Kruimelige feitelijkheid

Waar we in de dagelijkse omgang met elkaar de taal min of meer gedachteloos als middel tot communicatie gebruiken, concentreert de literator zich op zijn omgang met de taal zelf.

Hij kiest woorden, schuift ermee totdat ze in de meest effectieve volgorde staan, legt de tekst een structuur op, als om de afstand tussen wereld en kunstwerk te benadrukken. Het leven heeft geen plot, de werkelijkheid is een chaos en conversaties ontberen een kern, maar de roman, de tragedie en het gedicht worden gekenmerkt door wat we vorm noemen. Zeker, de afgelopen eeuw hebben diverse schrijvers getracht de vormloze realiteit weer in de letteren terug te brengen, maar in de meeste gevallen bleek het bij nader inzien om hoogst gestileerde rommeligheid te gaan – of het was gewoon slechte literatuur.

Maarten van der Graaff (1987), die zich vorig jaar stormenderhand een plaats in de literatuur wist te veroveren door met Vluchtautogedichten de Buddingh’-prijs te winnen, laat er geen gras over groeien. Ook zijn tweede bundel, Dood werk, getuigt in zijn bijna kokette lamlendigheid van onvervalste Sturm und Drang. Het boek opent met twee veelzeggende motto’s: ‘Poets should get back to saying crazy shit/ All of the time’ (Dorothea Lasky) en: ‘I want to make the world more interesting than my problems. Therefore I have to make my problems social’ (Chris Kraus). Waanzin en een verlangen naar gemeenschap, persoonlijke misère en de politieke werkelijkheid, dat is waar het in deze bundel om gaat.

Teneinde te onderstrepen dat hij de weg volledig kwijt is, heeft Van der Graaff gekozen voor de ultieme vormloosheid. De eerste helft van het boek bestaat uit een serie opsommerige gedichten die ‘lijsten’ heten, de tweede helft biedt 29 ‘geklokte gedichten’, die, als we de dichter mogen geloven, als volgt tot stand komen:

16.24 Hoe maak je een geklokt gedicht?

Kijk op de klok. Noteer de tijd.

16.25 Schrijf een gedicht.

Wanneer je stopt met schrijven

en even zit te lummelen

moet je daarna, wanneer je verder

gaat, de tijd noteren.

Als je naar de wc moet of naar

buiten wil

is het gedicht af.

Weliswaar stelt hij dat je er vervolgens niets meer aan mag veranderen, maar dat nuanceert hij direct door er ‘(of bijna niets)’ aan toe te voegen. Het willekeurige, improviserende karakter van de gedichten is evident, het verleent ze een zweem van directheid en authenticiteit, maar het behoeft geen betoog dat Van der Graaff over de plaatsing van ieder woord heeft nagedacht. Het zijn namelijk heel goede gedichten. In zijn Art poétique (1674) schrijft Nicolas Boileau over de ode, het lyrische genre bij uitstek: ‘Son style impétueux souvent marche au hasard;/ Chez elle un beau désordre est un effet de l’art.’ Misschien zijn de gedichten uit Dood werk niet onstuimig en is hun wanorde niet mooi, maar dat de gewilde slordigheid een kunstgreep is, staat buiten kijf.

De spreker, die er alles aan doet de indruk te wekken dat hij geen ander is dan Maarten van der Graaff in hoogst eigen persoon, kampt met gevoelens van lusteloosheid, angst en woede. Negentiende-eeuwse Franse dichters zouden spreken van spleen of ennui. Hij weet niet hoe hij moet leven, hij walgt van de economische werkelijkheid, maar koestert een al even grote weerzin tegen literaire avant-gardes die revolutie prediken. ‘Dit is de vroege eenentwintigste eeuw’, aldus de opening van het eerste gedicht, ‘en ik loop naar buiten’. Gedicht, bundel en tijdsgewricht vallen samen, hier wordt een eerste stap gezet. In al zijn lullige terloopsheid getuigt de zin van een enorme pretentie: met Van der Graaff breekt een nieuwe eeuw aan. Maar het is geen heroïsch tijdperk: ‘De vorm van mijn bestaan openbaart zich nu/ als kruimelige feitelijkheid.’

Het gebrek aan samenhang, aan een ‘bezield verband’, om met Marsman te spreken, en het onvermogen zin aan het leven te geven komen nergens sterker naar voren dan in de ‘lijst met kalmerende activiteiten,/ opgesteld door eerdere groepsleden’. De opsomming begint met ‘meubels goed zetten/ kleuren/ knuffelen met een deken of knuffel’ en eindigt zo:

poppetjes tekenen

werken op het plaatsje

anderen bezoeken

wandelen

naar de kapper

vingerverf

graanveld

Dat graanveld vormt een passende afsluiting, omdat het de rurale eenvoud van de agrarische cyclus oproept, de vertrouwdheid van een pastoraal landschap dat in de vervuilde Randstad ver te zoeken is. Van der Graaff refereert aan een jeugd op de Zuid-Hollandse eilanden, een windrijk gebied van ‘grimmige schoonheid’ dat hem uiteindelijk niets te bieden had. Hij ging theologie studeren in ‘de biotopen van de kennis’. Maar lees je Dood werk, dan bekruipt je één zekerheid: ga nooit in Utrecht wonen.

Dat Van der Graaff, in al zijn eenentwintigste-eeuwse ongemakkelijkheid, geworteld is in de oudste tradities van de dichtkunst blijkt wanneer hij naar het Hooglied verwijst. In een van de geklokte gedichten verschijnt ‘de bruidegom’, die tevens een muze is:

Mijn bruidegom komt over het fietspad.

Mijn bruidegom komt door het bos.

Hij zal naast mij komen liggen,

mij aankijken met zijn ogen.

Je zou het op het eerste gezicht niet zeggen, maar Maarten van der Graaff is een mysticus.


17.28 Met een kapstok loop ik op straat.

Dit is het werk dat ik vandaag verricht.

In de zon, over straat, met een kapstok lopen

is goed werk.

Omdat de mensen gelukkig worden

en opmerkingen maken over mijn kapstok

is het goed dat ik dit werk doe.

Aan het eind van de Lange Nieuwstraat

voel ik hoe warm het hout is geworden.

Welke poëzie wordt gewoon geschreven,

gezongen en doorgegeven

zonder dat wij het merken?

Uit: Vijfde geklokte gedicht