Kunstmatige intelligentie versus het menselijk hart

Kunnen robots lezen?

Momenteel staan wij, mensen, bovenaan in de hiërarchie. Maar voor hoe lang nog? In rap tempo wordt er een onvoorspelbare tegenstrever ontwikkeld die we naar alle waarschijnlijkheid niet zullen kunnen beheersen.

Medium groene essay   1 winterson

We kennen het allemaal wel: zo’n moment waarop je, zowel op cognitief als op fysiek niveau, pure vreugde ervaart. Een vreugde die lijkt voort te komen uit het feit dat je je echt mens voelt. Het kan muziek zijn. Het kan de adrenalinekick zijn na het hardlopen, na een eind fietsen of na een duik in koud water. Het kan de ondergaande zon zijn. Een kus op een brug. Het kan zijn dat je iets leest dat je doet opspringen van enthousiasme. Het is verbondenheid – met sterren, met vissen, met elkaar, met onszelf, met het leven.

Het heeft iets religieus – en dat is het ook, in die zin dat religie een stelsel is van gebruiken die van ons verlangen dat we het stoffelijke overstijgen. God of geen God, er zijn van die momenten waarop het gevoel echt mens te zijn, het gevoel echt te leven, gepaard gaat met een gevoel dat je meer bent dan een mens, dat het leven meer is dan een stoffelijke, biologische, willekeurige verzameling atomen.

Soms vragen we ons af hoe we kunnen sterven als onze geest zo sterk is, als ons voorstellingsvermogen zo groot is. Wie ooit een dood lichaam heeft gezien weet hoe schokkend dat is. Je ziet het lichaam – maar waar is het leven gebleven? Het levende dat we kenden, dat ons dierbaar was en dat we begrepen.

Het is niet verwonderlijk dat we een hiernamaals hebben bedacht, een hemel voor onszelf en een hel voor anderen. Het is niet verwonderlijk dat leven-na-de-dood-religies nog altijd zoveel invloed hebben. Zelfs voor niet-gelovigen, die ervan overtuigd zijn dat het leven ophoudt bij de fysieke dood, is het moeilijk te bevatten dat alles wat wij zijn zomaar zou verdwijnen. Na alles wat we hebben geleerd en uitgerekend als we misschien eindelijk wat wijzer zijn, wat milder, vallen we dood neer.

Wat is dat voor systeem? Het is een systeem waaraan momenteel hard wordt gewerkt. Een systeem dat consequenties heeft die we niet kunnen overzien. De verandering die op komst is, zal de meest ingrijpende worden in de geschiedenis van de mens – vergelijkbaar met het ontstaan van de homo sapiens. Veel groter dan de industriële revolutie en ingrijpender dan alles wat we tot nog toe hebben meegemaakt in de digitale wereld waarin we momenteel leven.

Dertig jaar geleden heb ik De passie geschreven. In die roman staat de volgende zin: ‘Wat je op het spel zet, laat zien wat je waarden zijn.’ Goed dan, wat zetten we op het spel? Wat zijn onze waarden? We weten dat we bereid zijn de toekomst van de aarde op het spel te zetten, wat laat zien dat we weinig waarde hechten aan de diepblauwe planeet die we bevolken. We weten dat we geen waarde hechten aan een mensenleven. Hoeveel oorlogen moeten er nog volgen, hoeveel hongersnoden, droogten, fabrieksbranden, onbetaalbare medicijnen, ondermaatse huisvesting, werkloosheid – kortom: alles wat we bereid zijn op het spel te zetten, ten koste van anderen, uit een zucht naar macht en geld?

***

Maar inmiddels speelt er iets anders – waarover we lezen als ‘verregaande automatisering’ – robotica – waardoor allerlei banen verloren zullen gaan. En zo langzamerhand beginnen we ons af te vragen wat mensen de hele dag moeten doen als ze geen werk hebben, en hoe het kapitalisme zelf zal functioneren als we alles kunnen produceren wat we maar willen, maar er geen geld is om het aan te schaffen. Er wordt inmiddels gepraat over de noodzaak van een universeel basisinkomen, over het feit dat we de betekenis van werken moeten herdefiniëren – evenals de betekenis van beloning. Sterker nog, we zullen moeten herdefiniëren wat we verstaan onder betekenis, want mensen lijken het prettig te vinden om werk te hebben – zolang het geen onzinnig werk is.

We zijn ons er dus van bewust dat er meer robots zullen komen. En we zijn ons ervan bewust dat dit een aardverschuiving betekent binnen ons economisch bestel. We praten al tegen ‘Siri’ op ons mobieltje, en tegen ‘Alexa’ in de keuken, en telkens wanneer we googelen communiceren we met kunstmatige intelligentie. We hebben een vaag besef van het internet der dingen, en we hebben allemaal films gezien als Her, waarin je een verhouding kunt beginnen met een besturingssysteem, of Terminator T-1000, waarin de toekomst van de mensheid wordt beslecht in de strijd tussen een op hol geslagen computer en Arnold Schwarzenegger.

Sci-Fi is nu wifi. Het onmogelijke zit al in ons huis en onze handtas. Een iPad anno 2017 is net zo snel als de Cray supercomputer uit 1985. Een computer is een instrument. Een algoritme is een instrument. Het internet is een instrument. Wat zal er gebeuren wanneer we niet langer instrumenten maken maar een autonome, intelligente levensvorm het licht doen zien?

Momenteel staan wij, mensen, vooraan in de voedselketen, bovenaan in de hiërarchie. We hebben geen tegenstrevers. Dus gaan we een tegenstrever ontwikkelen die al onze waarden zal tarten – en ditmaal zetten we niet de toekomst op het spel van alle andere diersoorten, van het milieu en van de aarde, maar van de mensheid zelf – ik heb het over de mensheid, niet over mensen. Waar het hier over gaat, is wat de mens tot mens maakt. We zijn bereid de aarde te delen – in ieder geval voor korte tijd – met een vorm van intelligentie die we naar alle waarschijnlijkheid niet kunnen beheersen. Ik citeer Stephen Hawking over kunstmatige intelligentie: ‘In tegenstelling tot ons brein verdubbelen computers hun prestaties elke anderhalf jaar – er bestaat dus een reëel gevaar dat computers zelfstandig intelligentie zullen ontwikkelen en de wereld zullen overnemen.’

Wat je op het spel zet, laat zien wat je waarden zijn…

Nick Bostrom, de schrijver van Super-intelligence, staat aan het hoofd van het nogal sciencefiction-achtig klinkende Future of Humanity Institute van University of Oxford. Bostrom is ethicus en hij spreekt waarschuwende woorden over wat we momenteel aan het doen zijn – en met name over de manier waarop we kunstmatige intelligentie een menselijk aanzien geven. Dat doen we omdat het voor ons de enige manier is om ermee om te gaan: we vinden het prettig om tegen ‘Siri’ te praten, of tegen ‘Alexa’, of om te spelen met een schattige Japanse robot die naar ons zwaait en die eruitziet als een Disney-figuurtje, of als een versie van onszelf.

Kunstmatige intelligentie zal nooit met het verkeerde been uit bed stappen, zal niet irrationeel handelen, zal niet sterfelijk zijn

Maar kunstmatige intelligentie zal geen versie van onszelf zijn. Kunstmatige intelligentie zal nooit met het verkeerde been uit bed stappen, zal niet irrationeel handelen, zal niet sterfelijk zijn – dat is een belangrijke. Kunstmatige intelligentie kan het zonder lichaam stellen, al zullen robots wel een lichaam hebben. Kunstmatige intelligentie kan het stellen zonder liefde en genegenheid en zal zich niet van de wijs laten brengen door liefde, genegenheid, familiebanden of loyaliteit – al vallen sommige van die dingen misschien – misschien – wel te programmeren. Maar waar het om gaat is dat een autonome kunstmatige intelligentie haar eigen programma’s zal herschrijven, zal reflecteren op haar eigen drijfveren, en uiteindelijk zal besluiten waar zij bij gebaat is, wat niet hetzelfde hoeft te zijn als waar wij bij gebaat zijn.

Bedenk goed dat intelligentie zich kenmerkt door onvoorspelbaarheid. Het is nu al zo dat wetenschappers wel weten dát het werkt, maar niet precies hóe het werkt. Dat wordt de ‘black-box-theorie’ genoemd. Je weet wat je erin hebt gestopt en je ziet wat eruit komt – maar wat er binnenin gebeurt, wordt niet helemaal begrepen.

***

Als we zelfbewuste systemen ontwerpen die zichzelf verbeteren, weten we niet hoe de wisselwerking tussen ons en die systemen zal verlopen. Dit spel kent optimisten – zoals Ray Kurzweil, de profeet en de leidsman van ‘kom maar op met die apparaten’, de schrijver van De singulariteit is nabij. Singulariteit staat dan voor het moment waarop we onomkeerbaar afscheid hebben genomen van het leven zoals wij dat kennen, een leven waarin koolstof van cruciaal belang is. Kurzweils droom is om te versmelten met computers, om aan onszelf te knutselen met behulp van computertechnologie, om oplossingen te vinden voor onze problemen en af te rekenen met de fysieke dood – wellicht door een individueel bewustzijn te uploaden in dragers die minder kwetsbaar zijn, en minder tijdelijk, dan ons menselijk lichaam.

Als wij die computers zíjn, zo betoogt Kurzweil, dan zullen we niet vijandig staan tegenover onszelf. Hij is ook van mening dat intelligentie die niet door de mens is gevormd en die niet in een lichaam is gevat toch onze normen en waarden zal delen, dezelfde doelen zal nastreven als wij, zich achter onze gedeelde ambities zal scharen. Kurzweil heeft veel volgelingen – voornamelijk jonge, alleenstaande mannen – die hem zien als een soort sekteleider, en ik moet zeggen dat de religieuze onderstroom – is het eigenlijk wel een onderstroom? – van de kunstmatige-intelligentie-optimisten herinneringen oproept aan mijn jeugdjaren bij de evangelisten. Er wacht ons een beter leven! De dood zal niet langer bestaan! Ons lichaam is niet ons huis! We zijn meer dan vlees en bloed! De redding is nabij!

Wat we niet kennen en wat we niet kunnen beheersen in ons nietige menselijke bestaan zal worden gekend en beheerst door de nieuwe god die wij in het leven roepen: kunstmatige intelligentie. Als een reusachtige Google: vraag en u zult antwoord krijgen. We zullen de vraag niet eens hoeven intikken; we zullen het antwoord vernemen via elektronica in ons hoofd – als een gebed – en de zachte, ingetogen stem zal me zeggen wat het juiste is. Maar we hebben het hier niet over een sekte in Californië – dit vindt plaats in het hier en nu, bij Google, dat onlangs Kurzweil in dienst heeft genomen. Het vindt plaats over de hele wereld, en er is veel geld mee gemoeid. We willen God opnieuw scheppen. We missen hem duidelijk.

Superintelligentie zal geen behoefte hebben aan een lichaam – ze zal, net als de goden, de hybride gedaante aannemen van een mens, of die van een robot, klein of groot, of willekeurig welke vorm of gedaante. Dat doet me denken aan religies die evolueerden door een verbod op afgodsbeelden, door het abstracte karakter van God te benadrukken – geen afgodsbeelden in het jodendom, het christendom of de islam. God spreekt vanuit het brandende braambos of de zuil van licht – hij is ondoorgrondelijk, onkenbaar – maar hij houdt van ons, of dat wordt in ieder geval beweerd, en voor christenen was de incarnatie een manier om ons duidelijk te maken dat het lichaam bijzaak is – dat bewustzijn niet hoeft te zijn verankerd in een fysieke gedaante.

Religies beschouwen het lichaam als een gevangenis en de wereld als een schaduw van de realiteit. We ervaren de essentie van ons wezen niet via onze zintuigen, maar via onze geest – een geest die ons ontvankelijk maakt voor God. Daaronder verstaan we dan een veel hogere macht die het kan stellen zonder eten en drinken en seks, die zich niet hoeft voort te planten en niet hoeft te sterven.

Zo staan de zaken er nu voor: we geloven niet langer in een dergelijke god in de hemel, maar we verlangen wel naar alles wat een hemelgod biedt, namelijk ongeëvenaarde wijsheid om ons de weg te wijzen in het bestaan; een oplossing voor de puinhoop die de mens veroorzaakt; loskomen van een lichaam dat in verval raakt en sterft. We zullen jong, mooi en rijk zijn en het eeuwige leven hebben. Daar zal de god die wij scheppen voor zorgen.

Maar wat nou als mijn God sterker is dan die van u? Wat nou als China eerder kunstmatige intelligentie weet te ontwikkelen dan de Verenigde Staten? En hoe zit het met al die private ondernemingen die in stilte werken aan de nieuwste ontwikkelingen, maar ondertussen nog wel een oud businessmodel hanteren: hebzucht en macht. Zal de technologie die wij ontwikkelen zich tot ons richten met de woorden: ‘Ik kan alleen worden ingezet voor goede dingen?’ En wat wordt er verstaan onder ‘goed’? Een superintelligentie zou gemakkelijk tot de conclusie kunnen komen dat de hele mensheid een verkwisting is van ruimte en middelen.

In feite zijn wij volkomen nutteloos, dus waarom zou een superintelligentie ons willen aanhouden? Een beetje zoals wij huisdieren hebben? Waarom zou een superintelligentie als een mak paard achter óns aan sjokken – een snel uitdijend ras van bekrompen, egoïstische idioten die aan waandenkbeelden lijden. Het ultieme bewijs dat we idioten zijn wordt geleverd door a) het feit dat we een zoveelste manier hebben bedacht om onszelf weg te vagen en b) het feit dat we denken dat we leuk genoeg zijn om te mogen blijven.

***

Kunnen robots lezen? En ja, natuurlijk kan kunstmatige intelligentie lezen. Watson is de supercomputer die door ibm is ontwikkeld om het op te nemen tegen mensen in de tv-quiz Jeopardy! – een combinatie van kennisvragen, woordspelingen, logica en het geluk dat je net de goede keuze maakt. Watson had een enorme leeslijst gekregen, zo’n acht miljoen dikke pillen die hij met een snelheid van duizend boeken per seconde tot zich nam. Ja, dat leest u goed. Duizend boeken per seconde.

Maar wat verstaan we onder lezen? Wij nemen, net als Watson, aan de lopende band geschreven informatie tot ons. In theorie geldt: hoe meer informatie we hebben, hoe beter we de wereld begrijpen, en hoe beter we in staat zullen zijn tot zinvol handelen. Maar hoe zit het met andere vormen van lezen? Vormen van lezen waarbij het niet gaat om informatie – of in ieder geval niet in eerste instantie? Om de Amerikaanse dichter William Carlos Williams te citeren: ‘It’s difficult to get the news from poems but men die miserably every day for lack of what is found there.’

Er is geen betere manier om je met het verleden te verbinden dan de literatuur – omdat je in het hoofd kruipt van anderen

Wat valt daar dan te ontdekken in gedichten, in toneelstukken, in dat wat we nog altijd literatuur noemen?

‘Wat is jouw wezen, wat houdt jou bijeen, dat zoveel schaduwvormen naar je neigen?’ Dat zijn de woorden van Shakespeare, die zich vierhonderd jaar geleden afvroeg wat het betekent om een mens te zijn.

We hebben kunst ontwikkeld. We hebben grotschilderingen gemaakt. Dat hoefden we niet te doen, maar we deden het toch. We hebben taal ontwikkeld – niet alleen om te vragen welke kant de wolharige mammoet op is gegaan, maar ook om rond het vuur te zitten en verhalen te vertellen. We hebben geleerd om te schrijven en om te lezen wat geschreven stond. Taal biedt de mogelijkheid van introspectie en het is tevens een middel om anderen te vertellen wat er in ons omgaat. Dat wat we in ons binnenste aantreffen maakt ons tot een mens. Die merkwaardige manier van zijn van ons.

Medium groene  essay winterson 2

Goede schrijvers beschikken over de flair om woorden gepaard te doen gaan van hun emotionele equivalent – en daar is geen algoritme voor – het is een vorm van creativiteit die niet valt te kopiëren. Al ben je nog zo slim, al weet je nog zo veel, al heb je nog zo’n grote woordenschat of zo’n hoog IQ – het is niet voldoende. Een schrijver heeft er, als lezer, veel meer dan de bekende tienduizend uur in gestoken om schrijver te worden – we weten dat schrijvers bezeten lezers zijn – maar als lezer kun je je op geen enkele manier voorbereiden op de aangename schok wanneer je het voor je eigen ogen ziet gebeuren, op papier. Zelfs nu nog – zoveel boeken later – is het iets om je over te verwonderen: die combinatie van emotie, ontvankelijkheid, visie, kracht, ervaring, verbeelding, en dat alles gevangen in woorden, woorden die niet alleen beschrijven maar die ook een bepaalde zijnstoestand oproepen. Mensen zijn in staat dat te doen, mensen hebben dat altijd gedaan. Er is geen betere manier om je met het verleden te verbinden dan de literatuur – omdat je in het hoofd kruipt van anderen. Die anderen zijn dood, maar wel aanwezig. We zijn dagelijks in gesprek met de doden.

Fictie en poëzie gaan over gemoedstoestanden en drukken ons met onze neus op onze eigen gevoelens. We huilen, we lachen, we krimpen ineen, we koesteren hoop, we begrijpen onze eigen psyche van binnenuit, niet via een serie laboratoriumexperimenten. We denken na over de liefde, niet als een evolutionair bijproduct of een truc om ons te verleiden kinderen te krijgen, maar als een kracht die indruist tegen macht of conventie, die een geheel eigen heroïek krijgt in de confrontatie met het gezond verstand, die zowel ons hoogste geluk is als ons grootste fiasco. Wat er valt te ontdekken – in het menselijk hart.

Ik heb nooit begrepen waarom kunst wordt gezien als luxe, als iets wat het merendeel van de tijd voor het merendeel van de mensen nauwelijks van belang is. We hebben de kunsten nodig, nu meer dan ooit. Als we in de toekomst over meer vrije tijd beschikken, omdat het arbeidsproces verandert, laten we onze menselijke creativiteit dan eens verkennen. Niets ten nadele van wetenschappelijke en technologische creativiteit, maar voor mij is er geen twijfel dat die uitingsvormen niet alleen gefinancierd maar ook gecontroleerd worden – in ieder geval totdat de superintelligentie ons uitvaagt…

Ik betwijfel of de mannen – en het zijn mannen – die naar hun computerscherm staren en die, zonder brede maatschappelijke discussie of debat, een vastomlijnde toekomst voor ons uitstippelen, veel fictie en poëzie lezen. Ik betwijfel of ze wel eens naar het theater of de opera gaan, of ze weten hoe het is om in het donker op de vloer te liggen en naar Mozart te luisteren.

Maakt dat eigenlijk uit? Ja, dat maakt uit. Elke plek waar ooit iemand op zoek is gegaan naar het hart van de mens, om ons dat te tonen, is de moeite waard bezocht te worden – en niet één keer, maar meerdere keren. Kunst is niet alleen een ervaring maar ook een plek. Het is een virtuele realiteit die stevig is geworteld in de realiteit van ons bestaan. Natuurlijk, we verzinnen het allemaal – daar gaat het nou juist om – onze verbeelding werkt samen met onze ervaring. In de zwijgende handeling van lezen bevinden we ons in het verleden of in de toekomst, in deze wereld of in een andere wereld – het maakt niet uit. In die zin zijn we inderdaad lichaamloos: onze ledematen roerloos, onze hersenen druk in de weer. We zetten ons bewustzijn over naar andere werelden. Door middel van kunst kunnen we in het totaal van de tijd leven.

Ik streef niet naar het eeuwige leven, ik streef naar intensiteit. Ik zit niet te wachten op ervaring zonder betekenis – ik hoef geen 3D-bril of een surround experience – dat haal ik wel uit een boek. Als techneuten meer zouden lezen, zouden ze dat ook weten.

Ik ben niet zo iemand die hoopt dat de toekomst zich nooit zal aandienen. Dat gaat gebeuren; het gebeurt altijd. Maar we doen alsof we in een democratie leven en een democratie is een forum waarin discussie wordt gevoerd voordat er beslissingen worden genomen. We moeten praten – en veel ook – over kunstmatige intelligentie: utopieën, dystopieën, hoe we de wereld die gaat komen willen vormgeven, en één ding wat absoluut noodzakelijk is, is dat er vrouwen aan dat gesprek deelnemen.

Ik heb veel boeken gelezen over kunstmatige intelligentie, over de singulariteit die ophanden is, over toekomstbeelden variërend van een meltdown tot het nirwana, maar ik stuit zelden, om niet te zeggen vrijwel nooit, op de stem van een vrouw. Het is bekend dat de tech-sector niet echt veel vrouwen trekt – en we kennen allemaal de verhalen van vrouwen in de tech-branche die zich niet serieus genomen voelen, die worden gekleineerd. Het is een jongenswereld, vergeven van codes en koptelefoons, simulaties en speeltjes, en we zouden dan ook wel eens kunnen afstevenen op een mannelijke tech-nerd-staat van de ergste soort. Zij zijn tenslotte degenen die het allemaal programmeren, met een heimelijk verlangen naar een sterke vader en weinig oog voor meisjesachtige dingen zoals gevoelens.

Ik zit niet te wachten op ervaring zonder betekenis – ik hoef geen 3D-bril – dat haal ik wel uit een boek

We hebben nu al een generatie grootgebracht die zich makkelijker verhoudt tot een scherm dan tot een mens. Ondanks alle connectiviteit – want die is er zonder meer, we zien een sterke mate van antisociaal gedrag in onze virtuele werelden – zien we mensen die uren achtereen computerspelletjes doen, of die reizen met een koptelefoon op en een iPhone aan. Of denk eens aan die gruwelijke etentjes waar iedereen aan tafel met zijn eigen apparaatje in de weer is.

Een superintelligentie zal zich hier niet druk om maken omdat zij wellicht de voorkeur zal geven aan een virtueel bestaan voor ons allen. Wat hebben familie, vrienden en samenzijn überhaupt voor betekenis voor een entiteit die met gemak tien jaar over een etentje zou kunnen doen – wat is tijd voor een apparaat – en bovendien, apparaten eten niet.

***

Volgend jaar is het tweehonderd jaar geleden dat er, in 1818, een opmerkelijk boek uitkwam van een jonge vrouw. Die vrouw was Mary Shelley en het boek was Frankenstein. We kennen het verhaal allemaal, al gaat het hier om een monster dat hunkert naar de liefde van mensen en dat pas gemeen wordt wanneer hij wordt afgewezen. Hij doodt uiteindelijk ook zichzelf, in een apocalyps van vuur en ijs. Hij kan zich niet voortplanten en er is slechts één Frankenstein.

Kunstmatige superintelligentie zal wel in staat zijn zichzelf te kopiëren, zichzelf te updaten en zich schuil te houden als de makers in paniek raken en proberen haar uit te schakelen. Alles wat slimmer is dan wij zal zich uiteindelijk aan onze greep ontworstelen.

Dat realiseerde Mary Shelley zich ook. In de brieven waaruit het verhaal is opgebouwd, blijft Frankenstein, verslagen en stervende, de hoop koesteren dat op een goede dag iemand zijn werk zal voortzetten. Mary Shelly was niet alleen een visionair maar ook een realist – zij kende het menselijk hart.

Hopelijk geldt dat ook voor ons – voor het te laat is. Ik hoop dat iedereen die begaan is met de mens in al zijn complexiteit – en dat behelst veel meer dan kennis of zelfs intelligentie – even de tijd zal nemen zich te verdiepen in de wereld die wordt gecreëerd, of wij dat nou willen of niet.

In Manchester, in Engeland, waar ik ben geboren, heeft Friedrich Engels De toestand van de arbeidersklasse in Engeland (1845) geschreven, over de deplorabele levensomstandigheden van mensen die zich in het zweet werkten voor de machinerie van vooruitgang: de industriële revolutie. Engels keek om zich heen en schreef: ‘Dit gebeurt er als mensen elkaar alleen nog zien in termen van nut.’

Maar momenteel is er iets merkwaardigs gaande, met een mogelijke toekomst van mensen aan wie is gesleuteld, of met de opkomst van de kunstmatige intelligentie. Uit alle teksten die ik heb gelezen van de pleitbezorgers van zo’n toekomst spreekt een minachting voor het lichaam, een wrevel over de menselijke broosheid, een honger naar ons verdwijnen.

Ik loop in de zon. Ik zie de maan opkomen. Ik sta voor jou te koken in mijn keuken. Ik zit ’s avonds bij de open haard en lees een boek. Ik lees mijn kinderen voor. Ik vrij met je. Ik schrijf je een brief – om je te bedanken voor wat je hebt gedaan. Ik moet denken aan een gedicht en er speelt een glimlach om mijn lippen terwijl ik op de bus sta te wachten, ik ruik vers brood en sinaasappelschillen en er is het genot wanneer ik wakker word uit mijn slaap en mijn droom en ik vraag me af: is het allemaal een droom omdat mensen zich graag verwonderen, omdat we graag dromen? Ja, we dromen.

Het lijkt nog niet eens zo heel lang geleden dat ik op twee benen leerde lopen op de savanne, en toen was er de dag dat we, voor het eerst, onze doden begroeven. Waarom huilen we om wat niet terug kan keren? We begraven de doden. We huilen.

Is het dan bijna afgelopen? De droom van mens-zijn? Of wordt deze ‘Brave New World’ een werkelijk nieuwe start? We hebben de roman van Aldous Huxley gelezen, maar de term is afkomstig uit The Tempest van Shakespeare, wanneer Miranda voor het eerst mensen ziet. Ze woont namelijk op een eiland met haar vader Prospero, die magiër is, en met Ariel, een lichaamloze kunstmatige intelligentie, en met een moordzuchtige, misvormde bot, Caliban genaamd. Geen wonder dat ze is gecharmeerd van de mensen, van de heerlijke nieuwe wereld waar menselijke wezens wonen.

Wezens. Mensen. Het menselijk hart.

Wij zijn gemaakt van het stof der dromen.


Dit is een licht ingekorte versie van de lezing die Jeanette Winterson (de gelauwerde Britse schrijfster van onder meer Oranges Are Not the Only Fruit en The Passion) in september uitsprak bij het tienjarig jubileum van Spui25. Vertaling: Nicolette Hoekmeijer (vertaling citaat Shakespeare: Erik Honders, 2009)