Kunst

Steeds strakker regisseer ik,

tot achter de komma uitgekiend,

een voorgenomen troost. Naar

Den Haag ga ik, het Mauritshuis,

groet ’s ochtends vroeg Fabritius,

drink talmend het bekende in,

verschiet, de ogen vol van vulsel,

tot schutkleur van het Puttertje,

vloei samen met het onbegrensd

tromp-l’oeil, voel om mijn wreef

de kleine ketting om de vogelpoot

en ween archaïsch maar doeltreffend

om mijn ander, groter, beter ik:

ik ben weer eens de distelvink.

Ik zet mijn kaarten al lang niet meer

op God. Heer, vrouw, boer en azen

spreid ik, uitgespeeld, op tafel uit.

Mijn geloof deel ik met duizenden,

selfmade godsvrucht puur ik

uit Vermeer, de parel, het gezicht

op Delft, uit Rembrandts zelfportret

en de kleinste bosaardbei van Coorte.

Acryl op doek: mijn wederhelft.

Zo geraak ik niet alleen voorbij

de schaamte, maar zelfs voorbij

het voorbij-zijn van die schaamte.

Buigzaam en devoot heb ik

een god in kunst gewelfd.

Wat nou music for the millions.

Laat mij het erts uit die miljoenen

winnen, ik smeed het ijzer dat

in vrieskou is in God, terwijl het

in die schilderijen eeuwig heet is.

Mijn schuld bij een verworpen God

los ik trillend in bij hen aan wie de

afbetaling welbesteed is: het gilde

van de schilders. Gods hand blijft

leeg, door godgelijke gloed geroerd

voed ik handen van de kunstenaars,

waar al die godgelijkheid zich vol vuur

in samenbalt, tot in het weefsel

van hun palmen. Daar en daar

alleen ontspringt de schat der

sacristie, tot in de fijnste poriën

van hun rechter- en hun linkerpink.


Dit gedicht staat in de bundel Wakend over God_, die op 27 januari 2016 in drie edities (gebonden, paperback en een bijzondere gelimiteerde editie) zal verschijnen bij uitgeverij Hollands Diep_