Het helende effect van John le Carré

Kruising tussen Kuifje en de bijbel

De boeken van John le Carré zouden aan de mensheid voorgeschreven moeten worden als injectie tegen het cynisme.

The Spy Who Came in from the Cold staat in de top-drie van de geniaalste boektitels aller tijden, samen met Dood op krediet en Onbepaald door het lot. Al zou ik niets van de schrijver weten, dan nog kocht ik zonder dralen zijn boek. Wie in staat is om zoiets te verzinnen kan onmogelijk prutswerk leveren.
Ofschoon er verdienstelijke vertalingen van Le Carré bestaan wil ik iedereen aanraden om zijn boeken in het origineel te lezen. Ook al is het Engels van Le Carré, die onder andere in Oxford heeft gestudeerd, heel Engels, sophisticated en dus allesbehalve gemakkelijk. En ook al neemt Le Carré ouderwets alle tijd en ruimte voor beschrijvingen en dialogen tussen de zeer erudiete, zeer gepokt en gemazelde en zeer Engelse Engelsen uit de upper middle of upper class, die evenals de schrijver in Oxford of Cambridge hun wijsheid hebben opgedaan.
De schitterende en uiterst spannende spionageverhalen van Le Carré zijn namelijk niet louter spionageverhalen. Er staat zo veel tussen de regels wat zelfs in de meest getrouwe vertaling verloren kan gaan dat je jezelf tekortdoet als je de vertaling boven het origineel verkiest.
The Spy Who Came in from the Cold was mijn eerste Le Carré. De titel heeft zijn belofte ruimschoots ingelost. Maar er gebeurde meer. In dit spionageverhaal - een genre dat diep veracht werd door de culturele inquisiteurs uit mijn ‘vormende’ jaren in de Sovjet-Unie en die ook in het Westen meer als vermaak dan als serieuze literatuur wordt gezien - heb ik een held gevonden naar wie ik tevergeefs had gezocht in de zogenaamde hoge, moderne westerse literatuur. De held als de maat der werkelijkheid, in wie zowel de schrijver als de lezer gelooft. De held, geboren vanuit het ordescheppende idee dat niet slechts in het hoofd van de schrijver zit, maar waarmee de lucht van zijn tijd is doordrongen.
Eén zo'n boek van Le Carré - mijn ideale boek, een kruising tussen Kuifje en de bijbel - en de meters literair debat tussen de aanbidders van ethiek en de belijders van esthetiek (alsof je die twee van elkaar kan scheiden!) kunnen wat mij betreft subiet de prullenbak in.
Somber en ontluisterend is het boek over een uitgerangeerde, alcoholistische Britse spion die zijn laatste operatie in de DDR moet verrichten om een nietsontziende übermensch, kameraad Mundt, uit te schakelen. De terreur van de positieve boodschap was destijds de letteren nog niet binnengeslopen. Niet dat zo iemand als Le Carré daaraan zou bezwijken. Hij moet niets hebben van zachte heelmeesters. Kom op zeg, soms moet je Roodkapje ook in de oorspronkelijke versie durven lezen, met die lieve oma en dat zoete maagdje die voorgoed in de buik van de wolf verdwijnen. Er is niet altijd een goede jager in de buurt.
Maar net als Jevgeni Onegin van Poesjkin, die ik graag lees als ik ziek in bed lig, heeft ook Le Carré een helend effect. Op mijn psyche. Hij geeft me hoop zonder illusies te wekken over de menselijke soort. Een zeldzaam vermogen. Wat mij betreft zouden zijn boeken aan de mensheid voorgeschreven moeten worden als injectie tegen cynisme. Want de mens van Le Carré die in de kille wereld voortdurend moet laveren tussen kleine, grote en heel grote belangen, mag dan wel een vat zijn vol zwaktes, tegenstrijdigheden en opportunisme, hij is ook in staat om zichzelf te ontstijgen. In het geval van The Spy met fatale gevolgen. Het is tenslotte oorlog, en al is die nog zo koud, er vallen doden.
Dat zichzelf ontstijgen, dat gebeurt met de oude rot Leamas, die zo graag uit 'de kou’ wil breken. De kou betekent bij Le Carré twee concrete dingen: de wereld achter het ijzeren gordijn en de carrière bij de spionagedienst. Daarnaast betekent de kou een onzichtbaar en o zo ongrijpbaar en onbegrijpelijk ding: het menselijke hart dat verkild is in de nietsontziende oorlog tussen de twee systemen waarin het doel alle middelen heiligt. Voor beide partijen.
Totdat dat hart iets overkomt waardoor het uit zijn eigen kou breekt. Als de eeuwige overlever Leamas in die enkele minuten die hem worden gegund op de macabere grens tussen Oost en West moet kiezen tussen zijn leven en de liefde, dan kiest hij voor de liefde. Of eerder voor de liefdesdood aan gene zijde van de Muur, waar zijn geliefde net is doodgeschoten.
Pas toen drong de echte, heimelijke betekenis van de titel tot me door. Leamas mag dan voorgoed in de kou blijven, hij ís the spy who came in from the cold. Zijn onbezonnen daad is niets anders dan een daad van verzet tegen ideologieën die mensen als lichte munitie gebruiken voor hun doeleinden. Maar zo lang wij in staat zijn om voorbij onze eigen levens te kunnen denken en handelen, lijkt Le Carré aan zijn lezers te willen zeggen: is er hoop.
Le Carré kan nog veel meer. Korte metten maken met de mythe van het communisme, bijvoorbeeld. Op een elegante, terloopse, (Engelse?) en zeer genoeglijke wijze, zonder de psyche te bombarderen met zwaar geschut. Dan gebruikt hij de ogen van een goedgelovig meisje dat zich aansluit bij de Engelse communistische partij en ’s avonds Daily Workers moet verkopen die niemand wil hebben. 'Sometimes she’d cheat, as the others cheated, and pay for a dozen herself just to go out of it and go home. At the next meeting they’d boast about it - forgetting they’d bought them themselves - “Comrade Gold sold eighteen copies on Saturday night - eighteen!” It would go in the Minutes then, and the Branch bulletin as well. District would rub their hands etc etc.’ Zo in een paar droge zinnen over een schijnbaar futiel leugentje - hoe menselijk! - de kern raken van een ideologie waarover folianten opgewonden kritiek zijn geschreven. En met dat 'forgetting they’d bought them themselves’ de enthousiaste westerse communisten, vaak intellectuelen die ter wille van het aardse walhalla al te graag bereid waren om de waarheid opzij te schuiven, fijntjes onderuit te halen. Wat doet die er ook toe, nu we toch met niet minder bezig zijn dan het bouwen van een betere, nobele en zuivere wereld.
De hooggeplaatste dubbelspion Bill Haydon uit mijn volgende Le Carré, Tinker, Tailor, Soldier, Spy, is een van zulke gelovigen die teleurgesteld zijn in het Westen. Dat geeft hem recht, vindt hij, om zijn makkers op te offeren aan de rode moloch. Zijn personage is gebaseerd op een spion uit de beruchte Cambridge Ring: vier jongens van goede komaf die in de jaren dertig door de geheime sovjetpolitie NKVD werden gerekruteerd. Voor levenslang. Artikel 1 van het pact met de duivel.
In Tinker, Tailor, Soldier, Spy is Haydon een mol die in verbinding staat met de machtige Karla. Deze Karla is gezegend met het psychologische en strategische inzicht van Dostojevski’s grootinquisiteur, en in mystieke nevelen gehuld als Osama bin Laden. Vanuit een sober kamertje in the heart of darkness trekt hij aan de touwtjes, waarbij zijn marionetten bij bosjes en vaak op zeer onaangename wijze het leven laten.
Er is maar één iemand die Karla kan verslaan. En dat is zijn aartsvijand, gewezen geheim agent George Smiley, de mooiste schepping van Le Carré.
Smiley is onhandig, introvert, kleurloos, bebrild, verlegen en alles behalve knap. Smiley heeft geen enkele allure, Smiley lijkt op een uitgebluste ambtenaar en hij is bovendien veelvuldig hoorndrager. Smiley is in alles de tegenpool van zijn collega James Bond, en juist daarom is Smiley echt. Hij is kortom mijn grote held, mijn hoop, mijn injectie tegen het cynisme.
Net als Karla is Smiley gezegend met het psychologische en strategische inzicht van Dostojevski’s grootinquisiteur. Twee titanen zijn het, aan weerszijden van de Muur. Maar waar zit het hem dan in, het verschil tussen die twee?
Zit het hem in die strofe van Auden, die Smiley in zijn jonge jaren had geleerd en die zo nu en dan terloops bij hem naar boven komt drijven: 'Let us honour if we can the vertical man, though we value none but the horizontal one?’ Zit het hem in dat andere, anonieme citaat dat hij zo nu en dan uit zijn geheugen vist: 'The fact that a man dies for a cause doesn’t make this cause right?’ Of zit het hem in zoiets onzichtbaars, ouderwets en absoluut niet sexy’s als het geweten en mededogen? De eigenschappen die ook aan deze, verlichte kant van de Muur steeds meer als obstakels worden gezien in de strijd tegen de nietsontziende vijand.
Bij Smiley zullen ze echter als het nodig is zijn buitengewone intelligentie slijpen tot de precisie van de Zwitserse scherpschutter. In Smiley’s People zal mijn Smiley Karla verslaan. Hij moet wel, om zijn vrienden te wreken en het bloedvergieten te stoppen. Hij zal Karla’s zwakke plek zoeken en vinden - alweer de liefde! - en genadeloos toeslaan. Hij zal die Russische übermensch als een pitbull in zijn greep houden, net zo lang tot deze zich met hangende pootjes aan hem overgeeft. Winnen zal hij, halleluja gloria!
’“George”, said Guillam. “All your live. Fantastic!”’
En Smiley? 'I have destroyed him with the weapons I abhorred, and they are his’, denkt hij. Hij is ontroostbaar. Hij weet: als geheim agent won hij, maar als mens…
Opeens lijkt deze koele Engelse kikker op die onmogelijke, immer woelende tolstojiaanse helden, die fanatieke Russische calvinisten, die al hun doen en laten voortdurend aan hun eigen, zeer streng moreel gericht onderwerpen. Tevergeefs zoekend naar de harmonie tussen hen en de wereld. Die er niet is en die er nooit zal zijn. En dat weet Smiley als geen ander. En ik weet niet waarom, maar juist die wetenschap van hem en zijn wanhoop onder zijn schijnbare onverstoorbaarheid geven me troost, een illusieloze troost, de eerlijkste en de meest paradoxale die er bestaat.
Smiley is weg, maar Le Carré is nog springlevend en richt nu, geheel in de geest van zijn held, zijn pijlen tegen dat andere monster: het kapitalisme. Vanuit hetzelfde ordescheppende idee waarmee het hem als een van de weinigen lukte om de gruwelijke werkelijkheid van de Koude Oorlog in zijn schitterende boeken te vangen.