‘U mag de rode lijnen volgen naar de afdeling neurologie.’ Mag, zegt de vrouw achter glas, alsof ik een keuze heb. Dus ik achter die lijnen aan.

Als ik de afdeling heb gevonden, trek ik een nummertje en ga ik zitten. Om me heen allemaal grijze bolletjes die omhoog turen naar een scherm waarop steeds nummers verschijnen. ‘Mijn beurt’, zegt de oude baas in een stoel tegenover me, en staat met moeite op.

Dit ziekenhuis is ooit gebouwd als een dependance van een kerk. Het zit nog in de naam. In het aangezicht van leed en ziekte zijn we allemaal verloren zielen, denk ik een beetje pathetisch terwijl ik mijn rugzak neerzet. Erg lang kan ik er niet op mediteren, mijn nummer verschijnt al gauw.

Ik word opgehaald door een vriendelijke zuster. Ze geeft me een soort schort en laat me zien waar ik me kan omkleden. Als ik klaar ben, legt ze me geduldig uit wat een fMRI is – een serie scans van de hersenen die de activiteit ervan in kaart brengen – en hoe de machine werkt. Het ding ziet eruit als een vliegtuigmotor. ‘Wil je muziek op?’ vraagt ze. ‘Het is nogal een lawaai daarbinnen.’ Liever niet, maar ik krijg toch twee oortjes in zodat de vrouw me tijdens de procedure instructies kan geven.

Het infuus is voor de contrastvloeistof, zegt ze. ‘Zit het allemaal goed zo?’ Zo ongeveer wel ja. Het laatste wat ik zie voordat ik de magnetron word ingeschoven is het bekende blauwe logo van Philips. Vreemd geruststellend in deze context. ‘Knipper als je me kunt horen.’ En dan ontstaat me toch een kabaal.

Ik probeer het geluid te negeren door mezelf af te leiden. Wat is een betere plek om na te denken over de geschiedenis van het zelf dan in een hersenscanner? Elke keer als een elektronische stem zegt: ‘de volgende scan duurt vijf minuten’, moet ik aan Lieke Marsman denken.

De meesten van ons hebben een vanzelfsprekend gevoel van innerlijke samenhang. Het gevoel dat alles wat we zien, voelen en ervaren niet gefragmenteerd en onsamenhangend is, maar op de een of andere manier bij elkaar hoort. Gedachten, herinneringen, gevoelens: ze zijn van ‘mij’. We weten allemaal waar we het over hebben als we ‘ik’ zeggen, en toch is het een glibberig onderwerp.

Probeer maar eens uit te leggen wat dat zelfgevoel precies inhoudt. Als ik het heb over mijn ‘zelf’, heb ik het dan over mijn innerlijke theater van gedachten, of de contouren van mijn huid? Waar eindigt mijn lichaam en begint mijn geest? Kan ik mezelf eigenlijk wel kennen?

Voor een denker als Descartes was het duidelijk: ik denk, dus ik ben. Het is het beroemdste gezegde uit de westerse filosofie. Dat samenvallen van het zelf met je gedachten was lange tijd de norm. Ver vóór Descartes zei de Egyptische filosoof Plotinus al iets soortgelijks. Nog altijd is ons zelfbewustzijn een belangrijk aspect van ons zelf, maar niet meer het enige.

Er zijn veel verhalen te vertellen over de geschiedenis van het zelf. Een overzicht schiet noodzakelijk tekort. U moet het me maar vergeven: ik lig in een hersenscanner, tenslotte.

Ooit, laten we zeggen in de Middeleeuwen, hadden we een ziel. De ziel was immaterieel en onsterfelijk; heel en ondeelbaar. Na mijn dood leefde mijn ziel voort. Ergens, in een hemel of een hel, of iets ertussenin, dolen nu nog alle talloze zielen van de mensen die tot nu toe leefden. Althans, dat stel ik me zo voor.

Mijn lichaam was gastheer van de ziel. Als je geboren werd kwam je ziel in je lichaam, verbleef er een poosje, stuurde het geheel aan, en verdween dan weer met de dood. Lichaam en ziel stonden zo tegenover elkaar. Dat was eeuwenlang de overtuiging van velen, in Europa althans: dat het stoffelijke lichaam aan de ene kant stond, en de onsterfelijke ziel aan de andere.

Zo zadelde de predikant ons op met een zondig lijf en een geest met morele verantwoordelijkheid. De geneeskunde ontwikkelde zich juist in tegenovergestelde richting: zij beschreef het lichaam als een soort ontzielde machine, waardoor we ziekte zijn gaan zien als een mechanisch defect.

In de zeventiende eeuw werd die harde scheiding tussen lichaam en geest in twijfel getrokken door Verlichtingsdenkers, in het bijzonder door John Locke. Nu hoor ik u denken: John Locke? Was dat niet de Engelse liberale politiek filosoof? Ja, ook. Maar naast filosoof was hij arts, en hij bedacht dat een deel van onze ziel afhankelijk moet zijn van het lichaam: een deel van de ziel hóórt volgens hem bij het lichaam.

Ik zie het hem schrijven, bij kaarslicht: ‘The body too goes to the making of the man.’ En net als ons lijf, kan het lichamelijke deel van onze ziel ziek of gezond zijn. Niet goed of fout, zoals onze christelijke broeders dachten, maar ziek of gezond.

Dat luidde een nieuwe manier van denken over onszelf in. Een die voortduurt tot op de dag van vandaag, en waardoor we misschien wel kunnen zeggen dat de grondlegger van de psychologie niet Descartes is, en zeker niet Freud of Jung, maar John Locke. Hij noemde dit materiële aspect van de ziel de ‘mind’. En zijn inzicht leidde tot de studie van de moderne psychologie: het categoriseren, beschrijven en proberen te begrijpen van het materiële aspect van de ziel.

Het is jammer dat we in het Nederlands geen woord hebben voor mind, laten we het dus maar op ‘geest’ houden. In elk geval werd het mogelijk om te bestuderen op welke manieren onze geest ziek of gezond kan zijn. Er was daarmee een belangrijke stap gezet in de transformatie van de ziel naar het zelf: de erkenning dat lichaam en geest op de een of andere manier bij elkaar horen.

Het gebonk stopt even. Ik hoor een klik door mijn oortjes. ‘Lig je nog goed?’ vraagt de vrouw.

‘Ja, prima’, lieg ik.

‘Oké. Dan ga ik nu de contrastvloeistof toedienen.’

Voor freudianen was de geest een huis vol onontdekte kamers. Het grootste deel van onszelf is gehuld in duisternis, zagen ze

Ik dacht eerlijk gezegd dat die allang was toegediend, maar dan voel ik door mijn linkerarm een koud stroompje lopen dat langzaam richting mijn nek en hoofd kruipt. En dan begint de machine weer te bonken en te zoemen.

‘Amerika is als geen ander land ontvankelijk voor het idee van mentale genezing’, kopte The New York Times in 1913. Drie jaar ervoor zei Sigmund Freud tegen Carl Jung terwijl hun schip de haven van New York in voer: ‘Ze hebben geen idee, maar we brengen ze de pest.’

Wat de psychoanalytici in werkelijkheid kwamen brengen was een idee van het zelf. Een verdeeld zelf. Een zelf dat niet onsterfelijk was, zoals de ziel dat ooit was, maar vergankelijk en kwetsbaar. Net als Locke geloofde Freud dat onze geest niet goed of slecht is, maar ziek of gezond. En wat ons ziek maakt is het conflict tussen de verschillende versies van onszelf ín onszelf.

De geest was voor freudianen niet iets transparants, niet de koele zelfkennis van Descartes, maar juist een huis vol onontdekte kamers. Het grootste deel van onszelf is gehuld in duisternis, zagen zij. Er zijn vele verdrongen versies van onszelf: de driften en de onacceptabele gedachten die steeds weer aan de deur kloppen. Zo zit ons zelf ingeklemd tussen de noden van het lichaam en de morele eisen van de buitenwereld. En tegelijk houdt het al die verschillende versies van onszelf bij elkaar.

Niet geheel toevallig schreef Freud dit alles op in het Wenen van rond 1900: een multiculturele stad, vol progressieve stemmen, liberalen, conservatieven. Op de straathoeken kon je zowel Sachertorte als anarchistische pamfletten kopen. Ons zelf is een smeltkroes, zag Freud: een parlement vol tegenstrijdigheden.

Nu was Freud natuurlijk niet de eerste die dit beweerde, schrijvers en dichters gingen hem voor, maar de freudiaanse beweging was wel erg effectief in het uitdragen van de boodschap. Binnen de kortste keren werden psychoanalytische opvattingen over ons mentale leven in Europa en de VS gemeengoed. En vandaaruit verspreidde het zich over de hele wereld. De spreekkamer werd het laboratorium van het humanisme; de divan de nieuwe biechtstoel.

We begonnen onszelf te zien als psychologische wezens. Bij Freuds overlijden schreef W.H. Auden over hem dat zijn gedachtegoed een climate of opinion was geworden. Tot op zekere hoogte waren we nu allemaal freudianen. In elk geval was de ziel definitief naar de achtergrond verdwenen; de twintigste eeuw was de eeuw van het zelf.

Plotseling stopt het geraas om me heen. Ik lig al zo lang stil dat ik mijn armen en benen niet meer voel. Met wat moeite hijs ik mezelf uit het apparaat. De vrouw komt me tegemoet: ‘Over drie weken krijgt u de uitslag. De dokter zal die met u bespreken.’ Het is vreemd, maar ik voel dat de vrouw koeler tegen me is nu de procedure is afgelopen. Een goed teken, denk ik hoopvol, misschien is er niks op de scans te zien. Ik kleed me aan en loop langs het park naar de tramhalte. Al met al ben ik blij dat het voorbij is.

Het gekke aan dat zelf van Freud is dat het enerzijds zo onsamenhangend is, de geest bestaat volgens hem uit losse, tegenstrijdige elementen: gevoelens, gedachten, geweten. En toch is het een theorie die nog altijd probeert een coherent beeld van ons zelf op te bouwen. Uit de vroege psychoanalyse klinkt een bijna naïef wetenschappelijk optimisme: ooit zullen we ons gebroken zelf helemaal doorgronden.

En dan komt het postmodernisme. Postmodernisme is zo’n term waar niemand blij mee is, ook de postmodernisten zelf niet. Toch horen ze op de een of andere manier bij elkaar: de Foucaults en de Derrida’s, de Lacans en de Deleuze’s. Vanuit de glazen torens van de Franse academie trokken zij, en met hen vele aanhangers, de samenhang van het zelf nog veel verder in twijfel dan de freudianen ooit hadden gedaan. Ze lieten hun zien dat wat wij als ons zelf beschouwen, eigenlijk helemaal niet van onszelf ís, maar is opgebouwd uit onpersoonlijke verhalen en structuren.

Dat wil zeggen: de taal die ik spreek, en waar ik mezelf mee beschrijf, is niet van mij. De taal is van mijn ouders, mijn generatiegenoten, mijn land. Taal is iets onpersoonlijks: wie zichzelf beschrijft, is altijd afhankelijk van de woorden van anderen. Woorden die een geschiedenis hebben die buiten mijzelf ligt. Mijn zelf is dus niet van mijzelf.

Postmoderne filosofen belichtten, allemaal op hun eigen manier, de verschillende wijzen waarop ons zelf ‘gedecentreerd’ is: opgebouwd uit de woorden van anderen. Ze deconstrueerden het zelf.

Als ik ze lees, deze filosofen, duizelt het me altijd een beetje. En dat is het punt. Hun doel is om de vanzelfsprekendheid van onze ervaring in twijfel te trekken. Hetzelfde geldt voor postmoderne literatuur: fragmenten, losse flarden, historische teksten, subjectieve impressies wisselen elkaar daarin gemakkelijk af. Dat heeft iets speels, iets bevrijdends, maar ook iets ongegronds. Er ligt een soort relativisme op de loer. Het is alsof we nu zouden kunnen kiezen wie we willen zijn. Niets ligt meer vast; alles is mogelijk. En waar is het lichaam in dit verhaal?

Naast allerlei maatschappelijke veranderingen, is het postmodernisme medeverantwoordelijk voor een soort fluïditeit van ons zelf. Maar hoezeer zulke denkers ons zelf ook op de proef stellen, we kunnen niet ontsnappen aan dat vanzelfsprekende gevoel van ‘ik-zijn’, van Descartes’ ‘ik denk, dus ik ben’, van de eerste persoon enkelvoud. Hoe graag je het ook wil onttronen. Bovendien zijn we nog altijd een lichaam, waar onze gedachten ontstaan in de cerebrale cortex.

Onlangs mocht ik spreken op de boekpresentatie van een bevriende psychiater. Zijn boek gaat over neuropsychoanalyse, een vakgebied waar inzichten uit de psychoanalyse worden gekoppeld aan neurowetenschap. Het is een onderwerp waar ik als doorgewinterde alfa niet zoveel mee kan, maar wat ik wel zie is dit: het getuigt van een hernieuwde poging om de geesteswetenschappen en neurologie met elkaar te verbinden. Om lichaam en geest bijeen te brengen.

De belofte van Locke is nog niet ingelost. We weten nog steeds niet precies hoe lichaam en geest in elkaar haken. En dus zijn we er ook nog niet over uit: wat ons zelf is, en waar het uit bestaat. Maar de zoektocht ernaar blijft gewoon doorgaan. Er is in elk geval nog niets beters voor in de plaats gekomen. We leven nog altijd in het tijdperk van het zelf.

‘Meneer Eaton, we hebben niks gevonden’, zegt de dokter, een paar weken na de scan. Het is een hippe jongen, veel jonger dan ik. Ik slaak een innerlijke kreet van opluchting. ‘Geen afwijkingen te zien. Hier zie ik twee kleine puntjes’, hij wijst naar zijn computerscherm, ‘maar die kunnen we vergeten. Waarschijnlijk zijn dat vaatjes. Verder is alles helemaal clean. U heeft een mooi stel hersenen.’ Ik kan wel een dansje doen.

‘Mag ik je een brutale vraag stellen?’ zeg ik.

‘Natuurlijk’, zegt de man en gaat er wat beter voor zitten.

‘Mag ik een foto nemen van de scan? Ik ben psycholoog en vind het wel interessant om een afbeelding te hebben van mijn brein. Wij zijn ons brein, tenslotte.’

‘Zeker!’ De dokter lijkt nog enthousiaster dan ik. ‘Zullen we samen een mooie uitzoeken?’ De man scrolt door tientallen foto’s, die er voor mij allemaal precies hetzelfde uitzien, tot hij stopt bij één met nogal veel kronkels. Mijn hersenen zien eruit als een soort vreemde grijze walnoot. ‘Deze is mooi, vind je niet?’ zegt hij. ‘Deze is perfect’, zeg ik, en dan neem ik mijn eerste hersenselfie. 