Kroniek van vroeg falen

In 1972 verscheen America, My Wilderness van Frederic Prokosch, een roman waarin de held een naam draagt die een ware literaire kruisbestuiving is: Pancho Krauss. Deze held, een wees, zwerft door de jungle die Amerika heet, op zoek naar de oorsprong van de Nieuwe Wereld. Hij komt toevalligerwijze de vreemdste mensen tegen, onder wie een lichtelijk hysterische historicus die de geschiedenis van Amerika herschrijft, een oplichter en circusartiesten. Ook loopt hij een vroegere kostschoolvriend tegen het lijf, Cato, die vliegoefeningen doet, experimenten met levitatie onder leiding van een charismatische, dwingende substituutvader.

Paul Auster moet deze schitterende roman al vroeg hebben gelezen. De analogieën met zijn romans zijn frappant. Ik zie, bijvoorbeeld, een parallel tussen de naam Pancho Krauss en Marco Stanley Fogg in Moon Palace (1989). Namen bij Auster zijn dragers van een thema.
Er zijn meer overeenkomsten tussen Prokosch en Auster. Zowel Pancho Krauss uit America, My Wilderness als Marco Stanley Fogg uit Moon Palace zijn wees, beiden doorkruisen de VS op zoek naar vader of vaderland, beider naam is een ingenieuze samenstelling van andere namen. Tijdens hun zwerftocht hebben de twee wezen de meest onwaarschijnlijke ontmoetingen. Het is wat Auster ‘de muziek van het toeval’ noemt.
En wat te denken van de figuur Cato in Prokosch’ roman, en zijn pogingen aan de zwaartekracht te ontkomen? Het is een klassiek thema in de Amerikaanse literatuur, de levitatie (Thomas Pynchon, Ishmael Reed, Toni Morrison, Cynthia Ozick), maar Auster blaast de opstijging nieuw leven in met zijn roman Mr. Vertigo (1993).
Mr. Vertigo is de voorlopig laatste roman van Paul Auster. Hoofdpersoon is het straatschoffie Walter Rawley, een bijna-naamgenoot van ontdekkingsreiziger Sir Walter Raleigh. Dankzij een toevallige ontmoeting met Meester Yehudi leert Walt vliegen, na een reeks vernederende onthechtingsoefeningen. Je moet eerst diep buigen en afdalen om te kunnen opstijgen. Eerst leeg zijn en niets worden, dan pas word je Walt de Wonderjongen die over de wateren zweeft.
'Ik was twaalf jaar toen ik voor het eerst op water wandelde.’ Dat is de openingszin van Austers roman, die een knipoog is naar de Verlosser die, door op water te lopen, alleen natte voetzolen kreeg. Het knappe van de roman is dat Auster de magische kunst om te zweven en te overleven presenteert als een vanzelfsprekend onderdeel van zijn vertelling, tot en met de bijna fatale evenwichtsstoornis die Walt Rawley ervan weerhoudt zijn vliegkunst door te zetten en als kermisattractie zijn geld te verdienen. Uiteindelijk faalt hij als 'vlieger’.
Toeval, geld en hopeloos falen zijn de thema’s waarop Auster varieert in zijn laatste twee verzamelbundels, The Red Notebook en Hand to Mouth, een kroniek van vroeg falen. In The Red Notebook heeft Auster dertien toevalligheden uit zijn leven opgetekend, stuk voor stuk bizarre pen van omstandigheden die hem soms op een romanidee hebben gebracht.
In Hand to Mouth doet Paul Auster gedetailleerd verslag van de relatie die hij vanaf zijn jongensjaren met geld, voorspoed en vooral tegenslag heeft gehad. Een verhaal 'van de hand in de tand’ dat ook, naar George Orwell, Down and Out in Paris and New York had kunnen heten. 'Money talks’ en heeft overal het laatste machtswoord. Austers moeder was kwistig met geld, zijn vader deed het zuiniger aan. Een en ander leidde tot een scheiding en de jonge Auster ging met zijn moeder mee. Geld mag dan een fictie zijn, waardeloos papier, maar er is nu eenmaal een afspraak dat die bankbiljetten een waarde vertegenwoordigen.
Het boeiende van Hand to Mouth is het verregaande verzet dat Paul Auster als beginnende, romantische, ploeterende dichter, vertaler, criticus, scenario- en toneelschrijver en romancier aantekent tegen geld als machtsmiddel tot corruptie en onoprechtheid. In zijn overlevingskunst moet Auster zich af en toe wel prostitueren, als vertaler of ghostwriter, om zijn hoofd boven water te houden in Parijs of New York. In zijn verhalen over vakantiebanen en studieplannen zitten enkele prachtige portretten verscholen van mensen die hij later tot romanpersonages ombouwt. Zo is daar Ted Gold, opstandige student die bommengooier wordt (lees Austers roman Leviathan), of de vergeten schrijver H.L. Humes die geld uitdeelt aan jan en alleman om de Amerikaanse economie te kunnen ontregelen en onderwijl een eindeloze woordenstroom uit zijn mond laat vloeien (lees Moon Palace).
Natuurlijk lees ik Hand to Mouth als het verslag van vroeg falen dat wordt opgetekend door een schrijver die later wel degelijk succesvol werd. Daarom is dit boek hoe dan ook een typisch Amerikaans verhaal over slagen en succes. Waar Auster vroeger geen poot aan de grond kon krijgen en niets gepubliceerd kreeg, kan hij nu een willekeurige bureaulade omkieperen en de inhoud ervan naar zijn uitgever brengen. Dat heeft hij ook een beetje gedaan, waarschijnlijk om zijn lezers lekker te maken voor zijn volgende roman. Drie vroege toneelstukken en een detective zijn als appendix aan zijn hand-in-de-tandverhaal toegevoegd. De toneelstukken zijn stuk voor stuk voorstudies van de latere romans. Laurel and Hardy Go to Heaven is een Beckettiaans stuk over twee in het heden levende tragische komieken die bezig zijn een muur te bouwen (lees The Music of Chance). Het verleden valt telkenmale weg. Door hun black-outs zijn ze gedwongen om iedere dag opnieuw hun bestaan, hun muur, hun identiteit op te bouwen, die daarna weer net zo snel wordt afgebroken: Laurel en Hardy als Sisyfus, als prototypen van het Auster-personage, dat zich voortdurend afgesloten voelt van de buitenwereld of zelf onzichtbare muren om zich heen bouwt. Blackouts, waarin 'het wachten op de ander’ essentieel is, vormt een voorstudie van 'Ghosts’, het middendeel van Austers New York Trilogy. In dat drieluik overheerst het detective-element, het permanent iemand in de gaten houden zonder dat je daardoor kunt doordringen tot de werkelijke beweegredenen van je slachtoffer. Misschien is het wel zo dat degene die bespioneerd wordt opdracht heeft gegeven om zichzelf in de gaten te laten houden. Hide and Seek is een dialoog tussen een man en een vrouw die maar niet nader tot elkaar kunnen komen. Hun dialogen vormen een babylonische spraakverwarring. Er blijft een muur tussen hen in staan.
In het slotstuk van Hand to Mouth, de onder het pseudoniem Paul Benjamin geschreven potboiler-detective 'Squeeze Play’, speelt Brueghels Toren van Babel een cruciale rol. Een privédetective heeft negen kopieën van die Brueghel aan de muur. Aankomend politicus George Chapman neemt de detective in de arm omdat hij met de dood zou worden bedreigd. Maar wie is Chapman? Een hopeloos gesloten karakter. Hij is niet degene voor wie hij zich uitgeeft. Een netwerk van financiële en seksuele betrekkingen, compleet met afpersingstrucs, komt bloot te liggen. Money talks oorverdovend in deze gewiekste psychologische detective, het romandebuut van Paul Auster, waarin iedereen al in zijn eigen kamer zit opgesloten en waarin alles op z'n kop staat: een moord wordt zelfmoord.
Paul Auster heeft van zijn jeugdige nood een deugd gemaakt en uit zijn vroege falen een boek gecomponeerd dat nieuwsgierig maakt naar zijn nieuwe roman.