Krotten

Ook altruisme kent zijn nuchtere variant. Een tijd geleden zag ik een documentaire over een kroostrijk Filipijns gezin dat woonde op de vluchtheuvel van de achtbaanssnelweg die dwars door Manilla gaat. Ingeklemd tussen de voortjagende auto’s leefde een groep mensen, deden zij alles wat bij het dagelijks leven hoort. Het huis was niet meer dan een veredelde tent, de meeste activiteiten vonden buiten plaats, op ‘het erf’, op een paar vierkante meter zwaar verontreinigd plaveisel.

Te midden van het voortdurende lawaai van boven de honderd decibel kon dit niet anders dan puur overleven zijn, zonder zin en zonder ziel. Wat kon je in deze smalle marge van de megastad anders doen dan het vege lijf redden? Toch bleek in deze hel nog levenslust mogelijk. De kinderen, met hun geplombeerde porien, hadden ontegenzeglijk plezier in hun spel. De ouders gaven zichtbaar het goede voorbeeld.
De belangrijkste vraag is hoe dit gezin er nu aan toe is.
De belangrijkste vragen worden in onze aandacht voor de ontwikkelingslanden echter nooit beantwoord. De betrokkenheid wordt doorgaans op peil gehouden door alarmerende statistieken. Wanneer wordt ingezoomd op een concreet hopeloos geval, is dat altijd om een grotere misstand aan de orde te stellen. Hoe het verder afliep met al die bijna-doden die op mijn netvlies staan gekrast, zal ik nooit weten. Hun wereldroem bestond alleen bij de gratie van het westerse onvermogen de ernst van de situatie zonder de fotografische inbreuk op hun lichamelijke integriteit in te zien.
De aanpak in deze documentaire was echter anders. Wat duidelijk werd, is dat medelijden met een verschrikkelijk en troosteloos collectief lot tot weinig leidt. Hier werd niet alleen maar vastgesteld dat de wereld rot is en nog eens rot, maar dat mensen een onvoorstelbare energie aan de dag kunnen leggen om er iets van te maken. Hoewel het daardoor wellicht lijkt alsof die omstandigheden dan toch niet zo kommervol zijn, krijg je het vertrouwen dat zelfs gigantische problemen oplosbaar zijn. Als je maar uitgaat van de vitaliteit van de betrokkenen.
Op De verborgen opgave, de afscheidstentoonstelling van Adri Duivesteijn in het Nederlands Architectuurinstituut, valt veel aan te merken. Historische achtergronden worden nauwelijks gegeven, de presentatie glimt te veel, het beoogd publiek is waarschijnlijk eerder te vinden in het Tropenmuseum. Toch is de tentoonstelling (nog tot en met 1 januari) van een aantal voorbeeldprojecten van bescheiden rehabilitatie van krottenkwartieren van Lima, Bangkok, Djokjakarta, Santos en Grahamstown heel opmerkelijk. Het geldt bovenal de strategie van de hoop.
Het lot van de mensen in de slums is niet alleen afgeleide van de macro- economische omstandigheden, maar nog altijd ook deels van hun vrije wil. Wanneer daar de juiste context voor wordt geschapen, met behulp van wat community enablement heet, kan er veel worden bereikt. Dat heeft weinig met esthetische xenofilie te maken, en alles met gerichte assistentie.
Ten tweede bood de tentoonstelling de aanleiding om, eveneens op het NAi, een voorbereidend congres te organiseren ter gelegenheid van de VN- conferentie Habitat II in 1996 in Istanboel. Het zal menige drukbezette Nederlandse architect of stedenbouwer ontgaan waar het morele appel van de expositie vrucht kan dragen, maar de manifestatie bood als geheel wel de mogelijkheid om de Zuid-Zuiddialoog op gang te brengen. Omdat de omstandigheden waarin de slums zich bevinden in veel wereldsteden vergelijkbaar is, is uitwisseling van ervaringen van levensbelang.
Ten slotte krijgen we met de expositie de geloofsbrieven van de man die volgens de wandelgangen als directeur van het NAi was aangesteld om te zorgen ‘dat het gebouw er kwam’. Nu blijkt hij ook pleitbezorger van een habitat voor de mensheid. Dergelijke mondiale ambities leveren in de architectuurwereld vaak wrevel op die ik graag verder ontwikkeld had gezien. Het mag niet zo zijn. Duivesteijn zit nu in de Tweede Kamer.
Aan de andere kant zal er zelden een tentoonstellingsmaker zijn geweest die in de politieke arena zijn idealen zo direct kan waarmaken. Wanneer het Duivesteijn werkelijk ernst is, is hij binnenkort voor Jacques Wallage net zo'n bron van ergernis als Pronk dat is voor Kok. Daar gaan we dus veel over horen, dat kan niet anders. Zou Rottenberg dan toch zijn zin krijgen?