Kruiperigheid en nederigheid zijn mijn lot

Wanneer ik in de studio ben, zie ik mensen die ik van de studio ken, rijm ik.
Vreemd is dat niet. Ik maak af en toe een televisieprogramma en ik verschijn af en toe in een televisieprogramma.
Dat is des televisies.
Pik een willekeurige uitzending van De wereld draait door en je ziet als gasten mensen die je van de televisie kent. Ze praten met andere gasten die je van de televisie kent.
Je ziet hoe Darwins natuurlijke selectie werkt.
Wie goed is (leuk, grappig, snel) mag terugkomen, wie dat niet is, wordt niet meer uitgenodigd. Leuk, grappig en snel moeten dus met elkaar in concurrentie, en andere eigenschappen (intelligentie, kundigheid, vakmanschap) vallen op den duur af. Tenminste, stel dat daarop wordt geselecteerd.
Dit is ook de reden dat televisie over televisie gaat; we kennen elkaar, we vormen geen bedreiging voor elkaar, als we samenwerken maken we er iets leuks, grappigs en snels van. De leukste, snelste en grappigste wint.
Daarbij komt dat Nederland klein is. Je kent elkaar snel. Matthijs kent Jeroen en Paul, ze kennen Cornald en Yvon, et cetera et cetera. Er zou een mooie Hilversum-atlas te maken zijn, en dan zul je zien dat bijna alle presentatoren (inclusief ikzelf) wel met elkaar hebben samengewerkt op enig moment.
Ben je een groot kunstenaar en wil je beroemd worden en niet opgevreten worden, dan zul je dus ook eigenschappen als leuk, grappig en snel moeten ontwikkelen – geef ik maar als tip mee.
De kleinheid van Nederland heeft ook tot gevolg dat incest het gevolg is; dat kan niet anders. De ruimte om te concurreren is gering en de mogelijkheid tot expansie is eveneens gering. Je bent dus gedwongen om je aan te passen, en dus snel te kopiëren, wil je overleven.
Ikzelf heb een aantal eigenschappen die me geschikt maken om te overleven in deze branche, maar op de apenrots heb ik verschillende gevechten met de alfa-apen verloren. Daarbij word ik ook te oud en kan ik niet meer zo goed vechten. Wat rest is een aantal eigenschappen waarmee ik zelf goed uit de voeten kan, maar waar ik niets aan heb als het gaat om roem, dus voortbestaan, dus mogelijkheid tot ontwikkelen. Ik moet een eigen niche zoeken. En dat is best, maar rijk word je er niet mee.
En dus had ik me voorgenomen om nooit meer als gast in een televisiestudio te verschijnen. Ik weet dat ik het daar afleg. Het is mijn territorium niet. Als ik daar te gast ben, ben ik vijand van mezelf. Ik word er niet beter van, integendeel, ik overschreeuw mezelf om te overleven, ik ga me zo snel als ik kan aanpassen, maar dat kan ik niet meer (ik ben niet snel genoeg, niet zo grappig en dus niet zo leuk, maar probeer dat wel te zijn) en ik word een dier dat aan de tralies zit te rukken en te trekken, terwijl de strop steeds dichter om m’n hals trekt.
‘We zouden toch graag zien dat je bij Die en Die gaat zitten, want je boek loopt niet zo goed.’
‘Die en Die willen je niet, want je schijnt ruzie te hebben met X, over wie je een nare column hebt geschreven.’
Ik schreeuw: ‘Ik wil ook niet, ik wil ook niet!’
Maar er is ook zoiets als sociale druk.
En dus doe ik mee in het besef dat ik de strijd verlies – ik ben domweg niet meer de ‘fittest’ en kan alleen nog af en toe een steen werpen naar de topaap, in het besef dat de kans dat hij mij ziet werpen en me dan zal straffen steeds groter wordt.
Kruiperigheid en nederigheid zijn daarom mijn lot. Ik loop met gebogen hoofd over straat, zorg dat niemand me ziet.
Ik heb natuurlijk nog wel een bom bij me – in de vorm van een grandioos kunstwerk – dat ik eens tot ontploffing zal brengen zodat niemand meer om me heen kan.