Kruipen in Hermans

W.F. Hermans, Parijs © Nico Koster / MAI

Op 8 oktober 1994, een half jaar voor zijn dood, liet Willem Frederik Hermans zich op uitnodiging van de Stichting Literaire Activiteiten Leeuwarden door Michaël Zeeman interviewen in Schouwburg De Harmonie aldaar. Overal affiches in de stad: ‘WF Hermans wel in Leeuwarden, niet in Groningen.’ Dat waardeerde hij zeer, vertelde hij toen we gezamenlijk vooraf in het restaurant van de schouwburg aten. Michaël Zeeman, Geart de Vries, Hermans en ik. Ik herinner me alles nog. Zijn stem, zijn vriendelijkheid, zijn belangstelling, zijn ironische gelach, zijn attente oplettendheid. In niets was hij de Hermans die we al jaren in interviews kregen voorgeschoteld. Ik herinner me ook mijn wanhopige bewondering. Wat moest ik zeggen? Ik vind uw boeken geweldig, ontroerend, adembenemend, vooral De tranen der acacia’s, Ik heb altijd gelijk, Nooit meer slapen? En de rest dan, zou hij zeggen, of denken. Het beste was dus zo weinig mogelijk te zeggen en dat deed ik, denk ik, vol overtuiging. Zowel Zeeman als Hermans was tijdens het interview in vorm. Hilarisch en scherp. De avond kreeg een bijna sacrale toon toen Hermans voorzichtig vertelde over zijn bewondering voor Wittgenstein en zijn obsessie voor schrijfmachines en andere apparaten. Zijn jeugd kwam te voorschijn en plotseling was het een kwetsbare, gevoelige man. Ik herinner me ook de minuten durende hoestbui die de zaal verscheurde.

Willem Otterspeer besteedde in het tweede deel van zijn Hermans-biografie twee zinnen aan deze avond, maar in zijn fraaie debuutroman maakt hij er een belangrijke scène van. Hij laat zijn held, de schrijver Lodewijk Schrijver, de volgende dag naar Groningen gaan en beschrijft dan de wandeling die de oude, verbitterde man, samen met zijn biograaf, door de stad maakt. Onder meer langs de hoeren vlak bij het station en dat levert een schitterende hermansiaanse beschrijving op: ‘Ze was ingeregen in een zwart korset, droeg grote oorknoppen, margrieten van kunstivoor. Een andere, de mond ingekleurd met blauwig-roze marsepein, een satijnen bloes zo laag uitgesneden dat de onderkant van haar borsten zichtbaar was.’ Schoonheid en verschrikking: Hermans kon het als geen ander in zijn werk bijeen brengen. Otterspeer geeft er vaak fraaie demonstraties van. De roman staat vol met deze dwarse, onnavolgbare beschrijvingskunst. Otterspeer kent het op z’n duimpje, hij ziet zowel de kracht ervan als de hulpeloze schoonheid. Hij laat sterk zien hoe Hermans (pardon, Schrijver) rancune en bitterheid inzet als wapen tegen het aanstormend gevoel en sentimenteel verlangen dat het beste werk van Hermans zo indrukwekkend maakt.

‘Nu: kleine gebeden tegen een kwetsbaar dynamiek’

Otterspeer bedacht een opzet waarin hij zowel de vertelkunst van Hermans in het licht zet als zijn eigen poging afscheid van hem te nemen. Om een stijl te kunnen ontwikkelen die niet meer alleen schatplichtig is aan die van de meester, maar zijn eigen weg gaat. Het maakt deze roman ontroerend. Hij laat een schrijver (ja, het is Hermans) in zijn nadagen zien, zijn biograaf volgt hem op zijn eenzame tochten naar herinneringsplaatsen. Naar huizen uit romans, naar markten, straten, Groningen, Brussel, Parijs. Hij volgt hem op een dodentocht. En deze schrijver peinst ondertussen, tussen de hoestbuien door, over de dood, over zijn katten, zijn schrijfmachines, de mislukkingen. En probeert de steeds opduikende gedachten dat zijn vroege werk het beste was te onderdrukken: ‘Toen: uit diepe lust gehamerde dromen. Nu: kleine gebeden tegen een kwetsbaar dynamiek.’ Ondertussen werkt hij nog aan een nieuwe roman, het bloed kruipt waar het niet gaan kan: over een biograaf die alles van een schrijver weet en hem bedreigt. De schrijver en zijn biograaf, beiden willen van de ander af.

Deze constructie geeft Otterspeer de gelegenheid de lezer een spiegelpaleis binnen te brengen. Zoiets kan een overgestructureerde indruk achterlaten, maar het eigenaardige is dat Otterspeer zich niet verbergt achter vernuft en vrijblijvende bedenksels. Het is erop of eronder in deze roman. Hij slaagde erin de biografie van de biograaf, zonder twijfel zijn eigen biografie, moeiteloos met die van Hermans (Schrijver) te verbinden. Het werd: ‘Een roman bij wijze van biografie.’ De eigen herinneringen aan ouders en een jeugd komen indringend voorbij. Plus herinneringen aan een jong gestorven zus en haar kind, waar hij in deze roman een monument voor opricht. Juist in deze scènes begint de biograaf afstand van zijn schrijver te nemen, hij laat diens wanhopige en rancuneuze schrijfblik meer en meer los en geeft zijn eigen, veel voorzichtiger herinneringsblik de ruimte. Deze scènes vormen het hoogtepunt van de roman, met zinnen als: ‘Dat eeuwige zoeken naar veiligheid, die tot mislukken gedoemde pogingen om het kapotgaan te voorkomen van wat fragiel is, de kwetsbare hals van je vader, de bloedende arm van je zuster. Haar kind met zijn mutsje op zijn doodsbed.’

Otterspeer neemt in deze roman afscheid van Hermans. Maar niet zonder diens grote schrijfkracht bewonderend te demonstreren. Hij loopt met hem mee, kruipt in zijn blik, kruipt in zijn zinnen. Daar heb je Hermans en hier ben ik. Er zit op een of andere manier een huivering in deze roman die me bij de keel greep. Begrip en onbegrip, toenadering tot en afstand van Hermans’ werk en leven, dat doorstroomt deze roman en geeft er een indringende en ontroerende kracht aan. In deze debuutroman maken de volgende Otterspeer-romans zich al klaar voor de sprong. ‘Wie biograaf wil zijn, moet schrijver worden’, schrijft hij ergens in dit boek. Laten we hopen dat het andersom is: wie schrijver wil worden, moet eerst biograaf zijn.