Kuil

Ineens is er gehuil. Gehuil dat alle ouders op het strand doet opkijken. Een klein meisje in een roze zonnejurk rent met uitgestoken armen in de richting van een man op een badhanddoek. Die vangt haar op, veegt wat haren uit haar gezicht, kijkt even. Geen bloed. Het kind snikt iets onsamenhangends. ‘Kuil’, versta ik nog net. De vader verstrakt en tuurt in de richting van de zandhoop, waarnaast inderdaad een kuil wordt gegraven. Er komt een schep zand uit de diepte omhoog. ‘Wát?’ zegt de vader. ‘Wie dan?’ Het meisje snikt weer iets, terwijl ze haar hoofdje tegen zijn borstkas drukt. ‘Dat zal toch godverdomme mooi worden’, hoor ik. De vader begint, zijn nahikken­de kind op de arm, in de richting van de kuil te lopen. Boven de rand duikt juist een fors jongenshoofd op. Donkere zonnebril. Brede, blije lach. De boze vader houdt stil en kijkt naar beneden. ‘Zo’, zegt hij tegen het jongenshoofd. ‘Zijn wij zand aan het gooien?’ Vanuit de kuil moet hij een enorme gestalte zijn, denk ik. Een imponerende reus uit de bovenwereld, scherp omrand door zonlicht. Goliath. Maar de jongen met de zonnebril blijft simpelweg lachen, terwijl hij omhoog kijkt. Een blije, wat sullige grijns. ‘Vind je dat normaal?’ blaft de vader hard. Zijn dochtertje is nu muisstil geworden en gluurt met natte ogen naar haar vader. Ze is de enige niet. Iedereen kijkt en wacht af. Ouders met kinderen, tussen begrip en waakzaamheid. ‘Zal ik jou anders even een hap zand in je gezicht trappen?’ zegt de vader dreigend. Zijn dochtertje giechelt tegen zijn borst. Het klinkt haast koket. Het lachje van een petite blondine in de armen van een grote sterke man. Dan neemt de jongen zijn donkere bril af en zegt met een warme, wat nasale stem: ‘Ich verstehe nicht.’ De boze vader verstart. ‘Verstehe nicht’, zegt de jongen nog eens. De vader mompelt iets, drukt zijn dochter tegen zich aan en draait zich om. Terwijl hij wegbeent kijkt de jongen in de kuil hem na. Lachend. In zijn mongoloïde ogen ligt een blik van diepe, ongerichte genegenheid.