkest meeliep, heeft ze duidelijk het vertrouwen van alle ingezetenen weten te veroveren en ze belicht situaties telkens vanuit alle perspectieven.
Het beeld dat zo ontstaat is dat van een buitengewoon gecompliceerde gemeenschap, waarop alle bekende groepsprocessen van toepassing zijn. Het mooie is echter dat deze dorpelingen, van hoog tot laag, één passie met elkaar delen: de muziek. Die schept een ijzersterke band. Lekker spelen is hoe dan ook het hoogst denkbare goed.