Kunnen die muren ook weg?

Ze was meer dan ‘een schaduwfiguur naast, maar vooral achter Rietveld’. Truus Schröder-Schräder was het ‘geweten’ van de uitvinder van het Nieuwe Bouwen.

Gerrit Rietveld en Truus Schröder in 1963

In haar dagboek sprak Truus Schröder zichzelf in 1924 streng toe: ‘In de vakantie en feestdagen niet meer snoepen dan anders. En niet meer eten. Niet te veel kaartspelen, niet te veel film, niet te veel uit in Amsterdam, niet te veel schouwburg. Niet te veel praten.’ Opmerkelijk behoudend voor iemand die net was verhuisd naar het modernste huis van Nederland, ontworpen door meubelmaker Gerrit Rietveld en haarzelf. Cultuurhistoricus en journalist Jessica van Geel schreef een knappe, toegankelijke biografie van een vrouw die precies wist wat ze wilde en strak regisseerde wat anderen van haar wisten. In de meer dan vierhonderd pagina’s van I Love You Rietveld staat Truus Schröder-Schräder (1889-1985) voor het eerst in het middelpunt; haar grote liefde Rietveld blijft op de tweede plaats.

In 1911 ontmoetten ze elkaar. Gerrit hielp zijn vader in diens meubelmakerij, Truus Schräder was pas getrouwd met Frits Schröder, advocaat en net als zij katholiek. Ze betrokken een statig herenhuis aan de Utrechtse Biltstraat, hun drie kinderen zouden er geboren worden. Gerrit kwam met vader Jan de schrijftafel afleveren die Schröder als relatiegeschenk had gekregen, een klassiek eikenhouten meubel met krullen en smeedijzer. Truus vond die ornamenten maar niks, en dat mochten de Rietvelds weten: ze zei dat ze zag dat het goed gemaakt was maar het was helemaal niet ‘wat ze zocht in het leven’, veel liever zag ze iets moderns, iets zoals Berlage maakte. Vader Rietveld verdedigde zijn vakwerk, zoon Gerrit keek haar aan ‘met een blik van verstandhouding’. Hij begreep haar.

Deze dialoog heeft Schröder tot het eind van haar leven herhaald voor iedereen die haar vroeg over haar kennismaking met Rietveld. Over wat er in de jaren daarna gebeurde was ze minder openhartig. Ja, hij kwam zo af en toe langs bij hun buitenhuis, in Huis ter Heide bij Zeist, ‘om meubels te repareren’. Niet alleen zij, ook Gerrit was in 1911 al getrouwd: hij met Vrouwgien Hadders, een vijf jaar oudere gereformeerde verpleegster, ze kregen zes kinderen. Pas toen Vrouwgien in 1957 overleed, trok Gerrit bij Truus in. Háár echtgenoot was al in 1923 overleden, al die jaren was hij overdag bij Truus geweest en ’s nachts bij Vrouwgien.

Truus wist haar privé-archief zo te plooien dat veel van wat binnenskamers gebeurd was daar ook bleef. Er bleef een aantal briefjes over van ‘Rietje’ aan haar, soms ondertekend met ‘I love you’ of ‘i l y v v m’. Dat Van Geel toch een tot aan het eind boeiende biografie heeft weten te schrijven, is te danken aan wat ze wél naar boven wist te krijgen: al dan niet gepubliceerde interviews en archiefmateriaal. Daarnaast waren er de aantekenschriften die Truus jarenlang bijhield en die pas onlangs opdoken.

Het boek vertelt in korte, chronologisch opeenvolgende hoofdstukken in de eerste plaats de levensgeschiedenis van Truus, hoe zij zich ontpopte tot belangrijkste assistent, inspirator en ‘geweten’ van de man die het Nieuwe Bouwen uitvond, een stoel ontwierp die zijn naam draagt, en dat ene huis aan de Prins Hendriklaan in Utrecht waar zij kwam te wonen. Anders dan de uitgesproken Nelly van Doesburg, die er na de vroege dood van haar man Theo voor zorgde dat zijn werk en dat van De Stijl internationale bekendheid zouden krijgen, werkte Schröder ingetogen. Van Geel vertelt beeldend over Truus’ voorliefde voor het wonen op de eerste verdieping, niet verheven, wel ‘terughoudend en licht losgezongen van de werkelijkheid’. Over hoe ze samen met Rietveld haar nieuwe huis indeelde, van binnenuit, met ruim uitzicht naar buiten.

Binnenhuisarchitectuur moest de bewoner prikkelen tot activiteit

Toen hij de plattegrond van de eerste verdieping had getekend, met kamers voor de meisjes, voor haar zoon Binnert en voor haarzelf, vroeg ze: ‘Kunnen die muren ook weg?’ En zo ontstonden de wereldberoemde schuifmuren. Ieder detail werd besproken, met Rijksmuseum-achtige doelgerichtheid moest de buitenmuur zeven keer opnieuw geschilderd om de juiste tint grijs te vinden. De vloerbedekking, in witte en gekleurde vlakken verdeeld, moest worden aangepast omdat de eettafel half op een wit en half op een grijs vlak stond, en ‘daar werd Truus zo moe van’.

Er kwamen ontwerpopdrachten die Truus en Gerrit samen aannamen, met hun eigen bureau ‘Schräder en Rietveld Architecten’: zij was het scherpe oog, koos kleuren, stoffen, hij bedacht de constructie, de meubels. Truus had duidelijke ideeën over binnenhuisarchitectuur: die moest de bewoner activeren, prikkelen tot activiteit. Volgebouwde kamers waren afleiding, leeg was beter dan vol. Niet te veel.

Daarnaast zijn er de levens van de kinderen die kleur brengen aan het afgeschermde levensverhaal en de wereldgeschiedenis daarachter. Bijvoorbeeld over Bep Rietveld, oudste dochter van Gerrit: zij kreeg schilderles van Charley Toorop, werd als achttienjarige zwanger van Toorops geliefde, vertrok naar Indië, kwam na de kampen daar terug in Amsterdam met nog twee kinderen, en zou blijven schilderen. Han, Truus’ jongste dochter, vertrok naar Zürich om bouwkunde te studeren, werd verliefd op haar 22 jaar oudere hospita. Truus keurde de liefde goed, ze bleven hun leven lang samen, met onderbrekingen. Han stuurde tijdens de oorlog vanuit Lissabon voedselpakketten naar Utrecht en werd docent binnenhuisarchitectuur in de VS. Tussen de families Rietveld en Schröder was het kil.

Een minder prominente rode draad in haar leven, maar duidelijk blootgelegd door Van Geel, is de beperkte bewegingsvrijheid voor vrouwen. Truus’ vader (haar moeder overleed toen ze vier was) kon zich ‘niet voorstellen dat een vrouw gelukkig zou zijn als ze het in de studie zocht’. Truus gehoorzaamde, behaalde alleen haar diploma apothekersbediende en las daarna alles wat haar interesseerde (Montessori, Steiner, Clara Wichmann en Carry van Bruggen), haar oudere zuster An was tegendraadser en studeerde in Amsterdam als een van de drie vrouwen tussen 37 mannen af in de staatswetenschap. In 1930 richtte ze De Werkende Vrouw op, een feministisch maandblad. Gerrit ontwierp het omslag en schreef een paar artikelen, net als Truus.

Truus was geen strijdvaardige feminist; de integratie van vrouwen als gelijkwaardige arbeidskrachten moest geleidelijk gaan, vond ze. Wel was ze tot op hoge leeftijd actief bij de soroptimisten, de vereniging voor werkende vrouwen. Tijdens de samenwerking met Rietveld bleef ze bij besprekingen met klanten in de auto zitten; een vrouw als compagnon aan tafel werd vreemd gevonden. Wel hamerde ze op erkenning voor haar inbreng in de vroege ontwerpen van Rietveld en op haar naam in de door haar na zijn dood opgerichte stichting die het pand aan de Prins Hendriklaan moest onderhouden en het archief beheren. Truus liet zich niet graag zien. Han omschreef haar moeder als ‘een schaduwfiguur naast, maar vooral achter Rietveld’. Dat was, concludeert Van Geel, een lastige positie voor iemand zonder talent voor onzichtbaarheid.

Pijnlijk voelbaar was dat gebrek bij de begrafenis van Gerrit: Truus sloot de kinderen Rietveld buiten de organisatie van de plechtigheid, het was nu háár man. Truus Schröder overleed zelf in 1985 op de bovenverdieping van het huis dat ze met de liefde van haar leven had gebouwd en ingericht, ze liet zich in Bilthoven naast Rietveld begraven. In 1995, al Truus’ kinderen waren overleden, lieten de dochters Rietveld en de weduwen van de zoons hun vader herbegraven in het familiegraf in Utrecht. Zodat hij alsnog niet meer naast háár lag.