Ze gedragen zich als kleuters, las ik in de krant. Een hoogleraar klinische psychologie ergerde zich aan zijn studenten. Hij vond dat als je alle angst uit de opvoeding weghaalt, je kinderen kweekt zonder zelfkritiek en zonder ambitie. De gedachte aan tuchtiging zit nog in mijn hoofd als ik naar het Stedelijk fiets. De vorige keer dat ik werk van Mike Kelley zag, leefde hij gewoon nog.

Het was in Brussel, in een voormalige brouwerij, en er waren maquettes tentoongesteld die hij had gemaakt van de scholen en academies die hij had bezocht. Ik had een foto van de kunstenaar gezien, een enorme vent, zo’n twee meter lang, met een oneindig lief gezicht. Een gids leidde ons rond. ‘Is er misschien iemand van u die er even onder wil gaan liggen?’ vroeg ze bij een van de stellages.

Vóór mij fietst een meisje achter haar moeder aan. Dit is een van de drukste straten van de stad. De moeder, met nog een kind achterop, jakkert als een gek, het kind volgt haar blindelings. Nét nog door oranje, het kind staat op haar trappers, aarzelt geen moment. De moeder kijkt niet om, het lijkt alsof ze een hond aan het afschudden is. Ik sjees er achteraan, door rood inmiddels, om het meisje rugdekking te bieden.

Ik aarzelde, toen die gids dat vroeg. Al had ik me even daarvoor toch al belachelijk gemaakt door bij een vloerkleed met grillige hopen op te merken dat het mij vooral aan fecaliën deed denken. ‘Awel, wat zegt dat over u hè’, had de gids met haar omfloerste Vlaamse accent gezegd. Op een grote tafel stond de maquette van de middelbare school waarop de kunstenaar had gezeten en van zijn ouderlijke woning. Het was een stelsel van witte gebouwen, uit flinterdun hout opgebouwd, in een samenraapsel van stijlen – van kneuterige buitenwijkarchitectuur tot een kitscherig neoklassiek gebouw. De highschool from hell.

‘Als je goed kijkt’, zei de gids, ‘zie je dat allerlei lokalen niet goed op elkaar aansluiten, en dat ze zomaar in het niets eindigen.’

Ze legde uit dat de kunstenaar putte uit zijn geheugen, en dat de muren die nergens op uit kwamen en de lege ruimtes de onvolkomenheden en gaten in zijn herinnering verbeeldden. Onder de tafel lag een kussen. Als je daarop ging liggen, kon je de verborgen ruimtes zien.

Opnieuw doemt een levensgevaarlijke kruising op, ik moet eigenlijk naar rechts om op het Museumplein te belanden. Hoe grenzeloos loyaal zijn kinderen. Zie haar gaan, racen op niks af. Wat zou die vrouw, dat mens, vóór deze hellerit tegen haar dochtertje hebben gezegd? Of zou het iedere dag zo gaan?

Zo gauw de groep zich onder leiding van de gids naar de volgende zaal begaf, liet ik me onder de tafel zakken. Afgelopen week las ik in een interview met kunstenares Tinkebell dat zij het meest geleerd had van haar, inmiddels overleden, galeriehouder Adriaan van der Have. Hij keek altijd eerst naar de achterkant van haar werken, omdat je daaraan kunt zien hoe serieus een kunstenaar is. Er bestaat geen achterkant; alles telt mee. Bij Kelley moet je naar de onderkant kijken. In het labyrint dat zich boven mij ontvouwde, waren de houtjes nu niet wit maar roodbruin. Als een automonteur die onder een auto lag te sleutelen, zo had de kunstenaar gewerkt aan de onderkant of het onderliggende verhaal: fantasieën, wensen, leugens, dromen, nachtmerries – de wereld onder de wereld, de echte woorden onder de onechte. Ik volgde met mijn hand de kronkelende gang naar de kelder.

Interpretatie is de wraak van de criticus op de kunst, vond Susan Sontag. Immers: door iets te duiden maak je iets klein. Maar wat is de kunst dan?

Een collega vertelde me laatst nooit iets uit te hebben kunnen lezen van Arnon Grunberg. Ik reageerde verbaasd. Hij maakte een wegwerpgebaar. Dat hij het echt van die cynische boeken vond van iemand die vroeger gepest was, en die nu een manier had gevonden om superieur te doen. Ik had er nog nooit op die manier naar gekeken. Maar als je die zienswijze eenmaal toelaat, blijkt er geen houden meer aan. Dan is alles wat bedacht en gemaakt wordt een vorm van wraak. Dan is kunst de wraak van de misfit op het leven. Maar alles wat daar dan weer van gevonden wordt, is even zo hard de wraak van de middelmaat. Het leven dwingt je voortdurend je te gedragen alsof het minst belangrijke van levensbelang is. Terwijl een kunstwerk je in een schok iets toont dat daaronder ligt. Daar moet je tegen kunnen.

Ondertussen ben ik verloren. Ik kan het fietsende meisje nu niet in de steek laten. Misschien is ze heel goed af met een moeder die het goed uitkomt om alle vertrouwen in haar rijkunst te hebben. Is ze heel goed af omdat ze gedwongen wordt zelfstandig beslissingen te nemen. Ik zie alleen nog maar haar dappere rug, de lange blonde haren die dansen op het gewatteerde jack, de monsters om haar heen.