Op 2 juni vorig jaar publiceerde persbureau ANP een nieuwsfoto die binnen een paar uur zijn weg vond naar het grote publiek. De foto was van een vol Malieveld, althans, vol volgens de geldende coronaregels. Honderden demonstranten vulden Nederlands bekendste grasveld, naar aanleiding van de dood van de Amerikaan George Floyd, die een week eerder door een politieman de adem werd ontnomen. Een dag daarvoor vond een nog veel grotere demonstratie plaats op de Dam in Amsterdam, en het debat over de vraag of de Dam te vol was en of het stadsbestuur hem had moeten laten ontruimen hing boven de demonstraties van 2 juni in Den Haag en andere steden.

‘Ik had met mijn redacteur bij het ANP besproken hoe we het eerlijkst in beeld konden brengen hoe druk het nou was en of mensen afstand hielden’, vertelt de Haagse fotograaf Phil Nijhuis, die de foto maakte. ‘Er was daarvoor al discussie geweest over foto’s van winkelstraten en stranden die druk leken, maar dat niet echt waren. Het is met een lange lens heel makkelijk om die indruk te wekken. We waren ons bewust van het gevaar om met een foto het nieuws te vertekenen. Daarom wilden we proberen de demonstratie zo objectief mogelijk te fotograferen en bedachten we dat het eerlijk zou zijn om het vanuit de lucht te doen met een wijde lens. Het was druk maar er werd inderdaad goed afstand gehouden. De organisatie van Black Lives Matter was er erg mee bezig, met kruisjes op het gras en zo. Dat kun je zien.’

Nederlandse en sommige buitenlandse media plaatsten de foto bij hun nieuwsverhalen over de wereldwijde fallout van George Floyds dood. ‘Protesters stand at a safe distance apart during a protest on the Malieveld in The Hague’, schreef de Britse krant The Sun er bijvoorbeeld bij. Nijhuis’ foto vond ook snel zijn weg in discussies op sociale media over de Black Lives Matter-demonstraties, op Twitter maar ook op andere platforms, zoals Reddit.

In de Engelstalige poot van Twitter plaatste iemand hem in een discussie met de bekende Amerikaanse politicoloog Ian Bremmer, waardoor de foto via Bremmers zeshonderdduizend volgers een behoorlijk publiek bereikte. In Nederland verscheen de foto in een gesprek met Seada Nourhussen, de hoofdredacteur van OneWorld en een invloedrijke stem in het racismedebat. Zij retweette en likete de foto en gaf hem daarmee een zetje in de discussie over belang versus risico van antiracismedemonstraties in coronatijd. Met commentaar als ‘Yes we can’ en met hashtags als #agga (Den Haag) ging de foto vervolgens op Nederlandstalig Twitter rond.

De foto van Phil Nijhuis van het Malieveld, zou je kunnen zeggen, deed wat een goede nieuwsfoto hoort te doen. Hij bracht een nieuwsgebeurtenis in beeld met een zorgvuldig overwogen perspectief, op een manier die het algemene publiek in staat stelt om zich over die gebeurtenis te informeren en die onderling te bespreken. Twitter functioneerde vervolgens zoals je hoopt dat een sociale-mediaplatform dat zou doen: de foto vond zijn weg (helaas vaak zonder de verwijzing ‘ANP’, laat staan ‘Phil Nijhuis’) naar discussies die van belang zijn voor burgers om te voeren.

De foto van het Malieveld, en de discussie eromheen, is echter een uitzondering. De traditionele nieuwsfoto, die in vorm en inhoud is gericht op het geven van informatie, is een uitstervende soort op de sociale media waar we ons nieuws bespreken. Ze worden wel geplaatst, maar nauwelijks gedeeld en besproken. Nieuwsbeelden zijn een wolk geworden van visuele meningen, haatfiguren, screenshots uit filmpjes, en zo meer, die het nieuws waar zij betrekking op hebben zelden centraal stellen, en meestal overslaan.

Data & debat

Het publieke debat zou een vrije marktplaats moeten zijn waar ideeën met elkaar strijden, net zo lang tot het beste idee bovendrijft. Zo dacht John Stuart Mill erover. Maar wat blijft daarvan over in tijden van nepnieuws, bots en microtargeting?

Nu het debat in toenemende mate online plaatsvindt is het belangrijk te onderzoeken op welke manier algoritmes, dataïsme en kwaadwillenden daar invloed op hebben. Data & debat onderzoekt dat samen met de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Amsterdam en freelance onderzoekers.

Zo onthulden we eerder hoe Rusland een grootschalige desinformatiecampagne rond het neerstorten van MH17 optuigde en lieten we zien hoe online haat vrouwen uit de politieke arena dreigt te verdrijven.

De omgeving waarin die beelden op Twitter worden besproken, is niet alleen sterk gepolariseerd – dat weten veel mensen wel – maar ook veel vreemder gesegregeerd dan we wellicht weten. ‘Links Twitter’ is een omgeving die niet alleen linkse twitteraars omvat, maar ook de neutrale deelnemers op het platform, zoals gemeenten of de politie. Politieke partijen en politici zijn niet verdeeld naar politieke kleur: simpelweg alle politici en partijen die niet rechts-populistisch zijn, zitten bij elkaar, aan die ‘linker’ kant, terwijl ‘rechts’ draait om mannen als Geert Wilders en journalist Joost Niemöller. En dat rechts-populistische Twitter – gemeten naar het aantal retweets, een indicatie van de activiteit binnen die omgeving – is ruim dubbel zo groot als de links/neutrale omgeving.

Dat blijkt uit een onderzoek van De Groene Amsterdammer en Jeroen Bakker van de Utrecht Data School naar het gebruik van nieuwsfoto’s en andere afbeeldingen in gesprekken op Twitter. We kozen voor dat onderzoek vijf recente nieuwsgebeurtenissen die voor veel debat zorgden in Nederland: de Black Lives Matter-demonstraties van begin juni 2020, de brand in het Griekse vluchtelingenkamp Moria drie maanden later, de aanval op het Capitool in Washington door aanhangers van president Trump in januari, de uit de hand gelopen coronaprotesten op het Museumplein van afgelopen maart, en het conflict tussen Israël en Hamas in mei.

Een gedetailleerde ‘staalkaart’ van Nederlands Twitter rondom die nieuwsmomenten, en een analyse van de beelden die het meest worden gedeeld en besproken, bevestigt sommige conclusies die uit eerder data-onderzoek in De Groene werden getrokken (bijvoorbeeld over de dominantie van ‘alt-right’ en ‘alt-light’ op Nederlandstalig Twitter, gepubliceerd op 28 september 2019). Het beeldgebruik op Twitter geeft een weinig verheffende indruk van publieke discussies over nieuws. Het delen van grappige, boos makende, snedige en partijdige afbeeldingen is op zich niet zo erg, tot je een overzicht krijgt van een nieuwsdiscussie in zijn geheel, en ziet hoe weinig anders daar voorbij komt. En niet éénmaal, maar bij elke grote nieuwsdiscussie opnieuw. Het nieuws zelf, waar de discussies over gaan, gaat er bijna volledig achter schuil.

Dakloze vluchtelingen en migranten uit het verbrandde Moria kamp op Lesbos, 11 september 2020 © Angelos Tzortzinis / AFP / ANP

Een van de bekendste gezichten op Nederlandstalig Twitter is de Afghaan Hussein (16 jaar). Dat Hussein zo bekend is, heeft hij te danken aan dat 16. Dat stond namelijk achter zijn naam toen hij vroeg in 2020 in een NOS-journaal werd gevraagd naar de situatie in Griekse opvangkampen. Volgens rechts Twitter is het evident dat Hussein, met zijn aarzelende snorretje, minstens 36 is. Een screenshot van Husseins gezicht op de Nederlandse televisie, met naambalk en leeftijd, wordt in ieder geval vanaf maart vorig jaar regelmatig gepost als het over vluchtelingenkampen in Griekenland gaat.

En niet alleen over kampen in Griekenland, trouwens. Het onderwerp kan ook vluchtelingen in het algemeen zijn. Of asielzoekerscentra. Of de NOS. Want ‘Hussein (16 jaar)’, zo maken tweets met zijn portret duidelijk, is een visueel bewijs dat alle berichtgeving rondom vluchtelingen vals is, dat vluchtelingen leugenaars zijn en dat de NOS fake news is. ‘Hee, daar heb je Hussein weer!’ begroeten rechtse twitteraars de jongen/man als iemand zijn portret weer eens ergens bij plaatst. Linkse twitteraars, zoals Leo Lucassen of Sheila Sitalsing, ontvangen hem soms in hun tijdlijn, met commentaar van een rechtse twitteraar dat ‘Hussein (16 jaar)’ blij met ze is. Links Twitter deelt Husseins gezicht trouwens ook veel – in discussies over de brand in Moria bijvoorbeeld, om te laten zien wat voor een laag allooi er nu toch weer op rechts Twitter zit.

Hussein is zo populair vanwege de functie die afbeeldingen als die van hem op sociale media hebben, zegt communicatiewetenschapper Michael Hameleers van de Universiteit van Amsterdam. ‘Delegitimering van het establishment en van het officiële verhaal is in rechts-populistische gebruikersgroepen op Twitter, maar ook op Facebook of andere sociale media, heel sterk een doel op zich’, stelt hij. ‘Daar horen afbeeldingen bij die snel ergens een delegitimerend label op kunnen plakken en die een sterk antagonistisch perspectief geven. Memes doen hetzelfde. De nieuwsaanleiding zelf is minder belangrijk, wat telt is de snelle diskwalificatie die je met zo’n afbeelding kunt geven.’

Die functie heeft ook een ander soort afbeeldingen dat veel op Twitter wordt gedeeld: haatfiguren van de ‘overkant’ van Twitter. Links Twitter ergert zich kennelijk graag aan Thierry Baudet, als die ergens mee dweept of geen anderhalve meter afstand houdt tot bijvoorbeeld Volendamse meisjes. Of aan Annabel Nanninga, als die iets heeft gezegd wat ingaat tegen een wolk van antisemitische uitspraken die ze eerder heeft gedaan. Maar vooral rechts Twitter deelt graag allerlei haatfiguren met elkaar: rapper Akwasi en Kick Out Zwarte Piet-voorman Jerry Afriyie, de Amerikaanse afgevaardigde Nancy Pelosi en haar schoonzoon, de journalist Michiel Vos, presentator Twan Huys en, vooral, Sigrid Kaag.

De beeltenis van de D66-leider dook telkens op, in verschillende poses, toen rechts Twitter de oorlog tussen Hamas en Israël besprak, eerder dit jaar. Het illustreert Hameleers’ punt: nieuws was het feit dat Kaag getrouwd is met een Palestijn allang niet meer, het was ook al jaren geleden uitgebreid op sociale media besproken. Dat haar beeltenis het nieuws en de foto’s over het Israëlisch-Palestijnse geweld welhaast verdrong, illustreert de functie die haar foto kennelijk heeft als verwerping van wat de Nederlandse regering of linkse twitteraars ook maar van de oorlog zouden vinden.

Het posten van afbeeldingen heeft nog een extra voordeel, stelt Hameleers: ze zijn geen tekst. ‘Op een plek waar feiten minder waarde hebben, zoals in zulke groepen op sociale media, zetten beelden zich extra af tegen het establishment’, zegt hij. ‘Ze hebben een emotionele lading en zijn aantrekkelijk omdat ze een andere vorm gebruiken dan de nette en abstracte taal waarin degenen die zogenaamd liegen zich uitdrukken.’

'Beelden hebben een emotionele lading en zijn aantrekkelijk omdat ze een andere vorm gebruiken dan de nette, abstracte taal waarin degenen die zogenaamd liegen zich uitdrukken'

‘Alternatieve afbeeldingen’, noemt Hameleers dit soort beelden: snelle, makkelijk inzetbare diskwalificaties die het andere kamp op Twitter bespotten of delegitimeren, en die vaak niet of alleen zijdelings over het nieuws gaan dat wordt besproken in de discussies waarin deze afbeeldingen worden gepost. In aantallen tellen ze, als je nieuwsdiscussies op Twitter bestudeert, behoorlijk op. Het nieuws zelf is vaak nauwelijks te zien.

Het bespreken van het nieuws is ook niet het primaire doel van nieuwsdiscussies op sociale media, vooral niet in de rechtse hoek van Twitter: dat is, met name voor rechtse gebruikers, het formuleren van de eigen identiteit. Dat is de overtuiging van Ofra Klein. Klein is een Nederlandse onderzoekster die aan de Europese Universiteit in Florence onderzoek doet naar de communicatie van radicaal rechts op online platforms. ‘Het tonen wat de andere kant doet en dat bekritiseren, is op alle sociale media populair’, zegt ze in een Zoom-gesprek vanuit een kantine van de universiteit. ‘Het sluit aan op het identiteitsgevoel waarvoor veel mensen de sociale media gebruiken, en helpt om hun eigen identiteit vorm te geven.’

Online debatteren wordt er ook veel leuker van als je een andere kant hebt om te bespotten en te haten. Nadat zijn aanhangers het Capitool in Washington hadden aangevallen, schrapte Twitter het account van Donald Trump, terwijl Facebook allerlei groepen sloot van radicaal-rechtse gebruikers, die onder meer waren gebruikt om informatie uit te wisselen over de Capitool-bestorming. Als reactie hierop migreerden boze en verweesde rechtse twitteraars en facebookers naar alternatieve platforms als Gab en Parler. Maar die konden kennelijk niet altijd dezelfde zingeving bieden. ‘Op Gab en Parler zitten mensen uitsluitend samen met mensen die hetzelfde zijn. Dat blijkt toch een stuk saaier’, zegt Klein. ‘Een deel van de aantrekkingskracht van Twitter is juist de polarisatie.’

De algoritmes van Twitter, net als die van Facebook, moedigden het veelvuldige voorkomen van haatfiguren en visuele diskwalificaties ook altijd aan. ‘Hoe heftiger de reacties op een afbeelding, hoe hoger die in de tijdlijnen van gebruikers kwam te staan’, zegt Klein. Na de storm van kritiek die sociale media over zich heen kregen hebben sociale-mediabedrijven hun algoritmes wel aangepast – zeggen ze in ieder geval -, maar het effect daarvan is nog onduidelijk.

Netwerkvisualisatie van 500.000 Nederlandstalige Twitter­berichten, geplaatst in de periodes rond de in het artikel onderzochte nieuwsgebeurtenissen. Gebruikers worden in het netwerk gerepresenteerd als stipjes, de lijnen tussen hen betekenen dat de gebruiker een bericht van de ander heeft geretweet. De kleuren geven ‘clusters’ van gebruikers aan. Zij retweeten elkaar bovengemiddeld vaak, wat er in de meeste gevallen op duidt dat zij met elkaar instemmen. © Jeroen Bakker, Utrecht Data School

Wel duidelijk is dat op sociale media de fotojournalistiek hier een van de slachtoffers van is, en het soort beelden dat wij als nieuwsfoto zouden herkennen. Wat we ‘traditionele nieuwsfoto’s’ zouden noemen zijn foto’s die proberen een nieuwsverhaal te vertellen. Zulke foto’s kunnen daarbij best een visie op een gebeurtenis geven, maar zijn ontegenzeggelijk bij die gebeurtenis gemaakt en brengen een aspect daarvan in beeld. In ons onderzoek troffen we maar vijf van zulke foto’s aan onder de meest gedeelde beelden, zoals een lockdown-feest in een volgepakt Vondelpark, vastgelegd door fotojournalist Joris van Gennip, en een door persbureau AFP verspreidde foto van demonstrerende vluchtelingen buiten Moria. Vier van die vijf foto’s figureerden in gesprekken op links/neutraal Twitter, slechts één op rechts-populistisch Twitter.

Somber geïnterpreteerd zou je daarom kunnen zeggen dat in Nederlandse nieuwsdiscussies op Twitter, vooral in de rechtse omgeving, het nieuws zelf vaak verdwijnt achter een zwerm van tamelijk inwisselbare en telkens toepasbare visuele kwalificaties. Maar dat klopt ook weer niet. Bij de spaarzame nieuwsfoto’s die door fotojournalisten zijn gemaakt komen namelijk ook foto’s die bekende of onbekende twitteraars hebben gemaakt, bij pro-Israël- of pro-Palestijnse demonstraties bijvoorbeeld. Dat kun je zien als ‘burgerjournalistiek’, waar lansdragers als de New Yorkse hoogleraar journalistiek Jay Rosen veel potentie in zien. De bekende bezwaren tegen burgerjournalistiek zie je er ook in terug: dat de kwaliteit en informatiewaarde doorgaans laag zijn.

Problematischer is het daarom dat ook veel beeldmateriaal bestaat uit screenshots die verwijzen naar korte filmpjes. Met name op rechts-populistisch Twitter verwijzen die vaker naar filmmateriaal van dubieuze afkomst. Op links Twitter wordt relatief vaak verwezen naar beelden die werden uitgezonden door de NOS of RTL. Op rechts-populistisch Twitter verwijzen ze relatief vaak naar materiaal afkomstig van bronnen als Ruptly, een internetzender die gecontroleerd wordt door de Russische staat en die regelmatig van het fabriceren van nepnieuws is beticht. Andere voorbeelden zijn het sterk naar samenzweringstheorieën hangende Ongehoord Nederland en de omstreden Amerikaan Jayden X, die zich ‘videojournalist’ noemt maar die een celstraf boven het hoofd hangt voor opruiing tijdens de Capitool-rellen. Dit soort ‘alternatieve beelden’ domineert op rechts Twitter de traditionele fotojournalistiek volledig.

Een positieve uitkomst van dit onderzoek, zou je met enige goede wil kunnen zeggen, is de beperkte rol die visueel nepnieuws in Twitter-discussies lijkt te hebben. Het is er wel, zoals een getructe foto waarop het leek alsof een groep vluchtelingen lachend een selfie nam voor het brandende kamp Moria. Die leverde dan ook meteen veel discussie op: de ‘ontmaskering’ van de foto werd op links/neutraal Twitter veel meer gedeeld dan het origineel op rechts.

Maar mediawetenschapper Peter Burger van de Universiteit Leiden, die gespecialiseerd is in nepnieuws, kan in de veel gedeelde foto’s in de door ons onderzochte nieuwsdiscussies geen ander nepnieuws ontdekken. ‘Het probleem is hier eerder dat er zoveel afbeeldingen voorkomen die we “hyperpartijdig” noemen: een zeer eenzijdige selectie van beelden die bedoeld is om een bepaald frame op het nieuws te ondersteunen’, zegt Burger in een telefonisch gesprek. ‘Vaak zijn die hyperpartijdige afbeeldingen een vorm van bullshit waar Donald Trump zich voortdurend van bediende. Het zijn allemaal snippers nieuws en beeld waarvan het niet uitmaakt waar ze naar verwijzen en of ze waar zijn, zolang ze het juiste doel maar dienen; de conclusie staat van tevoren al vast.

In andere gevallen zijn ze een manier om de cognitieve dissonantie op te lossen: een fenomeen waarbij je overduidelijk kunt zien dat iets waar is, terwijl het niet aansluit op de manier waarop je de wereld ziet. Je ziet dat bijvoorbeeld bij de beelden die op rechts-populistisch Twitter werden gedeeld na de aanval op het Capitool: een partijdige selectie die moest suggereren dat er vijanden achter zaten, of dat het officiële verhaal niet klopte.’

Hussein in beeld uit het NOS-Journaal waar hij werd gevraagd naar de situatie in Griekse opvangkampen, 2020 © NOS

De vraag is of dit erg is. Eén op de zes Nederlanders is actief op Twitter en er zijn weinig andere plaatsen waar maatschappelijk debat en uitwisseling van standpunten zo open en op deze schaal kunnen plaatsvinden. Als de gedeelde afbeeldingen in discussies over nieuws een indicatie zijn van wat de deelnemers belangrijk vinden, en een indicatie van de kwaliteit van die discussies, dan geeft het de indruk van een eindeloos repetitief en schraal nationaal gesprek zonder overeenstemming over wat het nieuws eigenlijk is waar de gesprekken over gaan.

Mediawetenschapper Judith Rosenbaum vindt het eigenlijk te vroeg om zo’n oordeel te vellen. De manier waarop Nederlandse twitteraars afbeeldingen gebruiken, en hun voorliefde voor bespotten en veroordelen, toont voor haar vooral aan dat Twitter een politieke ruimte is die misschien niet aan ons ideaalbeeld voldoet, maar wel een belangrijke functie heeft. Een die vooral persoonlijk is. ‘Alles wat mensen doen op Twitter, is een identiteitsperformance’, zegt ze.

Rosenbaum is een Nederlands-Amerikaanse onderzoeker, die in Nederland haar studie en promotie deed en daarna naar de VS vertrok, nu bij de University of Maine. In haar vorig jaar verschenen Twitter, the Public Sphere, and the Chaos of Online Deliberation beschreef ze hoe Twitter aanvankelijk door veel wetenschappers werd gezien als een platform met een groot, positief democratisch en maatschappelijk potentieel. Zij hadden gezien hoe discussies die waren begonnen als #MeToo en #BlackLivesMatter uitgroeiden van een ‘hashtag’ op Twitter tot wereldwijde transformerende bewegingen. Maar zij zagen daarna ook de rol van Twitter en andere sociale media-platforms bij de verkiezing van Donald Trump, Brexit, en de diepgaande polarisatie in de VS en andere landen.

Rosenbaum wil de positieve en negatieve kant van Twitter blijven zien. Dat begint voor haar met het erkennen dat Twitter, net als andere sociale media, geen publieke sfeer vormt. ‘Ik ben echt opgevoed met het idee dat democratie een publieke sfeer is. Jürgen Habermas, zeg maar, we komen allemaal samen in een rationele conversatie om tot een compromis te komen’, zegt ze. ‘Wat je op Twitter ziet, strookt daar niet mee. Je ziet dat mensen zich bewegen in enclaves die vaak binnen, maar soms ook buiten de publieke sfeer liggen. Op Twitter zie je dat niet alle groepen interesse hebben om met elkaar in conversatie te gaan en deel uit te maken van een publieke sfeer. Grote groepen mensen vinden het prima om alleen met gelijkgestemden te praten, anderen uit te lachen en alleen onderling tot een vergelijk te komen. Het idee van de publieke sfeer past er niet op.

Twitter lijkt meer op de politieke arena zoals Chantal Mouffe die voor zich ziet: mensen worden gepassioneerd en schreeuwen tegen elkaar, en blijven in die vijandschap zitten. Het is niet hoe Habermas het voor zich zag, maar ik wil ook niet nu al concluderen dat het heel erg is. Vroeger werden we bijna nooit geconfronteerd met mensen met écht heel andere meningen dan wij, wier visie op de samenleving niet enigszins maar fundamenteel verschilt van de onze. Nu wel. Maar misschien vormt de reactie daarop zich pas langzaam. Habermas’ visie was een ideaal, en niet realistisch.’

UvA-onderzoeker Michael Hameleers beschouwt het met meer zorg. Het beeldgebruik op Twitter is voor hem een signaal van het verdwijnen van gemeenschappelijke feiten, en daarmee ook van de mogelijkheid van een gemeenschappelijk debat. ‘In een democratie mogen mensen het best met elkaar oneens zijn, maar wil je wel dat ze dezelfde feiten erkennen’, zegt hij. ‘Als mensen niet meer vanuit dezelfde realiteit redeneren, kun je het niet meer op een normale manier oneens zijn.’

Dit artikel is geschreven op basis van een gezamenlijk onderzoek van De Groene Amsterdammer en de Utrecht Data School.