Kroongetuige (1)

Ik kan het niet bewijzen maar naar mijn ervaring zijn acht of negen van de tien personen die, verdacht van een ernstig misdrijf, wegens onvoldoende bewijs worden vrijgesproken, guilty as hell.

‘Dat komt ervan met al die waarborgen voor de verdachte’, zullen onze politici, zeker in verkiezingstijd, roepen. En, uitzonderlijk verschijnsel, wellicht hebben zij gelijk. Het zijn de waarborgen tegen een kans van hooguit twintig procent op veroordeling van een niet-schuldige (onschuldige volwas- senen bestaan volgens mij niet) waarvan acht schuldigen profiteren. Wij aanvaarden deze consequentie.
We zouden het niet hoeven te doen. Als die tien stuk voor stuk zouden worden veroordeeld, is het statistisch in ten minste acht gevallen raak, en de criminialiteit wordt, door geen rekening te houden met de uitzonderingen, grondiger bestreden dan door in alle twijfelgevallen vrij te spreken. Vergeet niet, zo zeg ik in de trant van onze politici, dat al die vrijgesprokenen die best weten dat ze eigenlijk schuldig zijn, geen hoge pet op hebben van de Nederlandse justitie. Toch, en ik denk dat ik voor het overgrote merendeel van de Nederlandse ingezetenen spreek, zal niemand wensen dat iemand wordt veroordeeld als er een kans bestaat dat hij niet schuldig is. Anders gezegd: wij offeren in alle Europese culturen en ook daarbuiten, voor zover er geen (semi-)dictaturen heersen, de mooie kans om acht boeven te vangen en deze hun gerechte straf te laten ondergaan op aan de kwade kans dat dan ook twee niet-schuldigen zullen moeten lijden.
Maar waarom kan men dan wel het volgens iedereen op zich beroerde middel van de kroongetuige aanvaarden om mensen die anders zouden worden vrijgesproken, toch te vangen? Mijn opvolger als hoogleraar in de inleiding van het recht te Nijmegen, prof. P. Tak, kroon-adviseur van het ministerie van Justitie in deze en andere zaken (DNA), heeft de invoering van de kroon-getuige in Nederland aanbevolen in zijn in opdracht geschreven boek: De kroongetuige en de georganiseerde misdaad (uitgeverij Gouda Quint, 1994). Ik gebruik hier het gecursiveerde begrip in twee betekenissen. In het eerste geval duidt het aan dat iemand als getuige of als adviseur de belangrijkste is. In het tweede geval dat hij als getuige een misdadiger is die, vaak onbetrouwbaar, zijn straf probeert te ontlopen door zijn kompanen in het kwaad of wie hij daarvoor wil laten doorgaan te verklikken. Vaak zal hij daarvoor worden beloond met gratis plastische chirurgie en met van staatswege geschonken geld (van onze belastingcenten, zeg ik nu eens) om in den vreemde rustig te gaan leven. Er valt veel meer over te zeggen. Dat komt dan een volgende keer. Maar nu ik zit aan die kolom vast. En besluit: waarom geldt nu ineens in het strafrecht alleen maar het resultaat? En doen de middelen er niet toe?