…kuit…

Lang geleden, toen God eens honger had, zat Hij dikke noedels met in boter gebakken kabeljauwkuit (geen gewone naakte kuit van kabeljauw natuurlijk, maar net zolang geconfijt in rode peper en zeezout tot hij tarako heette) te eten, gewoon omdat Hij dat lekker vond en omdat Hij nou eenmaal was zoals Hij was en niemand Hem iets kon wijsmaken.

Ging het Hem om die onmenselijk lekkere smaak van de hete boter? Die er bovendien voor zorgde dat de noedels door Zijn mond kronkelden als een kluit puitalen ’s zomers in een warme sloot.
(‘Ik hou er niet van’, zei het halfzieke Surinaamse sloofje in de apotheek toen de apotheekster aan de telefoon 'Godverdomme!’ riep. Omdat een collegaatje zojuist voorspoedig was bevallen van een kind van acht pond. 'Ik kan er niet goed tegen als Zijn naam wordt misbruikt.’ Vergeefs smekend keek ze mijn richting uit.)
Of de bittere dwang die over de smaak van de visse-eieren hing en werd opgevangen door de zoete bijsmaak van de boerenboter? Want daar stond Hij op: dat er echte boerenboter in ging. En er moest zorgvuldig gekweekte Perilla fruitessens doorheen, die kwaadwilligen steevast biefstukplant bleven noemen, en met een duur schaartje tot zigzagjes geknipt, gedroogd zeewier bovenop. Alleen dan had Hij er Zijn hoogste lof: 'goddelijk!’ voor over.
Hij dronk er een Bordeaux Superieur van f10,95 bij. Niet helemaal een godendrank, maar het hielp tegen roos en deed Hem bij de eerste slok altijd een beetje aan laurierdrop denken. Daarna aan verse groente zonder precies te weten welke.
Na de laatste hap veegde Hij met Zijn tong alle in Zijn mond achtergebleven resten bij elkaar, haalde daar nog eens flink Zijn neus bij op en spuugde die melange zo ver Hij kon de lege kosmos in.
'Applaus?’ mompelde Hij met een zenuwachtig lachje.