Kunnen we liefde uitbesteden?

Psychiaters onderling

Heb je gehoord dat de slager dood is?
Ja, vrij plotseling,
het was toch geen suïcide?
Nee, nee gelukkig niet,
hij is meer in het algemeen dood.
O, dan is het goed.
Taal is trouweloos gereedschap. Kinderen leren dat woorden vaste betekenissen hebben, volwassenen weten wel beter. Niet alleen het zinsverband, maar vooral de context bepaalt wat een woord zegt. Dat zou nog niet zo erg zijn, ware het niet dat twee gesprekspartners vaak een totaal verschillende kijk op die context hebben. Het misverstand is alomtegenwoordig, bovendien kan men de ander welbewust misleiden. Politici doen dat de hele dag, maar u en ik ook. Minder schadelijk, maar even verwarrend zijn verschijnselen als humor en ironie. Hopen we niet altijd dat onze vrienden en vijanden menen wat ze zeggen?
Lekker dood in eigen land, de nieuwe bundel van Frank Koenegracht (1945), wordt afgesloten met een bewerking van Psalm 12, een merkwaardig lied waarin de betrouwbaarheid van taal centraal staat. Nu staat Koenegracht, tot voor kort praktiserend psychiater, niet bekend als een religieus geïnspireerd dichter, maar wel als een man die zich permanent realiseert dat soepele en eerlijke communicatie uitzonderlijk is. In zijn gedichten worden vaak de vreemdste dingen gezegd, waarbij het meest verontrustende aspect is dat de woorden meestal uitgesproken worden in situaties die overigens heel gewoon lijken. Mede door de opvallende positie in de bundel krijgt de psalm een poëticale lading: ‘Iedereen glimlacht en liegt tegen zijn buurman/ met twee gedachten in zijn hart.’ Geldt die dubbelhartigheid niet ook voor de dichter? In de volgende strofen hoopt de psalmist dat God zal ingrijpen:

De Heer slaat die valse tongen en waardeloze woorden
neer, vooral van hen die zeggen: wij winnen

want wij hebben onze mond
en wie is onze meester.

De woorden van de Heer zijn daarentegen zuiver 'als zilver dat zevenmaal gesmolten is’.
Enerzijds wordt hier de staf gebroken over onoprechtheid, waarbij God geacht wordt de leugenaars te straffen. Anderzijds blijft in het midden aan welke kant de dichter staat. Is het niet zo dat de poëzie van nature én goddelijk en zuiver is, én ambigu en gekleurd door vaak niet al te verheffende bedoelingen? Hoe het ook zij, in het werk van Koenegracht zijn verschillende stemmen waar te nemen. Sommige gedichten zijn niet meer dan flauwe grapjes, zoals een Uiterst kort gedicht met politieke strekking, dat zo luidt: 'De turkse tortels koerden.’ In andere gedichten overheerst een sfeer van melancholie, verdriet en absurditeit. Bij een dichter die zwartgalligheid en humor naast elkaar zet, roept zo'n psalmbewerking vooral vragen op.
Koenegracht treedt expliciet in dialoog met andere literatoren, niet alleen door gedichten op te dragen aan J.H. Leopold, Rudy Kousbroek, Gerrit Komrij en A. Moonen, maar ook door in de bundel een aantal vervreemdende tekeningen (in gemengde technieken) op te nemen, die op de een of andere manier gelieerd zijn aan het werk van zijn collega’s. Naast J.C. Bloem, Kafka, Lucebert en Jules Deelder neemt Freud een ereplaats in. Hoewel Koenegrachts gedichten bij eerste lezing een terloopse indruk maken, weet hij precies wat hij doet.
Zoals de titel al doet vermoeden, wordt er in dit boek veel gestorven. Buitengewoon ontroerend is een licht absurd gedicht waarin een oude zoon zijn heel oude moeder aanraadt bij de thuiszorg een zwaan te bestellen:

Ze worden thuisbezorgd en in je bed gelegd.
Ze slaan hun linker vleugel om je heen: dat
is tegen angst voor duizeligheid en ze leggen
hun snavel op het andere kussen:
dat is tegen eenzaamheid.
In dit tedere beeld neemt de zwaan ’s nachts de beschermende rol van de dodelijk vermoeide zoon over. Is de zwaan niet een traditioneel beeld voor de dichter? En is dit gedicht niet even liefdevol als het gebaar van de zorgzame vogel? Tegelijkertijd roept het gedicht de problematiek van de ouderenzorg op. In hoeverre is het humaan, mogelijk of noodzakelijk liefde uit te besteden? Een vergelijkbare kwestie speelt in het 'In memoriam’ voor A. Moonen: 'Ik hoop maar dat hij bij de lamp zat/ toen hij is gestorven of dat tenminste/ de lamp bij hem is komen staan.’ Want, zo verzucht de dichter, 'wat ben ik blij dat jij/ nooit bij mij bent komen wonen’.
Dat normaliteit en gekte vlak naast elkaar liggen, blijkt in een hilarisch gedicht over oom Jo. Als deze man zijn handschoenen uitdeed, kon je hem gewoon een hand geven. Zijn benen hadden geen speciale kenmerken. 'Als oom Jo zijn pik tevoorschijn haalde/ zag je een kleine paarse kers in een struik// en iedereen zei dan: typisch oom Jo.’ Maar als hij zijn hoed optilde, 'begon iedereen die in de kamer was te schreeuwen’.
De omgang tussen mensen kan een liefdevol gevecht zijn dat geen taal behoeft. Het mooiste gedicht van de bundel vertelt dat boksers het land verlaten omdat 'er haast niet meer te boksen valt/ of alle boksers staan te huilen/ of ze kennen elkaar te goed/ vanwege de lange omhelzingen/ tijdens de gevechten’. De boksers voelen wel aan dat het zo het beste is, en zien liever dat een onbekende de ring in glipt en hen verslaat. In de laatste strofe blijkt het verhaal een allegorische betekenis te hebben: 'Zoals het heerlijk is in slaap te vallen/ na een storm van gedachten.’ Is deze dichter moe? Elders roept hij na een beschouwing over zijn huidproblemen uit: 'Dood maak het niet te laat!’ Maar wie zo geestig over verschrikkingen kan schrijven als Koenegracht, is springlevend.

FRANK KOENEGRACHT
LEKKER DOOD IN EIGEN LAND
De Bezige Bij, 56 blz., € 19,90