Kunst als kasplant

Er is een complot blootgelegd waarvan we het bestaan altijd al vermoedden. Naar nu is gebleken spannen kunstambtenaren, kunstmuseumdirecteuren en kunstwetenschappers samen om de hedendaagse kunst als een gesubsidieerd kasplantje in leven te houden. Dit geschiedt door kunst die beantwoordt aan de romantische opvatting van ondoorgrondelijke avantgarde direct het museum in te kopen en daar levend te begraven. Waarom beklagen kunstenaars zich er niet openlijk over dat hun werk voor een potentieel geïnteresseerd publiek nodeloos ontoegankelijk wordt gehouden? Dat is een van de vele retorische vragen die Riki Simons stelt in De gijzeling van de beeldende kunst, een onlangs verschenen ‘pamflet’ in boekvorm.

Om te beginnen geeft Simons een staaltje sociologie ten beste: na 1945 is het de middenklasse die de toon aangeeft, maar die voelt zich onbehaaglijk ten opzichte van de onder- en bovenklasse. Die onderklasse, dat blijken nu de moderne kunstenaars te zijn, die dankzij het staatssubsidieapparaat in de middenklasse worden opgenomen. De bovenklasse bestaat uit kunstverzamelaars, die in dezelfde democratische beweging ‘onschadelijk gemaakt’ worden. Terwijl ooit, in de paradijselijke periode vóór de overheidsbemoeienis, alle heil juist kwam van die bovenklasse, die 'eigenzinnige elite’. Begin deze eeuw waren er in Nederland veel bevlogen bemiddelden die geen kunstgeschiedenis hadden gestudeerd, maar juist daarom zo'n visie tentoonspreidden op door het officiële kunstcircuit nog onopgemerkte kunstenaars. In Simons’ woorden: 'Particuliere verzamelaars waren op een natuurlijke en dynamische manier in hun tijd verankerd. Vaak waren ze de economische gangmakers van de samenleving, en dat gaf de kunst die ze verzamelden de wisselwerking met de wereld die nodig is om die kunst echt levend te laten zijn.’ Zulk juichend proza doet sterk denken aan bevlogen pamfletten als Novalis’ Die Christenheit oder Europa, waarin de allesdoordringende middeleeuwse moederkerk het moderne tijdsgewricht ten voorbeeld wordt gesteld.
De gijzeling van de beeldende kunst is een grote litanie tegen het gilde der 'kunstwetenschappers’, die hetzij museumdirecteur, hetzij kunstcriticus zijn geworden. Goede directeuren (Sandberg) waren dan ook bevlogen 'amateurs’. Slechte directeuren (Wim Beeren en Rudi Fuchs) zijn kunsthistorici die 'ambtenaar’ zijn geworden. En zo orakelt Simons door. Eerst verwijt ze musea dat ze begin deze eeuw (in tegenstelling tot verzamelaars) nooit kunst kochten van kunstenaars toen die nog betaalbaar was. Even later verwijt ze hedendaagse musea kunst rechtstreeks uit het atelier de eeuwigheid in te kopen, zonder dat die werken ooit 'de buitenlucht hebben gesnoven’.
De Nederlandse musea worden afgezet tegen de Amerikaanse, die vooral door verzamelingen van rijke amateurs tot stand zijn gekomen, 'de beste ter wereld’. Dat die collecties goeddeels oude kunst betroffen is een van de talloze details die Simons onderweg verliest als overbodige ballast in een betoog dat maar niet van de grond wil komen. Het hele verhaal over intellectuele kunst die op instigatie van de overheidsdienaren wordt gemaakt en waar steeds minder publiek op afkomt, wordt tenietgedaan door het hoofdstuk over Marcel Duchamp, de meest intellectuele kunstenaar van de eeuw, die Simons nodig heeft om te bewijzen dat een sterke afkeer van musea en erkenning een kenmerk is van de ware kunstenaar.
Wie niet gelooft dat je intellectuele kunst intellectueel moet benaderen en intuïtief gemaakte kunst intuïtief, maakt zich schuldig aan hetzelfde vergrijp als waar Simons zich almaar kwaad over maakt: vanuit een vooropgesteld, achterhaald idee over wat kunst moet zijn de hedendaagse kunst verklaren en reduceren tot een reeks voorbeelden van je eigen pamflet.