Ger Groot

Kultur

In vreemde streken zijn het altijd dezelfde plaatsen waar het exotisme tot een nadere kennismaking uitnodigt: de markten en de boekhandels. Het is alsof het land daar zijn bijzonderheid wat onnadrukkelijker prijsgeeft. Wat eet men er – en hoe wordt dat uitgestald? Wat leest men er en wat ligt er in de etalage als het nieuwste, het begeerlijkste, opwindendste?
In Boedapest bleek dat halverwege de jaren zeventig Charles Dickens te zijn. Copperfield David (het Hongaars zet de namen andersom) was net vertaald, heruitgegeven of herdrukt. Plichtmatig kocht ik er mijn exemplaar van Das Kapital, Band 1, op lange schappen klaarstaand tegen de achterwand, weinig en vogue. Alles in de Hongaarse boekhandel ademde verschil met de tegenhangers in het Westen, waar in diverse talen dezelfde bestsellers hun eigen, meestal kortstondige triomfen vierden. Dat onderscheid is inmiddels in Oost-Europa uitgewist. Zelfs in het Roemeense Sibiu domineert Dan Brown de verkooptafels, al legt de betere boekhandel er direct de laatste Vargas Llosa naast, of Gabriel García Márquez of Ian McEwan. Het verschil maken alleen de Roemeense beroemdheden, die ik niet ken – of als ik ze kende niet zou kunnen lezen.
De Duitse boekhandel op het centrale plein van wat oorspronkelijk Hermannstadt heette blijkt intrigerender. Duitse boeken in soorten en maten, veel over de plaatselijke cultuur die zichzelf nog altijd trots ‘Saksisch’ noemt. Ooit werd de stad, zoals zovele in de buurt, gesticht door ‘Duitse’ kolonisten, die in werkelijkheid – naar het schijnt – voornamelijk uit Luxemburg afkomstig waren. Veel zijn er niet meer over. Gedecimeerd werden ze na de Tweede Wereldoorlog door Stalin als straf voor hun collaboratie weggevoerd naar onherbergzamer streken. Wie blijven mochten, werden onteigend en geproletariseerd; het was hun economisch veelal goed gegaan. Ook zij vertrokken, toen Helmut Kohl hen na de val van het Oostblok de Duitse nationaliteit en bijbehorende oudedagsvoorzieningen aanbood. Het handjevol dat rest is kennelijk genoeg om een Duitse boekhandel te rechtvaardigen – inmiddels dankzij het toerisme zichtbaar opgefleurd.
Daar vind ik op de leestafel plots ándere literatuur. Eginald Schlattner, nooit van gehoord, een plaatselijke dominee, drie titels, uitgegeven in Wenen en München maar onmiskenbaar van Transsylvanische signatuur. Twee van zijn romans koop ik, zoals je op de markt een lokale lekkernij meeneemt. Niet alle literatuur is universeel – of wil dat zelfs zijn – zonder daarmee haar belang te verliezen. Ook voor de lezer beloont het reizen zichzelf in het vinden van wat alleen ter plaatse groeien wil.
Das Klavier im Nebel, Schlattners laatste uit 2005, valt in het vliegtuig onderweg naar huis niet tegen. Een breed opgezette familieroman over de geprangde Duitse cultuur in een naoorlogs bestel dat haar om vele redenen niet welgezind was. De familie in kwestie wordt uit huis verjaagd, van de fabriek beroofd die zij tot bloei gebracht had, het gezinshoofd langdurig opgesloten. Parallel daaraan verkommert snel de burgerlijke beschaving: een Kultur van boeken en piano’s, die hoogstens binnenskamers, half verborgen kon worden doorgegeven.
Dat is dus ook literatuur: het koppig vasthouden aan wat gekoesterd wordt als het eigenste, maar dat langzaam ten onder gaat. Dat heeft geen mondiale betekenis, al is het voor wie Duits leest mondiaal wel leesbaar, maar dan als iets exotisch en als een bron van historische informatie. Niet van herinnering en al evenmin van formele esthetiek, die literatuur volgens een alweer afkalvende orthodoxie zou moeten zijn. Misschien is Das Klavier im Nebel wel mooi geschreven, maar daar heb ik het niet voor gekocht en lees ik het niet voor – zoals het ook het boek dáár niet om te doen is.
De keerzijde daarvan blijkt snel. Zoals een plaatselijke lekkernij niet meer dezelfde smaak heeft wanneer ze, eenmaal uit de koffer gepakt, opnieuw geproefd wordt, verliest Schlattners boek na thuiskomst ongemerkt zijn urgentie. De wereld waarin het thuishoort is reisherinnering geworden, niet sterk genoeg om ook nog eens de levensherinneringen waarvan het vertelt opnieuw op te wekken. Al een week lang ligt het onaangeroerd op tafel, een boarding pass tussen de bladzijden waar ik gebleven was.
Nieuwe leesopdrachten en nieuwe smaken roepen om aandacht. En weer een week later is, met een paar vakantiedagen op de Wadden, het plaatselijke exotisme van een totaal andere aard geworden. Moet ik, zo vraag ik me plots af, nu Sil de strandjutter gaan lezen? Het staat me weinig aan en ik ben Schlattner eigenlijk nog iets verplicht. Iets van bewondering voor die koppige Kultur in wat een uithoek van Europa werd. Het moment van in de boekenkast wegzetten kan wel even worden uitgesteld. Enkele honderden bladzijden Balkan-historie wachten nog.