De Mandela-lezing: Hoe werkelijk te dekoloniseren

Kunnen we dansen?

In een wereld die steeds meer wordt gedreven door angst en hebzucht, xenofobie en nationalisme, moeten we niet alleen luisteren naar Nelson Mandela maar ook naar Edward Said. Als zwarte mensen hun kritische verhalen over witte macht willen blijven vertellen, moeten ze kunnen staan en staren, zonder de angst beoordeeld te worden.

Lagos, Nigeria © Cristina de Middel / Magnum / HH

Ik ben een verhalenverteller, dus laten we beginnen met een paar verhalen . Gisteren had ik het voorrecht om te lunchen met zwarte Nederlandse en Afrikaanse schrijvers. Na afloop bleven er lange tijd vragen in mijn hoofd rondspoken, geïnspireerd door die ontmoeting. Hoe kunnen we onze verhalen vertellen, ongeremd? Hoe kunnen we ons door deze wereld vol fysiek en structureel geweld bewegen, vaak aan de ontvangende kant van machtsstructuren, zonder onszelf zo vaak reactionair op te stellen dat we volkomen uitgeput zijn door de strijd tegen de macht? Hoe kunnen we verhalen vertellen, onrecht bestrijden, nieuwe verhalen creëren en prachtige complexe werelden bouwen die geworteld zijn in onze wilde, vrije verbeelding? Hoe kunnen we dromen? En hoe kunnen we deze dromen en ideeën aan de wereld overbrengen zonder witheid centraal te stellen, of dat nu in onze strijd daartegen is, of in het werk dat we vaak verrichten, om onszelf aan die wereld uit te leggen?

En ik bedacht dat dat wellicht zou kunnen door naar binnen te kijken en onze behoeften te beantwoorden, zonder altijd maar achterom te kijken uit angst voor wie ons in de gaten houdt, wie naar ons luistert, wie onze vuile was kan zien en die tegen ons kan gebruiken. Want als je, zoals ik, bent opgegroeid in Nigeria moet je om schone, droge was te krijgen die in de lucht hangen.

Dus ik ben hier om mijn verhalen op mijn eigen voorwaarden te vertellen, en om jullie een paar delen van mijn wereld te laten zien, dingen die de laatste tijd mijn bewustzijn in beslag hebben genomen. Als jullie aan het eind daarvan geen duidelijke antwoorden hebben, als jullie niet horen wat jullie kunnen doen om te helpen, als jullie niet genoeg horen praten over Afrika en Europa, als jullie geen krachtige citaten hebben kunnen opschrijven, dan is dat omdat ik hier gekomen ben om te dansen, alsof er niemand kijkt, een luxe die we onszelf vaak ontzeggen.

—————

Ik ben geboren in Kaduna, een levendige, kosmopolitische stad (in het noordwesten van Nigeria, of in het midden van Noord-Nigeria, afhankelijk van de vraag met wie je het erover hebt), in een land waar ras en kolonialisme slechts een verre fluistering zijn; in een land waar het kolonialisme, als er al over gesproken wordt, altijd gememoreerd wordt als een onvermijdelijk feit – een milde koorts van zes decennia waar we in 1960 van genezen zijn, die weinig of geen littekens heeft achtergelaten en die we geen interessant onderwerp vinden voor aan de eettafel.

Op school lazen we nietszeggende, onkritische zinnen als: ‘De Britten waren onze koloniale heersers tot 1960, toen ons onafhankelijkheid werd verleend.’ Er waren geen verhalen over gruwelijkheden en oorlog. Geen verhalen over verzet of rebellie. Slechts milde opwinding over het feit dat we op die eerste oktober 1960 een prachtig cadeau genaamd zelfbeschikking kregen.

Ik was acht jaar oud toen Mandela in 1990 werd vrijgelaten uit de gevangenis. Twee jaar later, en voordat Mandela president werd, zong de Nigeriaanse muzikant Majek Fashek het lied Free Mandela, en dat was de eerste keer dat ik me bewust werd van de mondiale aanwezigheid van de vrijheidsstrijder, gewetensgevangene en pragmatische leider die Nelson Mandela was, zij het in de vorm van de woorden van een lied dat heel weinig betekenis had voor een kind van tien. Ik was alleen maar opgewonden dat ik voor de eerste keer van mijn leven naar een concert mocht. Dat is alles wat ik wist: dat ergens een Mandela bestond die vrijgelaten moest worden en die zo populair was dat wij helemaal in Nigeria een lied over hem hadden. En dat het de witte mensen waren die hem hadden.

Niet veel later werd Roots, de televisiebewerking van het boek van Alex Haley, uitgezonden op het enige tv-station in het land. Afgezien van de verhalen dat ik als peuter in tranen uitbarstte als ik de bleke benen van Mrs. Maureen, een Britse kennis van mijn ouders, zag, had ik geen enkele gevoelens jegens witte mensen. Toen kwam de scène in Roots waarin de recalcitrante, wilskrachtige, tot slaaf gemaakte Kunta Kinte zijn nieuwe naam Toby niet wilde accepteren. Het is een van de meest intense herinneringen uit mijn kindertijd, de witte slaveneigenaar die vraagt: ‘Wat is je naam?’ en Kunta Kinte die vastgebonden, met ontblote rug en vastberaden antwoordt: ‘Mijn naam is Kunta’, totdat hij afgemat, bebloed en ontdaan van al zijn waardigheid voor een publiek van versteende slaven en verontwaardigde slavenmeesters capituleert en zegt: ‘Mijn naam is… mijn naam is Toby!’ Ik rende huilend de kamer uit en schreeuwde: ‘Ik haat witte mensen!’ Dat was de laatste keer dat ik van mijn moeder naar Roots mocht kijken.

Ik roep dit in herinnering omdat ik als Nigeriaan op school niets te horen kreeg over het Britse kolonialisme en ook niet werd gestimuleerd om erover na te denken, zelfs niet over de historische slavernij in z’n geheel. Het is dus geen verrassing dat veel andere Afrikanen die in hun eigen land geworsteld hebben met ras dikwijls gefrustreerd zijn over het algemene onvermogen van Nigerianen om hen te begrijpen of solidariteit te betonen in gesprekken over ras, vooral als het gaat over plekken als Amerika.

—————

Twee jaar geleden ben ik begonnen met het schrijven van een roman die zich afspeelt tijdens de hoogtijdagen van het kalifaat van Sokoto in wat nu Noord-Nigeria is. Het was het verhaal van een rebelse stad genaamd Ningi die semi-onafhankelijk was van het kalifaat, waarover we vandaag de dag in glanzende, nostalgische termen spreken, in de periode tussen 1850 en 1900, toen de Britten de poten wegzaagden onder de stoelen van iedereen en met geweld de enige heerser werden in de Nigeriaanse ruimte. Op het hoogtepunt van het kalifaat van Sokoto was het een slavenrijk.

Sommige mensen vragen mij vaak waarom ik geïnteresseerd ben in deze geschiedenis, nu er vandaag ook zo veel in Nigeria gebeurt. Ik antwoord dikwijls dat ik, ondanks de breuk van zestig jaar tussen het kalifaat van Sokoto en Brits Nigeria, rechtstreekse verbanden zie tussen de manier waarop onderdrukte minderheidsgroepen in Noord-Nigeria vandaag de dag behandeld worden en de manier waarop dat in de negentiende eeuw gebeurde, tussen de namen die zij toen opgeplakt kregen en die van nu, en tussen de negatieve stereotypen die sommigen vandaag in de mond nemen over niet-moslims of over mensen die geen Hausa of Fulani spreken en hoe dat destijds ging.

Ik zeg tegen ze dat ik het graag zou willen hebben over de zestig jaar die de Britten in Nigeria hebben doorgebracht, maar dat ik net zo geïnteresseerd ben in andere hegemonieën, en in andere imperialistische pretenties en tendensen, met name omdat er vaak te veel ongezegd blijft over onze wortels in de verhalen van vandaag. Er zijn te veel stiltes in onze Nigeriaanse geschiedenis, of het nu over de misstanden in koninkrijken als het kalifaat van Sokoto gaat of over wreedheden aan beide zijden van de oorlog tussen Nigeria en Biafra. En globalistische culturele argumenten dringen ons strijdpunten en gesprekken op: of het nu om een reactie op het racisme in een of ander Europees land gaat of over kritiek op de volledig witte bestuurskamer van een bedrijf in het Amerikaanse Oregon.

In Nigeria zijn ras en kolonialisme slechts een verre fluistering, geen interessant onderwerp voor aan de eettafel

Ik denk aan de debatten over dekolonisatie en taal, met name over de plaats van het koloniale Engels in het bewustzijn en de literatuur van Nigerianen en Afrikanen. Een van mijn favoriete citaten over de aard van de Engelse taal komt van de Zimbabwaanse schrijver Dambudzo Marachera, die schreef: ‘Ik kijk naar de Engelse taal zoals een eend naar het water kijkt waarin hij zwemt (…) Ik was derhalve een gretige medeplichtige bij mijn eigen geestelijke kolonisatie (…) Voor een zwarte schrijver is de taal heel racistisch: je moet er huiveringwekkende gevechten mee voeren voordat je haar kunt laten doen wat je wil.’

Maar ik denk ook aan Hausa, de taal die overwegend werd gesproken in het kalifaat van Sokoto en in een groot deel van het hedendaagse Noord-Nigeria; ik noem het de taal van mijn eerste kolonisatie. Ik denk aan het algemene gebruik van bepaalde Hausa-woorden die hetzelfde rigoureuze onderzoek behoeven als bepaalde Engelse woorden. Ik denk aan woorden als ‘mutu’ en ‘rasu’, synoniemen die ‘doodgaan’ betekenen. Ik herinner me een mailwisseling met de hoofdredacteur van een van de weinige dagbladen in de Hausa-taal in Nigeria. Ik vertelde hem dat ik een patroon had opgemerkt waarbij voor de dood van een niet-moslim het woord ‘mutu’ werd gebruikt en voor de dood van een moslim het woord ‘rasu’.

Als kind corrigeerden vriendjes mij altijd als ik het woord ‘mutu’ gebruikte voor een moslim die was overleden. Ze zeiden nogal nuchter tegen me: ‘Hij/zij is een moslim. Je kunt het word “mutu” niet gebruiken. Het correcte woord is “rasu”.’ Daarom wist ik al vroeg dat er één woord was dat in een respectvolle context voor moslims werd gebruikt, en een ander woord voor niet-moslims. En het woord dat werd gebruikt voor de dood van dieren was hetzelfde dat werd gebruikt voor niet-moslims. Toen ik dat benadrukte, was de hoofdredacteur defensief en hield hij staande dat beide woorden hetzelfde betekenen en dat ik dramatisch deed.

Taal is nooit neutraal. Taal kan bouwen, maar ook schade toebrengen. Taal draagt bagage met zich mee – historische, culturele en politieke bagage. Dat een taal ‘Afrikaans’ is verleent die taal geen inherente waarde en vrijwaart haar ook niet voor aantijgingen over hegemonistische tendensen die er in de loop van de tijd en door het gebruik in zijn gesleten. Dat een cultuur ‘Afrikaans’ is betekent niet dat die cultuur inherent beter is voor het gebruik dan andere culturen, of niet in staat is om leed te berokkenen of te discrimineren vanwege zijn bagage.

—————
Elnathan John © Rachel Corner

Het internet heeft de aarde in veel opzichten platter gemaakt en je kunt als je in het donker zit, of dat nu het gevolg is van een stroomafsluiting of omdat het Nigeriaanse elektriciteitsnet het laat afweten, commentaar geven op het racisme van Donald Trump. Ik ben vaak gevraagd om een opiniestuk te schrijven nadat een wereldleider iets had gedaan wat de culturele elite van Afrika in verlegenheid bracht, of dat nu Trump was die bepaalde landen shitholecountries noemde, of Trump die een reisverbod uitvaardigde ten aanzien van Nigeria, dat enorme aantallen hoogopgeleide immigranten heeft. Zulke artikelen en essays zijn makkelijk om te schrijven. De internationale media staan vaak te juichen als een Afrikaan een racistische of domme witte Europeaan of Amerikaan een goed pak slaag geeft.

Ik herinner me nog een tweet van mij die viraal ging, tijdens de mazelenepidemie in Amerika in 2015. Ik had een poging gedaan tot wat mild sarcasme, en had getweet: ‘Onze gedachten gaan ook uit naar het door de mazelen geteisterde land Amerika. Ik hoop dat we ze kunnen screenen voordat ze naar Afrika komen.’ Vervolgens was ik gaan slapen. Toen ik wakker werd, hadden veel internationale nieuwsmedia het volgende verhaal: Nigeriaanse schrijver neemt de Amerikaanse ebolareactie op de hak.

Eén medium opende met de paragraaf: ‘De Nigeriaanse satiricus Elnathan John heeft de huidige mazelenuitbraak in de VS gebruikt om de spot te drijven met de Amerikaanse overreactie op het ebolavirus van afgelopen herfst, toen sommige politici een reisverbod bepleitten van en naar bepaalde West-Afrikaanse landen.’

Mij werd gevraagd om in veel nieuwsprogramma’s interviews te geven. De bbc vroeg me: Wat wilde je aantonen met deze tweet die Amerika bespot? Een seconde lang was het allemaal geweldig.

Na alle ophef ging het leven voor mij gewoon door: ik betaalde nog steeds om water in jerrycans te kopen omdat het waterschap geen water leverde, ik ging er nog steeds op uit om brandstof te kopen om mijn middelgrote generator van energie te voorzien, zodat ik kon blijven schrijven, zelfs als de stroom uitviel, ik wist nog steeds dat als er een ernstige ziekte uitbrak in mijn land we noch de mankracht, noch de faciliteiten hadden om daarmee om te gaan. En het was nog steeds een feit dat er in mijn land geen enkel ziekenhuis was waar de Nigeriaanse president of zijn familieleden genoeg vertrouwen in hadden om zich er te laten behandelen.

Vooral als satiricus is het mij niet ontgaan dat het veel makkelijker is om Trump op de hak te nemen als hij Afrikaanse landen shithole countries noemt dan om de spot te drijven met een staatsgouverneur in Nigeria die zijn staat in een shithole verandert. En slechts één van die acties kan me in de gevangenis doen belanden of laten verdwijnen.

Trots zal geen hongerige mensen voeden of voorkomen dat ze sterven, maar misschien wel de corruptie beëindigen
—————

Ik denk vaak aan Nigeria. Niet dat ik een keuze heb. Nigeria is die ex-geliefde die nooit zal ophouden je te sms’en. Die, hoewel hij je misbruikt en genegeerd heeft toen jullie nog samen waren, nooit je verjaardag of mijlpalen in je leven vergeet nu je verder lijkt te zijn gegaan. Ik denk eraan hoeveel makkelijker het is voor Nigeriaanse schrijvers om internationale petities te ondertekenen voor de vrijlating van Turkse journalisten die gevangen zijn gezet dan het voor hen is om als groep te eisen dat journalisten die door Nigeriaanse politici en despoten worden geïntimideerd en gevangen gezet rechtvaardig worden behandeld. Het regime van generaal Mohammed Buhari is op dit moment bezig met het lastigvallen van Nigeriaanse journalisten vanwege het naar buiten brengen van nieuwsberichten over scheuren in het machtsblok rond de president. Ik denk eraan hoe makkelijk het voor Nigeriaanse intellectuelen en auteurs is om vrijmoedig te praten over zaken als kolonialisme en racisme, ver weg van hun eigen land, terwijl ze hun connecties rationaliseren met mensen die op gewelddadige wijze omgaan met mensen die zich bezighouden met vrije meningsuiting in de sociale media of in krantenkolommen, vooral als zij literaire evenementen financieren.

Mijn werk heeft mij door vele fases en veel onderzoek naar het verleden van Nigeria geleid. Ik heb veel gevonden dat verloren is gegaan in de hedendaagse debatten over ras en het Europese kolonialisme, veel nuances over wie wij als volk zijn, en over de vraag waarom het voor de Britten in feite makkelijk was om ons land te veroveren en te overheersen.

Ik lees graag de humanistische theorieën van Edward Said en trek veel lessen uit zijn theorieën over zelfkritiek. Net als Said ben ik van mening dat zelfkritiek geen substituut is voor kritiek op de onderdrukker, omdat door zelfkritiek de kritiek op de onderdrukker juist nuttiger en praktischer wordt. Bij de uitwerking van zijn antinomische humanisme en seculiere kritiek zegt Said dat ‘we het humanisme alleen kunnen begrijpen als iets democratisch, als iets wat openstaat voor alle klassen en achtergronden, en als een proces van oneindige onthulling, ontdekking, zelfkritiek, en bevrijding’. Hij zegt ook dat ‘humanisme een kracht van openheid moet zijn, niet van geheimhouding of religieuze verlichting (…) Het moet de stiltes, de wereld van het geheugen, van rondtrekkende, nauwelijks overlevende groepen, de plaatsen van uitsluiting en onzichtbaarheid, het soort getuigenissen dat niet in de verslagen terechtkomt, blootleggen (…)’

Soms zijn de getuigenissen die niet doordringen tot hedendaagse gesprekken en verslagen verhalen over andere vormen van kolonialisme, bedreven door mensen die op ons leken, bij de uitoefening van hun macht en ten behoeve van het behoud van hun koninkrijken en rijken, zoals bijvoorbeeld het kalifaat van Sokoto, dat gemiddeld tussen 1804 en 1900, toen de Britten binnenvielen, ten minste een kwart van de bevolking tot slaaf had gemaakt. Het omvat de verhalen van de eunuchen en meestal vrouwelijke seksuele slaven in het kalifaat van Sokoto die aan koningen en emirs werden geschonken. Het produceren van eunuchen was, volgens minstens één verhaal, een bloedige en verkwistende aangelegenheid, aangezien slechts een op de tien jongens het castratieproces overleefde.

Maar vergis je niet. Zelfkritiek is geen uitnodiging aan degenen die profiteren van de huidige machtsstructuren. Ik kijk alleen in de spiegel om te zien hoe ik zelf betrokken ben bij een systeem dat mij misschien óók pijn doet. Want iedere incarnatie en manifestatie van macht is niet alleen onderhevig aan misbruik door de bezitters van die macht, maar coöpteert ook de onderdrukten zelf als zij dat misbruik gaan nabootsen of de systemen en hiërarchieën reproduceren die anderen pijn doen. Zelfkritiek is geen uitnodiging aan de mensen die profiteren van de voordelen van deze hiërarchieën om erop te wijzen hoe hun ondergeschikten ook begunstigden of deelnemers zijn.

Een paar dagen geleden werd mij gevraagd waarom en of ik kritiek had op de bewering dat kritiek op Afrikaanse autocraten of kleptocraten door sommigen in de diaspora wordt gezien als westerse vooringenomenheid. Mijn antwoord was eenvoudig. Er is kritiek op kleptocraten. En er is hypocrisie, die blijkt uit het feit dat er in sommige media met twee maten wordt gemeten als het gaat om corruptie in Afrika, of uit het onvermogen om verbanden te leggen tussen de wereldpolitiek en -economie en de corruptie in Afrikaanse landen. Al deze gesprekken kunnen en moeten op hetzelfde niveau plaatsvinden. Ja, er is veel corruptie. Maar ook in het Westen. Ja, we hebben leiders die schaamteloos hulpbronnen wegkapen en trusts creëren voor hun families, minnaressen en kinderen, maar veel instellingen en regeringen in de wereld delen een zekere mate van medeplichtigheid.

Het is prima om daarover te praten. Ik ben van mening dat het onze landen geen goed doet om de massale en verlammende corruptie wit te wassen die bestaat uit naam van de bescherming van het imago van Afrika of van onze individuele landen. Er zijn echte levens bij betrokken. Echte vrouwen en kinderen sterven door slechte pre- en postnatale zorg. Echte lichamen worden verpletterd op slechte wegen. Echte personen sterven aan vermijdbare ziekten. Echte conflicten worden aangewakkerd door gebrek aan middelen en onrechtvaardigheid. Echte gezinnen verhongeren. Trots zal geen hongerige mensen voeden of voorkomen dat ze zullen sterven, maar het beëindigen van de corruptie misschien wel.

—————

Ik kom nog eens terug op de lunch die ik had met zwarte Nederlandse en Afrikaanse schrijvers. Ik vraag me af of ik, in de geest van Edward Saids humanisme, zelfkritiek kan oproepen en zo genuanceerd kan zijn als ik moet zijn. Zal dit alle witte mensen hier tevreden stellen? Is dit het juiste forum daarvoor, of moet ik gewoon een vernietigend verhaal houden, met een opzwepende oproep tot actie aan het einde, waar de witte mensen te horen krijgen wat ze beter moeten doen, om vervolgens dapper genoemd te worden tijdens het daaropvolgende diner?

Ik denk opnieuw aan Nelson Mandela en aan alle dingen die hij heeft bereikt, en zelfs aan de dingen waarin hij heeft gefaald. Hij heeft niet gewonnen door de kracht van zijn retoriek of door gewaagde toespraken waarin hij de macht de waarheid zei. Als krachtige toespraken en het uitspreken van de waarheid hadden gewerkt, zou hij geen 27 jaar in de gevangenis hebben gezeten. Het veranderen van systemen is moeilijk, en vaak langzaam en pijnlijk. Het is nog moeilijker en pijnlijker om de houding van mensen te veranderen. Om te begrijpen hoe machtig of machteloos mensen zijn, kijk ik liever niet naar wat ze kunnen doen of wat ze mogen doen, maar naar hoe erg ze mogen falen, en hoeveel ruimte ze krijgen om fouten te maken en niet afgeschreven en uit de geschiedenis geschrapt te worden. Ik kijk naar hoeveel tijd ze hebben om te staan en te staren. Hoeveel tijd ze hebben om onbekommerd in de regen te dansen, zonder dat tegen ze wordt gezegd dat ze nuttige tijd aan het verspillen zijn. Hoeveel ze als vanzelfsprekend kunnen beschouwen.

Er zijn veel redenen voor urgentie in de wereld waarin we leven. Er zijn veel redenen voor urgentie onder minderheden en onder zwarte mensen, in een wereld die steeds meer wordt gedreven door angst en hebzucht, door xenofobie en nationalisme. Er zijn veel redenen voor zwarte waakzaamheid in professionele ruimtes waar we vaak worden beoordeeld op basis van de hoogste normen, terwijl we in de rij staan om de weinige plekken te bezetten die de wereld, gedreven door de nieuwe rage van de diversiteit, voor ons binnen haar machtsstructuren heeft gereserveerd.

Een van de meest vrije, en misschien wel een van de krachtigste, manieren om ons door de wereld te bewegen, is het in staat zijn om te staan en te staren, zonder de angst om beoordeeld te worden. Dus als je een zwarte persoon ziet die stopt om op adem te komen, die geen zin heeft om te komen opdagen, die niets anders doet dan staan en staren, laat hem of haar dan met rust. Je hebt er misschien wanhopig behoefte aan om de weg te vragen naar de stad Diversiteit of naar de stad Dekolonisatie. Doe het niet. Gun hem of haar dezelfde luxe als jezelf, om niet altijd over ras te hoeven praten, of zichzelf aan jou uit te hoeven leggen. Laat ze dansen in de regen, en als ze in de kamer terugkomen, met druipend haar en nog steeds lachend, neem ze dan serieus.

Vergeet niet dat wij net als jullie niet altijd uitmuntend zullen zijn. Net als jullie zullen de meesten van ons gemiddeld zijn. En gemiddeld zijn is prima. We zouden onze bekwaamheid niet hoeven bewijzen om met menselijke waardigheid behandeld te worden, we zouden niet uitzonderlijk hoeven zijn om door de wereld te mogen gaan en die in al haar schoonheid en wreedheid te mogen aanschouwen. We hebben geen bijzondere omstandigheden nodig om te mogen staan en te staren, in Nigeria of in Botswana of in Congo. We hoeven niet uniek te zijn om in de regen te mogen dansen, in Berlijn of in Kopenhagen of in Amsterdam. Als je je schuldig voelt of als je verdwaald bent en je over dromende zwarte mensen struikelt, vraag ze dan niet de weg. Gebruik Google. Het werkt.


Dit is een ingekorte versie van de Nelson Mandela-lezing die Elnathan John op 1 maart uitsprak. De lezing wordt georganiseerd door ZAM Magazine
Vertaling Menno Grootveld

Enathan John (1982) is schrijver en satiricus. Zijn essays en blogs werden onder meer gepubliceerd in en In 2015 debuteerde hij met dat werd vertaald in het Frans en het Duits. In 2019 volgden en zijn eerste stripboek in samenwerking met Alaba Onajin,