Kroniek van eerste keren

Imme Dros, De zomer van dat jaar en Lange maanden. JeugdSalamanders, resp. 128 en 136 blz., f11,- per deel. Ongelukkig verliefd. Uitgeverij Querido, 144 blz., f24,90
WIE OP DIT moment de naam van Imme Dros hoort, zal mogelijk in de eerste plaats aan Homerus denken, vanwege de eigentijdse, buitengewoon leesbare vertaling die zij van de Odyssee maakte. Van de vier jaar geleden verschenen Odysseia zijn al zo'n twintigduizend exemplaren verkocht en inmiddels verscheen er ook nog een ingenieuze bewerking voor jongeren onder de titel Odysseus, een man van verhalen.

Toch is Imme Dros van huis uit geen classicus met zendingsdrang, maar al bijna 25 jaar kinderboekenschrijfster. Haar uitgekiende schrijfwijze was goed voor een aantal springlevende, door Harrie Geelen geillustreerde miniverhalen voor beginnende lezers. Ze tekende de komische en wijze geschiedenis op van een middelbare mevrouw die moet leren leven met haar plotselinge konijneoren en ze bewerkte het sprookje van Repelsteeltje onlangs tot een sprankelend libretto voor een kinderopera. Hoogtepunt in haar werk blijft voor mij Annetje Lie in het holst van de nacht, het verhaal van een door haar ouders verlaten meisje, waarmee Dros in 1988 de eerste Libris Woutertje Pieterseprijs in de wacht sleepte.
Het meest substantiele deel van haar oeuvre wordt echter nog steeds gevormd door romans voor jongeren. Met een combinatie van groot inlevingsvermogen en een zekere ironie overziet Dros het moeilijk begaanbare overgangsgebied tussen kindertijd en volwassenheid, waar ze haar lezers aanzienlijk meer te bieden heeft dan het doorsnee zorgelijke verhaal vol verongelijkte adolescenten, groteske volwassenen en gehannes met seks.
Twee van deze jeugdboeken spelen op Texel, het eiland waar Dros vandaan komt. Na De zomer van dat jaar (1980) en Lange maanden (1982) heeft de schrijfster nu met Ongelukkig verliefd (1995) de draad van haar Texelse verhaal weer opgenomen. Hoofdpersoon en vertellende ik-figuur in wat is uitgegroeid tot een trilogie van het volwassen worden, is Daan List, een tamelijk gewone jongen, aarzelend over wat hij wil en op zoek naar wie hij is.
DE ZOMER van dat jaar beschrijft de vakantieperiode voor hij aan het lyceum in Den Helder begint. Voor jeugdige eilanders betekent het gaan ‘naar de overkant’ een grote cesuur in hun leven. De lange zonnige maanden zijn vol geplons in de haven, jongensgedonderjaag en rijpe bramen. Even is er de verpletterende ervaring van de eerste verliefdheid, maar na de obligate zoen - 'mijn spieren hingen slap van me af als een pak ouwe kleren’ - wuift Daan die samen met zijn vriend in een aanval van de slappe lach opgelucht weg: meiden, dat is niks gedaan! Waarna zich in het volgende hoofdstuk onmiddellijk verliefdheid nummer twee aandient. De zomer vormt een soort zorgeloze tussentijd, een opmaat voor een nieuwe fase, waarvan maar een ding vast staat: 'Het zou nog jaren duren die ellende met scholen!’
Daan List gaat voornamelijk naar het lyceum om zijn moeder een plezier te doen en om niet gescheiden te worden van zijn boezemvriend Wubbe Witte, die niet alleen precies weet wat hij wil met zijn eigen leven, maar ook wat Daan zou moeten willen. Die heeft het idee dat hij nergens goed in is. Wanneer meester praat over beroepen en opleidingen, verzucht hij dan ook: 'Ik werd misselijk bij de gedachte dat een van die dingen iets met mij te maken had.’ Het enige wat Daan echt kan, is kijken en tekenen. Hij krijgt les van het Geitewijf, een kleurrijke eilandfiguur. Tussen de puinhopen van haar huisje leert hij een andere vrouw kennen dan hem door de bekrompen dorpsgemeenschap was voorgehouden. Geprikkeld door de kwaliteit van haar werk, haar bonkige aanwezigheid en venijnige commentaar leert de dwarse leerling vooral hoe spannend het is om met pijn en moeite iets meester te worden. De onhandige verhouding tussen meesteres en gezel leidt tot roerende passages, die tegelijkertijd iets zeggen over de verhouding tussen artistieke gaven en doorzettingsvermogen, een onderwerp dat ik in de jeugdliteratuur zelden ben tegengekomen.
In Lange maanden heeft de Texelse club de vijfde klas bereikt. Het (school)leven rolt verder met gehate leraren en een schitterende beschrijving van Daans eerste dronkenschap - 'mijn benen zwiepten vanaf de knieen de verkeerde kant op’. Na vier jaar het vriendje van het meest begeerde meisje op school te zijn geweest, maakt Daan het uit. Hij is 'te schijterig om te vrijen’ tot hij door een oudere vrouw wordt ingewijd in de liefde. Belangrijker nog is het thema van de vriendschap. Vanwege een onduidelijke ruzie moet Daan het 'lange maanden’ zonder zijn maat Wubbe Witte stellen en dat beheerst zijn gedachten. Er wordt weinig expliciet over gepraat, maar de gekwetstheid en het gemis liggen vlak onder de oppervlakte van de dagelijkse gebeurtenissen op de loer.
Goed gedoseerd en bijna terloops weeft Dros door haar verhaal een aantal observaties en ervaringen die typisch bij de betreffende leeftijd horen. De herinneringen aan vroeger worden met een eerste vleugje weemoed ingekleurd, de ouders plotseling scherp gezien. Daan prefereert de opvoeding van zijn vriend die op zijn donder krijgt als hij iets uithaalt, 'maar bij mij keek er eeuwig iemand over mijn schouder, zodat er nooit iets gebeurde’. Mooi is het gesprek tijdens een autorit met Kees, een oudere jongen die verliefd wordt op mannen. De wederzijdse openhartigheid kan niet te lang duren. 'Ik had wel willen vragen hoe het eigenlijk ging tussen twee mannen, maar dat kon je niet doen, dus we begonnen te praten over gewone dingen: de doodstraf en rassendiscriminatie en zenuwgas. We reden het hele eiland rond en de auto gleed over de weg als een veilig kamertje.’ Later zal Kees zich te pletter rijden, waarover iemand in typisch samengebalde Dros-stijl vaststelt: 'Hij was een vriend van iedereen, niet van iemand.’
IN ONGELUKKIG verliefd gaan Daan en Wubbe studeren in Amsterdam. 'Achter me lag het huis aan de dijk, voor me de wereld.’ Daan laat zich onderdompelen in die wereld, want hij wil de dingen nu eindelijk wel eens op zijn manier gaan doen. Er zijn feestjes met te veel drank, tentamens met een te duf hoofd, verliefdheden op de verkeerde meisjes en veel gesprekken over het leven. Centraal staat een nieuwe vriendschap met een rijke en excentrieke jongen, die de wereld aan zijn voeten wil zien en waarschijnlijk niet voor niets Icarus heet. Texel en Wubbe Witte zijn geheel naar de achtergrond verdwenen, evenals Daans laatste liefde Reina, die Leiden als universiteitsstad heeft gekozen. Haar schrijft hij woedende, nooit verstuurde brieven die zonder hoofdletters in een ruk op het papier komen en aan het begin van elk hoofdstuk staan afgedrukt.
Aan het eind van het boek, als Daan zijn vuurdoop in het grote leven achter de rug heeft, staat hij weer open voor oude liefde en vriendschap, voor de schilderkunst en voor Texel: 'Al zou ik rijk en beroemd worden en ateliers en huizen hebben in New York en Rome en Parijs, al zou ik honderd jaar worden, ouder dan honderd jaar, al zou er niemand meer op het dorp wonen die mij nog kende, elke reis zal een omweg zijn naar hier en dat zal niet veranderen zo lang ik leef.’
Voor wie de eerste delen niet las, moet deze slotzin nogal uit de lucht komen vallen. Maar wie Daan List heeft zien opgroeien met de kop tegen de wind in langs de dijk, op het nippertje aan boord van de varende veerboot springend, tussen de roddels van de dorpstantes en de knokpartijen van hervormden en katholieken, die lezer begrijpt de onuitgesproken boodschap dat het nu wel goed zit met de Texelse held. Zo krijgt Ongelukkig verliefd ook als geheel meer relief en betekenis door de voorafgaande delen. Door de luchtigheid waarmee het verhaal over het studentenleven heenscheert en door de bij Dros gebruikelijke sterke en snelle dialogen leest het boek prettig, maar het is duidelijk het minste van de drie. Misschien zet de titel de lezer op het verkeerde been. Er is sprake van legio ongelukkige liefdes - over gelukkige liefdes valt nu eenmaal niet veel te vertellen, zoals Daan al heeft begrepen - maar die leveren ondanks hun tragiek niet meer dan herkenbare, soms vooral grappige verhaaltjes op. Werkelijk ongeluk voel je nergens, zoals je er ook niet achter komt wat de hoofdpersoon werkelijk voelt en denkt.
Daan List is er niet duidelijker op geworden naarmate Imme Dros langer over hem schrijft. Het lijkt of ze niet echt meer in hem geinteresseerd is. De schrijversenergie is veel meer gericht op de ongewone bijfiguren. Een van de mooisten onder hen is de Amsterdamse hoedenverkoper wiens sleutel tot succes ligt in het zinnetje: 'Het gaat niet om de hoed die men vraagt, maar om de hoed die past.’ De uitspraak blijkt ook toepasbaar bij tentamen doen.
Zonder echte levende hoofdpersoon verliest Ongelukkig verliefd kern en richting. Daan is zoals toen hij twaalf was: nog steeds een enigszins tobberige twijfelaar, maar hij is er in de eerste plaats om de grote stad te laten zien door de ogen van een 'boertje van buuten’. Vroeger was hij er om onderweg naar het volwassen bestaan allerlei prachtige eerste keren mee te maken: niet alleen de eerste verliefdheid, zoen, vrijpartij en dronkenschap, maar ook de confrontatie met de dood (van het Geitewijf) en de kennismaking met de poezie. Onwennig zit daar een jongen met zijn eerste dichtbundel op schoot, J. C. Bloem nog wel en de lievelingsgedichten van zijn vader. Langzaam laat hij zich winnen: 'Als je je niet stoorde aan de in stukken gehakte regels en zotte hoofdletters, dan had het wel iets.’ Daar kan de dichter het mee doen!
De eerste keren zijn helaas op, de liefde is niet ongelukkig genoeg en het kleurrijke eiland Texel is verdwenen. Blijkbaar blijft er dan niet voldoende over om de tegen de volwassen roman aanleunende aanduiding 15+ te rechtvaardigen. Maar de kracht van wat vooraf ging, wordt er des te duidelijker door.