Ik stond op een kruispunt en het stoplicht weigerde op groen te gaan. Grote grijze lucht boven het IJ, naderende brandweersirene, eindeloze sliert auto’s uitgespuugd door het asfalt. Na wat een eeuwigheid leek ontdekte ik, samen met de hardloopster die naast me op de plaats stond te hupsen, dat het stoplicht écht niet meer op groen sprong. Al drie keer waren de auto’s gestopt en weer gaan rijden, al drie keer waren we stil blijven staan toen we hadden kunnen lopen.

Even daarvoor was ik het huis uit gestormd – kalm nu lieverd, nee gaat niet, ik moet nu nu nú het pand verlaten. No crying over spilt milk, zeggen ze, maar dat was precies wat ik had gedaan: het kostbare flesje melk omgegooid, moedermelk die ik elke dag, meerdere keren per dag, uit mijn lichaam opdiepte (een fulltime baan, las ik ergens). Door zoiets kun je echt over de rand van de waanzin worden geduwd, blijkbaar.

En dus langs het IJ, de puntige gebouwen die een bepaald soort concurrentie aan leken te gaan met de wolken, de koude woedende wind in mijn gezicht, de pas erin – tot die stoplichten, dus. Daar stonden we, de hardloopster en ik. Daar stond ik, nadat de hardloopster haar conclusies had getrokken. Wachtend op een wonder.

Ik voelde me een personage uit de nieuwe Franzen, klein en overgeleverd aan de grote gevoelens die mijn kleinheid in me opriepen. Het kwam in me op dat ik van huis was weggelopen. De laatste keer dat ik zoiets had gedaan was ik veertien geweest. Ruzie met mijn moeder om een rapport, niet omdat het slecht was maar omdat het goed was, gek genoeg. Of nee, eigenlijk komt het me twintig jaar later nog altijd volkomen logisch voor.

Ik hoorde Alex van Warmerdam vertellen over zijn driftaanvallen als kind en tiener. Hij trok het behang van de muur, gooide met borden, trapte een deur in. Op een dag (hij was veertien) had zijn moeder het einde van haar geduld bereikt. Ze pakte een tekening van hem en scheurde die doormidden. Het had hem geschokt. Zijn moeder die iets van hém kapotmaakte, die kunst kapotmaakte. Het leek wel een fascistische boekverbranding. Maar goed, wel effectief dus: hij had daarna nooit meer haar huis gesloopt. Háár huis.

Het was bloedheet, de middag dat ik van huis wegliep vanwege dat rapport

Het was bloedheet, de middag dat ik van huis wegliep vanwege dat rapport. Niemand haalde het in zijn hoofd om op dat uur van de dag over straat te gaan, of überhaupt over straat te gaan. Waar wij woonden verplaatste men zich per auto. Ik herinner me de witheid van het licht, de scherpe schaduwen van bomen en huizen, een hagedis met een afgestompte staart, het stoffige zand dat kleine wolkjes maakte als je erover liep, bruine voeten in teenslippers, het donkere vuil dat zich ophoopte bij de bandjes. Het huis van mijn vriendin was niet erg ver weg, maar ook niet heel dichtbij, zodat ik de mogelijkheid kreeg de wandeling erheen te ervaren als een tocht en een daad, niet zozeer mijn eigen boetedoening als wel die van mijn moeder. Kijk waartoe je je dochter hebt gedreven!

Het was idioot om je eigen huis uit te stormen, om vervolgens, nog geen tien minuten later, te stranden voor een stoplicht dat niet meer op groen sprong. Ik voelde het omgekeerd evenredige van de ik in Louise Glücks gedicht Oktober:

‘Kom bij me, zei de wereld./ Dit wil niet zeggen/ dat ze in exacte zinnen sprak/ maar dat ik schoonheid op die manier waarnam’.

De wereld zei zeker iets, maar dat was niet: kom bij me. Het was, op dat moment, ook absoluut niet verstandig geweest zoiets tegen me te zeggen. Ik kreeg wat ik wilde, een luid en duidelijk nee, precies op het stompzinnige niveau dat ik verdiende.

Mijn moeder was destijds boos omdat mijn rapport goed was terwijl ik haar had voorgehouden dat het slecht zou zijn. Ik was ervan overtuigd dat ik niks kon en alles had verpest, maar ik wist óók dat dit niet waar was. Wat ik wilde, was maximaal effect, een moeder die gloeide van trots omdat ik al haar verwachtingen had overtroffen. Wat ik kreeg was een moeder die me doorzag, die zag hoe dom ik omging met mijn intelligentie en dat niet kon uitstaan.

Van de moeder van mijn vriendin kreeg ik die middag een boterham met pindakaas. Mijn vader haalde me op met de auto. Drie dagen spraken mijn moeder en ik niet tegen elkaar, twintig jaar later ben ik nog altijd een dochter die dat kinderachtig vindt van háár.