Pieter de Coninck, Een les uit Pruisen: Nederland en de Kulturkampf, 1870-1880

Kulturkampf

Pieter de Coninck

Een les uit Pruisen: Nederland en de Kulturkampf, 1870-1880

Verloren, 432 blz., € 40,-

De aanwezigheid van een grote groep aanhangers van een religie die de liberale samenleving en de democratische rechtsorde afwijst, en wier loyaliteit in de eerste plaats een of andere vreemde mogendheid geldt, wordt tegenwoordig door velen gezien als een van de ernstigste problemen waarmee ons land wordt geconfronteerd. Een kleine anderhalve eeuw geleden was dat ook zo, al ging het toen niet om moslims maar om rooms-katholieken. Zoals nu een enkele politicus stoer verkondigt dat hij «hoofddoekjes rauw lust», zo waren toen velen op het etiket «papenvreter».

Na de Franse Revolutie hadden de op een volgende pausen zich ontpopt tot de felste tegenstanders van het liberalisme en de mo derne samenleving en zich gekeerd tegen za ken als de scheiding van kerk en staat, godsdienstvrijheid, persvrijheid, secu lier staatsonderwijs en nationalisme. Bovendien was in 1870 het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid afgekondigd, waardoor duidelijk was aan wie de gelovige moest gehoorzamen.

In landen waar katholieken een forse minderheid vormden werd openlijk getwijfeld aan hun loyaliteit aan het vaderland. Een Nederlands liberaal weekblad schreef dan ook: «Hun ware vaderland is het nieuw Jeruzalem aan den Tiber.» Zij werden gezien als «ultramontanen» (ultra montanos is «aan de andere kant van de bergen»).

In Duitsland vaardigde de aartsconservatief Bismarck een grote reeks wetten uit waarmee de autonomie van de katholieke kerk in ernstige mate werd aangetast. De staat begon zich te bemoeien met opleiding en aanstelling van geestelijken en veel kloosters werden gesloten. Weerspannige bisschoppen en priesters werden gevangen gezet, anderen vluchtten naar het buitenland. In deze «Kulturkampf» werd de IJzeren Kanselier gesteund door de meerderheid der Duitse liberalen.

In Nederland werd heel anders ge rea geerd op het ultramontaanse of «zwarte gevaar». De fel antiroomse calvinisten wa ren tegen maat regelen zoals die in Duitsland werden genomen, omdat de staat hiermee op on toelaatbare wijze ingreep in interne kerkelijke aangelegenheden. De overgrote meerderheid van de liberalen vreesde dat een dergelijke repressie averechts zou werken.

De Coninck laat in zijn fraaie dissertatie zien dat dit verschil niet kan worden afgedaan met een verwijzing naar een vermeend andere «volksaard» of «politieke cultuur», waardoor het «schikken en plooien» in de genen zou zijn gaan zitten. Hij wijst op een hele reeks specifieke factoren waardoor het in Nederland, waar antipaapse sentimenten niet minder hevig waren dan in Duitsland, niet tot een openlijk re pressieve politiek kwam.