De toeslagenaffaire en de dubbele Nederlandse moraal

Kroniek van een jeune premier

Dat het in de toeslagenaffaire zo langdurig fout heeft kunnen gaan heeft alles te maken met de politieke moraal van de minister-president. Mark Rutte’s rol moet dan ook centraal staan in het dringend nodige vervolgonderzoek.

Hoe schokkend ook, het rapport ‘Ongekend onrecht’, opgesteld door de parlementaire ondervragingscommissie die onderzoek deed naar de toeslagenaffaire in de kinderopvang, doet niet meer dan op een rij zetten wat al bekend was. Recht doen aan het rapport van de Commissie-Van Dam, wat premier Rutte zo graag zegt te willen, betekent daarom hoe dan ook vervolgonderzoek. Waar dat over moet gaan staat al vast: etnisch profileren en institutioneel racisme. Er zijn te veel aanwijzingen in die richting (zie het Twitter-account van RTL-journalist Pieter Klein voor een goed overzicht). Het zijn ook onderwerpen die, toevallig of niet, buiten de opdracht van de ondervragingscommissie vielen.

En dan speelt er bij dit alles ook nog een tweede, algemenere vraag die evenmin weggemoffeld mag worden. Hoe heeft dit allemaal zo fundamenteel en langdurig fout kunnen gaan? Dat dit de politiek verantwoordelijken ongewild is overkomen, zoals zij stuk voor stuk in wisselende bewoordingen verklaarden tijdens de ondervragingen, is bijna onvoorstelbaar. Bijna. Hieronder een eerste aanzet voor vervolgonderzoek vanuit beide perspectieven: de nog verborgen feiten rond de uitvoering van het beleid en de bredere politieke context waarin dit zich jarenlang kon voltrekken.

—————

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Mathieu Segers naar aanleiding van dit essay over zijn visie op de toeslagenaffaire en Rutte’s rol daarin. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

In onderling sms-verkeer omschreven de medewerkers van de premier zijn gebod om informatie-uitwisseling tussen ambtenaren zo min mogelijk naar buiten te laten komen als de ‘Rutte-doctrine’ (zo weten we dankzij het onderzoek van de Commissie-Van Dam). Kwestie van pragmatisch, effectief en efficiënt bestuur, zo suggereerde Rutte tijdens zijn ondervraging door de commissie. Algemene Zaken is ‘nu eenmaal een klein departement’. Maar de Rutte-doctrine biedt ook een geitenpaadje om de Wob- en informatieverzoeken van journalisten en parlementariërs te ontwijken. Daar wordt inderdaad ‘wel eens over gegrapt’, zo erkende de premier vlotjes glimlachend, maar ‘dat wordt niet omgezet in actie’, zo voegde hij er haastig aan toe.

Rare grapjes. Samen met de bekende feiten werpen zij over de toeslagenaffaire de schaduw van de berekening, en de principiële leegheid die daarbij hoort. Zo brouwen de bekende feiten en de uitgelekte grapjes een onheilspellende thermiek die een bange vraag doet stilhangen boven de stand van zaken in deze kwestie: heeft de reconstructie van de Commissie-Van Dam de kern en omvang van de zaak wel boven tafel gekregen?

Of is het schokkende feitenrelaas uit ‘Ongekend onrecht’ slechts een glimp? Vormen de jarenlange praktijken van de Rutte-doctrine misschien slechts de buitenkant? De buitenkant van een zware koude deksel, die donker glanst in de vele tinten grauw van even zovele ambtelijke en politieke aanvoerders in het toeslagenbeleid; een glans waarin ondubbelzinnige helderheid over verantwoordelijkheid niet te ontwaren valt. Wat gaat er schuil onder die deksel? Een gang? Een put, volgestouwd met aanpalende dossiers van huurtoeslag, zorgtoeslag en participatiewet, en een werkelijkheid van toevallige en minder toevallige ambtelijke en politieke machinaties? Na het rapport van de Commissie-Van Dam mogen en kunnen deze vragen niet langer genegeerd worden. Maar voor de antwoorden moet er breder en dieper gezocht worden dan de Commissie-Van Dam kon en mocht gaan.

—————

Op de avond van de eerste zondag van september in het jaar 2016 trok er een ultralichte siddering door de ‘witte wijn sippende elite’ in de hoofdstad van Nederland, een maatschappelijk stratum dat in 2019 als zodanig werd geïdentificeerd door onze eigen premier in het tv-programma Buitenhof (waar deze zich op dat moment niet alleen ergerde aan het klimaatgedram van deze witte wijn sippende elite, maar ook aan het feit dat zij de Amerikaanse president Trump geen kans wilde geven, althans zo voelde hij dat). ‘Mijn primaire gevoel was: lazer op, ga zelf terug naar Turkije. Pleur op’, zo hoorde het grijze deel van dit stratum Mark Rutte die septemberavond zeggen in het vpro-programma Zomergasten. De premier sprak op dat moment tegen Turkse Nederlanders die zich niet voldoende aanpasten. Dit naar aanleiding van het lastigvallen van nos-verslaggevers tijdens een demonstratie van Turkse Nederlanders na de mislukte coup tegen Erdogan in Turkije.

Wat volgde was een politiek relletje. Als het dat al was. De politieke rimpeling ervan was nog lichter dan de siddering onder de Zomergasten-kijkers. In een Tweede-Kamerdebat over de kwestie vroeg PvdA-fractievoorzitter en coalitiegenoot Diederik Samsom zich af of Rutte een verschil zag tussen wat hij zei over hooligans, ‘ik schaam me voor hen’, en zijn ‘pleur op’ tegen Turkse Nederlanders. Rutte nam niets terug. In plaats daarvan suggereerde hij dat Nederland te lang vaag was geweest over normen en waarden. En dat was dat. Overigens best lekker, zo’n subtiele stoute siddering, af en toe.

Rutte’s uitspraak kwam niet op zomaar een moment. De spannende verkiezingen van maart 2017 kwamen eraan. Juist nu was politieke marketing beslissend. Het ‘goede populisme’, zoals Rutte het zelf trots noemde in de internationale pers, daar ging het nu om. De Nederlandse premier deed zelf voor hoe het moest, die politieke extremisten die overal in Europa in de winning mood leken, toch verslaan. Na zijn klinkende overwinning sprak men in de Italiaanse pers bewonderend en hoopvol van een nieuwe wind in Europa: il vento Olandese.

Succesvolle marketing staat of valt met het kennen van je doelgroepen, en die dan prikkelen of vleien, al naar gelang hun voorkeuren. De premier is een passant. Hij is even goed als zijn laatste verkiezingsuitslag. Is die slecht, dan komt het einde van zijn houdbaarheid in zicht. Andere verdiensten, hoe groot ook, verdwijnen dan meteen voor jaren tussen de raderen van de geschiedenis. Kortom: successen en resultaten zijn belangrijk voor een geloofwaardig politicus, maar niet allesbepalend. De meest zekere weg naar de macht loopt via populariteit. Het kan politiek slim zijn om visie, ideeën of principes, ja zelfs resultaten, daaraan ondergeschikt te maken.

De afgelopen tien jaar heeft Rutte bewezen dat hij weet hoe hij die populariteit moet organiseren in de Nederlandse politiek, niet alleen bij de witte wijn sippende elite. Als geen ander weet hij waar het deel van de Nederlandse bevolking zit dat hij aan boord moet kunnen halen om verkiezingen te kunnen winnen. Mark Rutte is de Don Draper van de Nederlandse politiek. De doelgroep van zijn marketing is zo breed mogelijk, maar nooit te breed. Het moet immers altijd een groep blijven. Dat betekent dat er hoe dan ook mensen buiten moeten vallen. Rutte’s doelgroep zou men misschien het best kunnen omschrijven als het ‘binnenland in enge zin’: zij die zich Nederlandse Nederlanders voelen. Dat zijn er potentieel best veel.

Het ‘goede populisme’, zoals Rutte het zelf trots noemde in de internationale pers, daar ging het nu om

Hoe succesvol de politicus Rutte hiermee geweest is, wordt weerspiegeld in de huidige ministersploeg. Daarin bedrijft de premier zijn politiek op eenzame hoogte, als een leermeester in een team vol met ambitieuze en vlotte mannelijke leerlingen. De meest ijverige en prominente onder hen zijn uiteraard zijn uitdagers. Net als hij zijn zij gestoken in sobere maatpakken met donkere das als het moet – voor de nodige dreesiaanse allure – en gewone vrijetijdskleding als het kan, in het weekend bij het Catshuis bijvoorbeeld. Netjes en gewoon, zo zijn ze.

Maar belangrijker: net als hun voorbeeld Rutte richten de CDA-bewindslieden Wopke Hoekstra en Hugo de Jonge hun politieke marketing exclusief op dezelfde doelgroep: het binnenland in enge zin. Toen Hugo de Jonge zijn ambities voor het leiderschap van het CDA in januari van dit jaar wereldkundig maakte, concentreerde hij zijn visiespeech op het stellen van harde, voorspelbare, en vooral lagere, aantallen migranten. Kort daarvoor had Hoekstra in de H.J. Schoo-lezing gepleit voor strengere immigratieregels en zich hardop afgevraagd: ‘Ligt het niet voor de hand om er bij het opnemen van vluchtelingen voor te zorgen dat tijdelijk ook echt tijdelijk is? En moet de lat daarnaast niet aanzienlijk omhoog voor wie mag blijven?’

En net als Rutte volgen zijn beste leerlingen ook graag de moraal van de administratie en de administratieve organisatie. Ze zijn liever ‘blauw’, zoals dat heet in het consultancy-Nederlands van vandaag en gisteren, of ‘lean and mean’, dan vakspecialist, geleerde, of, godbetert, lezer, schrijver of denker. De technocratie van de Excel-sheet is de drager van deze benadering, de best practices komen uit het bedrijfsleven. Zo verdwijnt er veel uit het oog in de alledaagse praktijk van de democratische rechtsstaat, en kunnen bijzaken al snel verheven worden tot hoofdzaken, en andersom.

—————

‘We kunnen ons hier alleen maar voor schamen.’ Dat zei Rutte in de persconferentie op 18 december, naar aanleiding van de presentatie van het eindrapport van de Commissie-Van Dam. Na tien jaar van ongekend onrecht onder zijn leiding klonk dit weinig overtuigend. Dit grote woord kwam niet alleen te laat, maar ook te makkelijk. De we-vorm hielp daarbij niet. De schaamte leek onecht. Misschien had de premier het verkeerde woord gekozen?

Schaamte is iets anders dan sorry zeggen. Oprechte schaamte vergt sociaal gevoel voor de impact van je individuele daden. Schaamte is strikt persoonlijk en sociaal tegelijk. Dat werkt zo. De angst om door de ander veracht te worden is een individuele emotie, maar die kan alleen bestaan dankzij het vermogen je te verplaatsen in de ander. En dan, als je dat doet, zie je in het geval van schamen, ineens, je verachtelijke zelf in volle omvang. Op dat moment wil je niets liever dan verdwijnen. Dat is schaamte.

Toen Rutte het woord schamen gebruikte, ontbrak deze angstige spanning voor de innerlijke werking van het misprijzende oog van de ander. Het ging zoals het zo vaak gaat met grote woorden die de premier betreffen. Ook het door hemzelf uitgesproken woord ‘schamen’ gleed van het teflon van Rutte’s politieke marketing. En tijdens dat glijden veranderde het van de emotie die het moest communiceren in de berekening die het nu niet mocht zijn. Het schaamte-belijden dat Rutte zich had voorgenomen werd een geplande correctie op jarenlange politieke keuzes voor weerzinwekkend beleid.

De vraag over de verantwoordelijkheid van al die keuzes bleef ongemakkelijk hangen in het Nieuwspoort-zaaltje. De premier kwam niet verder dan het uitspreken van de ambitie om ‘recht te doen’ aan ‘de ouders’ en ‘het rapport’, maar dan wel ‘stap voor stap’. Was dit misschien een poging om te verstoppen wat nog niet onderzocht mocht worden, eerst onder dat grote woord (schamen), en vervolgens onder een toelichtende brij van gebabbel in de Talpa-studio van Linda’s Wintermaand en stap-voor-stap correcties? Dat zou wel passen in een politieke marketing, die consequent gericht is op het binnenland in enge zin. De wereld daarbuiten is echter ook onderdeel van de werkelijkheid.

—————

Net als schaamte is empathie geen marketingbegrip, en de wereld buiten de doelgroep van het binnenland in enge zin is evenzeer een onderdeel van de werkelijkheid. Dit merkte onze minister van Financiën afgelopen voorjaar. Na neerbuigende opmerkingen in de richting van Italië en Zuid-Europa tijdens de voorbereidende onderhandelingen over het EU-Herstelfonds moest Wopke Hoekstra bakzeil halen. Ten overstaan van het binnenlandse publiek verklaarde Hoekstra uiteindelijk ter toelichting van de onvermijdelijke draai: ‘We waren te weinig empathisch, zo eerlijk moeten we zijn.’ In Nederland vond men deze draai eerder jammer dan nodig, maar ook in Europa werd de geste van Hoekstra niet met gejuich ontvangen. Het had te lang geduurd. Er was te veel gebeurd.

De Franse minister van Financiën, Bruno Le Maire, had al gesproken over ‘woordspelletjes’, terwijl ‘duizenden sterven’. Hij vond de gang van zaken die door zijn Nederlandse collega was afgedwongen ‘een schande voor de eurogroep’, het overleg van de negentien ministers van Financiën van de eurozone. Norbert Röttgen, CDU-prominent en kandidaat voor de opvolging van Angela Merkel, zocht de internationale media: de hooghartige Nederlandse reactie op Italiaanse en Spaanse steunverzoeken zou niet de Duitse moeten zijn. Olaf Scholz, de Duitse minister van Financiën, noemde het optreden van zijn Nederlandse collega publiekelijk ‘ongepast’. Dat is snoeihard voor Berlijnse begrippen als men zich tot Den Haag wendt. Zoiets gaat niet zomaar meer weg. Dat bleek.

Er hing iets van ongemak, en dat was niet alleen vanwege de wat stuntelige presentatie van de premier

Buiten Nederland geloofde vrijwel niemand dat Hoekstra, die wekenlang opzichtig gepocht had met geld en (belasting)moraal, zijn woorden over empathie oprecht meende; te meer omdat hij kon bogen op bijna Kamerbrede steun voor zijn ‘ongepaste’ optreden. Bovendien herinnerde iedereen zich nog hoe het jaar 2019 geëindigd was: met een impasse rond de meerjarenbegroting van de EU en een Nederlandse premier die het grappig had gevonden alles nog wat verder te compliceren, terwijl hij de nieuwe biografie van Chopin met zich meedroeg zonder hem te lezen, louter als een extra ornament voor de moraal van de nettobetaler.

Zij die twijfelden aan Hoekstra’s verontschuldigingen voor zijn lichtvaardige vergissing met empathie kregen al snel gelijk. Niet veel later stolde de nieuwe Nederlandse positie in het bijvoeglijk naamwoord ‘vrekkig’, en zou dagen en nachten lang uitgedragen worden tijdens de juli-top over het Herstelfonds in Brussel, en wel door de premier zelf, fit, monter, goed geluimd en sober. Maar waarom? Niet om het onderhandelingsresultaat in ieder geval. Want dat werd door deze vertoning – die uiteindelijk hoofdzakelijk gericht was op de meerjarenbegroting van de EU (en niet op het Herstelfonds), in wezen een bijzaak (zowel qua impact, als qua omvang) – niet wezenlijk anders, laat staan beter voor Nederland. De drijfveer om dit te doen was een andere dan beleidsinhoudelijk resultaat: marketing voor het binnenland in enge zin.

—————

De meest schaamteloze bluffers onder Rutte’s Europese collega’s uit Midden- en Oost-Europa, zoals Viktor Orbán, omschrijven deze Nederlandse politiek voor de vorm als nihilisme. Zij vinden dit een typisch West-Europees fenomeen, de ontkenning van morele en religieuze, ja alle, waarden, omwille van de decadentie en de zelffelicitatie. Nederland zien zij als een kampioen van dit gedrag. In Den Haag wordt dit uiteraard hooghartig weggewuifd, net zoals economische inzichten uit Latijns Europa (een contradictio in terminis in het Hollandse grootboek), of Europese kritiek op het (markt)ondermijnende fiscale vestigingsbeleid van Nederland. Allemaal achterlijk, nou ja, bijna dan, in ieder geval geen partij voor de Nederlandse standaard.

In de meeste binnenlandse ogen zijn de Nederlandse staat en zijn beleid nu eenmaal van een andere, ja hogere, kwaliteit dan die van zwakke of dubieuze mannen in Zuid-, Midden- of Oost-Europa. Lang waren er ook in het buitenland genoeg plekken van betekenis waar men deze Nederlandse arrogantie wel kon hebben, omdat men er een kern van waarheid, en degelijkheid, in vermoedde of soms zelfs hadden leren kennen. Dat is de laatste jaren veranderd.

De principieel ordoliberale Duitse krant Frankfurter Allgemeine Zeitung (faz) is al sinds jaar en dag de leidende conservatief-liberale stem in het Europa van de Europese integratie. De krant is beroemd en berucht om zijn dikbedrukte pagina’s, doorwrochte analyses en focus op primaire bronnen rond de economische en maatschappelijke organisatie van het naoorlogse Duitsland en Europa. In het licht van de Brexit is die rol alleen maar nadrukkelijker geworden. Voor de huidige Nederlandse regering van liberaal-conservatieve snit is de faz misschien wel de belangrijkste stem in Europa, belangrijker in ieder geval dan de in Den Haag zo graag gelezen Financial Times.

In de laatste week van december blikte men in de faz terug op het Europese politieke jaar 2020. Na veel waardering voor bondskanselier Angela Merkel in het stuk volgde een brisante vaststelling over hoe het verder moet als zij er volgend jaar niet meer is. ‘De twee regeringschefs met de meeste ervaring na Merkel zullen het gat dat zij laat in ieder geval niet kunnen opvullen: Orbán en Rutte.’ Dit is even groot als pijnlijk nieuws voor Nederland en de Nederlandse regering. Maar de kolommen van de Nederlandse pers haalde het niet. Laat staan de tv. Daar is nu geen aandacht voor de Europese politiek. En toen die er wél was, ontstond er in het binnenland een heel ander beeld van de Europese verhoudingen en de rol van Nederland daarin.

—————

Dit voorjaar en najaar wierp de Nederlandse regering zich op als de dappere verdediger van de rechtsstaat in een almaar verdorvener Europa: Nederland ging geen Europees geld overmaken naar corrupte landen met een rammelende rechtsstaat. Het rechtsstaatsmechanisme dat uiteindelijk werd opgetuigd (een preventief traject tussen lidstaten en de EU-instituties ter bescherming van de rechtsstaat in de EU-begroting) werd gebracht als een klinkende overwinning van Nederlandse standvastigheid.

In werkelijkheid was dit rechtsstaatsmechanisme een te elfder ure gevonden extra dimensie waarop Nederland nog iets te ‘winnen’ had in die voor Hoekstra en Rutte zo hopeloze onderhandelingen over het EU-Herstelfonds. Amper een week voor het begin van de EU-top ontdekte Rutte in samenspel met de Tweede Kamer de ‘conditionaliteit van de rechtsstaat’ als een mogelijke extra bargaining chip in de onderhandelingen over het Herstelfonds. Die kon hij goed gebruiken, want dat subsidiefonds zat, in goed Nederlands, vol met ‘giften’ (in plaats van de door Den Haag gewenste leningen). Zonder wat extra franje zou de premier zich in eigen land bijna gaan schamen voor het onvermijdelijke resultaat waar de onderhandelingen op afstevenden: een omvangrijk EU-fonds op Frans-Duits initiatief, mede ter ondersteuning van het door corona zo zwaar getroffen Zuid-Europa.

In de maanden die volgden liet de Nederlandse regering bij monde van premier Rutte niets van de eer aan de partijen die het rechtsstaatsmechanisme echt regelden en politiek organiseerden op basis van de uitkomsten van de EU-top van juli: het Europees Parlement en de Europese Commissie. Dat was misschien niet zo raar. Die twee EU-instituties zijn in de tv-woorden van de premier immers respectievelijk ‘niet zo relevant’ en ‘een feestcommissie op zoek naar een feest’. Zo gaat of moet politiek soms nu eenmaal. In dit geval is dat echter onvoldoende rechtvaardiging. Want juist ook vanuit Europees perspectief is het tamelijk misplaatst en onheus als het huidige Nederland zich presenteert als een eenzame en voorbeeldige strijder voor de rechtsstaat in de EU. De situatie van uitzendkrachten uit Midden- en Oost-Europa in slachthuizen, die zo genadeloos blootgelegd werd door Covid-19, vertelt een ander verhaal, net als de schrijnend lege stoethaspelbeloftes richting de kinderen van Moria. Hoewel ze het binnenlandse beeld nauwelijks kleuren, zijn deze feiten natuurlijk wel bekend. Merkel heeft zich niet alleen aan die Chopin-biografie geërgerd. Over de andere zaken zweeg ze liever. De Nederlandse premier zou er toch niets mee doen. Het buitenland is nu eenmaal nooit het referentiekader van deze Nederlandse regering. Pogingen tot schamen, ook de mislukte, blijven voorbehouden voor landgenoten. Wie precies?

—————

In oktober 2013 mocht Mark Rutte de Isaiah Berlin-lezing houden voor de Liberal International (de internationale federatie van liberale partijen) in Londen, een eer. Er hing die avond iets van ongemak, misschien wel schaamte, rond het spreekgestoelte. En dat was niet alleen vanwege de wat stuntelige presentatie van de premier, die misschien ook kampte met een moment van bewustwording van zijn eigen lichtheid, zijn beperkte ervaringen, het plotselinge besef dat hij misschien wel wat weinig echt gelezen had, van Berlin bijvoorbeeld. Enfin, soit.

Rutte begon zijn lezing met volmondige instemming met Berlins concept van vrijheid, waarin ‘je zelf bepaalde hoe je leven te leiden’. De rest van wat hij zei sloot echter slecht aan bij de inzichten van Berlin, het intellectuele geweten van het naoorlogse Westen en het westerse liberalisme. Rutte sprak over zijn ideeën voor Europa: maakbaarheid en vooruitgang, maar dan wel via marktwerking, én: niet voor iedereen. Voor EU-werknemers uit Midden- en Oost-Europa (en hun rechten) zou hij bijvoorbeeld graag de grenzen van diezelfde zaligmakende markt wat sluiten. Niet helemaal natuurlijk, want de binnenlandse plofeconomie van kassen, slachthuizen, asperges en nertsenfokkerijen moest natuurlijk wel blijven draaien, maar de rechten voor deze arbeidsmigranten konden wellicht wel wat minder.

Had hij nog geleefd, dan zou de Letse immigrant Isaiah Berlin waarschijnlijk verzwegen hebben dat deze Nederlandse ideeën in de buurt kwamen van een politisering van wat men beter niet al te zeer politiseert – zaken als mensenrechten en de rechtsstaat. Een kwestie van fatsoen, trouwens, dat verzwijgen. De premier zou het toch niet begrijpen.

Midden in een economische recessie werd een commissie ingesteld voor een absolute bijzaak

In de Koude Oorlog had Berlin bijna ruzie gekregen met een van zijn Amerikaanse vrienden. Berlin had deze vriend voorgehouden dat diens simpele zwart-wit wereldbeeld, de tegenstelling van goed en kwaad, good guys en bad guys, Amerika en de Sovjet-Unie, van wij en zij, een te grove vereenvoudiging was. Met het verabsoluteren van zulke sjablonen liepen zijn Amerikaanse vrienden het risico onbedoeld te transformeren tot ‘omgekeerde marxisten’, net zo neigend naar totalitarisme en de hard drug van de politieke propaganda.

Berlin wist waar hij het over had. Zijn eerste grote boek, dat hij publiceerde in 1939, was een biografie van Karl Marx. Berlin wist als geen ander dat marxist zijn meestal iets heel anders was dan Marx gelezen hebben. Daar was het hem ook precies om te doen. Hierin school een belangrijke reden voor de ontvankelijkheid van de marxisten van de Koude Oorlog voor totalitarisme en propaganda. Maar die ontvankelijkheid was geen exclusief kenmerk van marxisten, maar een heel gewoon menselijk trekje, waarvan het goed was om je er af en toe van bewust te zijn, zodat het niet met je op de loop ging. Dat probeerde Berlin zijn Amerikaanse vriend duidelijk te maken. Het was allemaal tegen dovemansoren gezegd: zijn Amerikaanse vriend begreep er niets van. Hij voelde zich een ‘good guy’. Sterker nog, als zodanig genoot hij wereldwijde populariteit. Waar had de Oxford-professor het over?!

De Amerikaanse vriend van Berlin zag niet dat als de ‘wij’ uit zijn tegenstelling zich superieur gingen wanen, de politisering van alles dreigde, inclusief de fundamentele rechten. Dat de norm van de populariteit de normen van de rechtsstaat en de mensenrechten zomaar kan ondergraven, van het ene op het andere moment. Dat bijzaken zo hoofdzaken kunnen gaan domineren, en (politieke) belangen (individuele) rechten. Dat dit gevaarlijk is. Want de rechtsstaat is er om het individu te beschermen tegen de politiek en zijn totalitaire neigingen: het onmisbare tegenwicht van democratie (en de tirannie van de meerderheid).

—————

De populariteit van Rutte groeide vanaf het moment dat hij staatssecretaris van Sociale Zaken werd in 2002. In die tijd waaide er al een poosje een nieuwe wind in ambtelijk Den Haag. Die paste bij de no nonsense managementaanpak van deze frisse staatssecretaris. In 2000 sprak een directeur-generaal van Sociale Zaken binnenskamers al openlijk over de ‘oerwoud tam-tam’ als hij het had over oneigenlijke aanspraak op uitkeringen. Diezelfde wind was een aankondiging van een mensonterend fraudebeleid, inclusief een back office voor een heldere indeling in ‘wij’ en ‘zij’, op nationaliteit bijvoorbeeld. De efficiency die dat opleverde mocht beloond worden met uitbundige ambtenarensalarissen, en werd politiek uitgebreid gevierd. Voor weinig beleid bestond zo een breed politiek draagvlak in de Tweede Kamer.

In zijn periode als Nationale Ombudsman (2005-2014) waarschuwde Alex Brenninkmeijer voor het keiharde fraudebeleid dat werd ingezet in de sociale zekerheid, zo vertelde hij onlangs in een interview in Trouw: ‘Er was politiek breed een heel sterke nadruk op fraudebestrijding, al ver vóór de Bulgarenfraude (waarbij Bulgaren in Nederland rond 2010 via nepadressen op grote schaal zorg- en huurtoeslag aanvroegen). Het idee leefde dat fraude de sociale zekerheid ondergraaft en hard moet worden aangepakt. Terwijl in werkelijkheid maar een luttel procent van alle mensen fraudeert. We signaleerden toen al hoe problematisch het fraudebeleid uitwerkte, bijvoorbeeld met de WW.’ Fraude was een bijzaak. Maar fraude was ook een dikke politieke reclamehit.

Dat gold onverminderd in 2013, toen Brenninkmeijer de aankomende minister en staatssecretaris van Sociale Zaken, de PvdA’ers Lodewijk Asscher en Jetta Klijnsma, in een persoonlijk onderhoud opnieuw waarschuwde. In datzelfde jaar werd zelfs de interdepartementale taskforce fraudebestrijding opgericht. Een gegarandeerd politiek succesnummer. Rutte werd daar zelf graag de voorzitter van. Midden in de diepste economische recessie sinds decennia werd de zwaarst mogelijke vorm van een ministeriële commissie ingesteld voor een absolute bijzaak, zowel inhoudelijk als financieel. En in Den Haag zag iedereen dat het beeld goed was.

Meer dan tien jaar later, na een jarenlang schandaal rond de kinderopvangtoeslag, zijn we niet veel verder. Nog steeds voert de hardnekkige prioriteit van de beeldvorming de boventoon ten opzichte van de zaak en de inmiddels deerniswekkende feiten. Nog steeds wordt erin volhard het beeld van efficiënte, en dus goed bedoelde, fraudebestrijding en administratieve organisatie overeind te houden. Zelfs nu dat niet meer te redden valt. Het is wereldvreemd of sinister, of allebei, dat de cruciale stukken en algoritmes met betrekking tot etnische profilering in de toeslagenaffaire tot vandaag worden achtergehouden.

Met de wij-zij-tegenstelling is iets heel anders gebeurd. Die is bepaald niet achtergehouden. Deze heeft Rutte al gepopulariseerd in zijn ‘Brief aan alle Nederlanders’, die in januari 2017, vlak voor die spannende verkiezingen, werd afgedrukt in alle landelijke dagbladen. Hoofdboodschap: ‘Doe normaal of ga weg.’ Die zin zindert van het superioriteitsgevoel van de zelf ingebeelde good guy. Maar dan op z’n Nederlands. Gebaseerd op de eenvoudige stoerheid van de fiets en de appel, de superioriteit van gewoon blijven en van calvinistische propaganda rond de Nederlandse (belasting)moraal. Het is nog steeds een schaamteloze Hollandse hit en vaak een affront in de echte wereld. Dergelijke schaamteloosheid hoeft voor een premier geen nadeel te zijn. Voor de meeste andere beroepen ligt dat anders. Het zou passend zijn als de Johan de Witschool in Den Haag haar buitengewone leraar maatschappijleer voorlopig met vakantie stuurt. In ieder geval zo lang het vervolgonderzoek naar aanleiding van de bevindingen van de Commissie-Van Dam hangende is.

—————

Groter dan de toeslagenaffaire zal een politieke kwestie niet gauw worden. De geloofwaardigheid en de integriteit van de democratische rechtsstaat zijn in het geding. Vervolgonderzoek is bittere noodzaak. Alleen zo kan geleerd worden wat nodig is om een dergelijk schandaal in de toekomst te voorkomen. Bij de politiek verantwoordelijken lijkt wat dat betreft nog niet het begin van inzicht te gloren. Toch is het juist dit inzicht dat onmisbaar zal zijn om het geschonden vertrouwen en de gebroken gelofte in diezelfde democratische rechtsstaat te kunnen herstellen.

Dat dit vervolgonderzoek moet gaan over etnisch profileren en institutioneel racisme staat al vast. Maar daarnaast moet het vervolgonderzoek ook ophelderen of de donkere glans rond de toeslagenaffaire inderdaad afkomstig is van die koude deksel, die het graaf- en zaagwerk van de Commissie-Van Dam blootgelegd lijkt te hebben. En als het antwoord daarop is dat die deksel inderdaad blijkt te bestaan, dan moet hij opengewrikt worden, om te kunnen zien wat erachter schuilgaat en te weten hoe omvangrijk en ingrijpend de politieke en ambtelijke herstelwerkzaamheden moeten zijn, en of de Nederlandse grondwet extra bescherming behoeft tegen de wetten- en regeldadendrang van de hedendaagse politiek. Om te weten hoe de tegenkrachten tegen de populariteit georganiseerd en versterkt moeten worden.

Tegelijkertijd is er echter ook een breder perspectief nodig. Vanuit dat perspectief staat de vraag centraal hoe dit zo fundamenteel en langdurig fout heeft kunnen gaan. Een antwoord op die vraag vergt onderzoek naar de politiek-ambtelijke cultuur, die veel van wat fout ging in de toeslagenaffaire niet alleen mogelijk maakte, maar ook aanjoeg, vierde, beloonde en uiteindelijk verdoezelde. Hoe een politieke praktijk kon ontstaan waarin populariteit en propaganda de rechtsstaat buiten werking kregen, en (technocratische) bijzaken (fundamentele) hoofdzaken overvleugelden.

Hoe het kon gebeuren dat politieke marketing allesbepalend werd en een fatale wig dreef tussen de uitvoering van beleid en de rechtsstaat. Uitvoering van overheidsbeleid is geen begrotingspost maar de essentie van goed bestuur. Goed bestuur wordt onmogelijk wanneer de verbinding tussen de uitvoering van beleid en de rechtsstaat wordt verbroken. Dat is de klassieke kern van een democratie, waarin het individu vrijheid geniet om ‘zelf te bepalen hoe je leven te leiden’. De politicus die alleen uit marketing bestaat zal nooit tot dit inzicht kunnen komen, en zal derhalve niet in staat zijn een herhaling van zoiets als de toeslagenaffaire te voorkomen. Uiteindelijk zal ieder serieus vervolgonderzoek daarom onmiskenbaar ook gaan over de jarenlange, actieve, consistente en constante sleutelrol van Mark Rutte in dit alles. Ieder vervolgonderzoek zal zo ook raken aan de tienjarige liefdesaffaire tussen een gaaf land en zijn jeune premier, en inzicht verschaffen in de directe en indirecte schade die deze affaire heeft toegebracht aan de instituties van de Nederlandse staat, en hun nationale en internationale reputatie. Ook dat inzicht is onmisbaar bij het voorkomen van herhaling en het inzetten van de herstelwerkzaamheden die nu al zo hard nodig zijn.


Mathieu Segers is professor contemporaine Europese geschiedenis en Europese integratie aan de Universiteit Maastricht