Kroongetuige (2)

Wegens moord werd N.N. in 1990 tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Zijn veroordeling berustte op de verklaring van een man die ik nu maar De Vries zal noemen. Aan een vriend vertelde De Vries dat hij indertijd op verzoek van de politie een voor die N.N., met wie hij samen vastzat, bezwarende verklaring had afgelegd en dat hij daarvoor een jaar strafvermindering en zesduizend gulden had gekregen.

Hij had die verklaring, zo vertelde hij zijn vriend, anoniem en in strijd met de waarheid afgelegd. Zijn vriend vond dat een ‘klerestreek’ en hoewel hij die N.N. helemaal niet kende, heeft hij, nadat N.N. onherroepelijk was veroordeeld, aan de justitie verslag gedaan van wat hij bij herhaling over de zaak van De Vries had vernomen.
N.N. vroeg op grond van dat feit herziening van zijn vonnis aan. Zonder succes. De Hoge Raad besliste op 25 januari van dit jaar dat er ook ander bewijs voor de moord was en ging in zijn beschikking ongeveer als volgt door: 'In het licht van het voorgaande levert de enkele, bij de aanvrage overgelegde verklaring van H. (dat was de vriend van De Vries - jl) dat deze hem heeft verteld dat hij in ruil voor strafverlaging en een financiele vergoeding een leugenachtige verklaring heeft afgelegd bij de politie, niet een omstandigheid op die voldoende aanleiding is voor herziening.’
Dat is een uitspraak die in haar resultaat niet hoeft te verwonderen. Maar dat over zulke zaken zulke uitspraken worden gevraagd en moeten worden gegeven, vraagt wel om bezinning. Het is het paradoxale karakter van de verklaring van de kroongetuige dat diens optreden verziekt. Zijn belastende verklaring is voor een veroordeling meestal onmisbaar en op z'n minst genomen van vitaal belang, maar gelet op zijn positie en zijn persoon is de betrouwbaarheid van die belangrijke verklaring nu juist de achilleshiel van de bewezen-verklaring en daarmee van de veroordeling.
Van de befaamde Italiaanse historicus Carlo Ginzburg, auteur ook van een onlangs in het Nederlands vertaalde boeiende studie over hekserij en heksensabbat, verscheen in 1992 bij uitgeverij Bert Bakker De rechter en de historicus in vertaling. Het boek ging over een vriend van de auteur, Adriano Sofri, in wiens opdracht in 1972 een politiecommissaris zou zijn vermoord. Hij werd zestien jaar later beschuldigd door iemand die wij nu een kroongetuige zouden noemen, en kreeg 22 jaar. De kroongetuige de helft. Ik heb over dat boek geschreven dat ik het sympathiek en knap vond, maar dat ik toch aarzelde. Er zijn immers ook verklikkers die de waarheid spreken. Maar kort na mijn bespreking kwam de uitspraak in hoger beroep. Sofri werd vrijgesproken omdat de kroongetuige niet geloofwaardig was. Er zijn maar weinig verdachten die op zo'n kolossale steun van een volstrekt betrouwbare vriend als Ginzburg kunnen rekenen. En die moet dan ook nog te zijner verdediging een boek willen en kunnen schrijven. Daarom.