Kunst en kitsch

Er is geen ensemble in Nederland dat zulke extreme muziek maakt als de Haagse groep LOOS. Dat werd nog eens bevestigd tijdens het Tijdkring-festival (door LOOS georganiseerd), dat vorige week in Theater Korzo plaatsvond. Het vijftal speelde een nieuwe serie Factor-stukken (F.E. 10 en 11), die het hart van het repertoire vormen. Accoorden die met een vlijmscherpe attaque de tijd aan stukken rijten. De stiltes die tussen deze houweelslagen vallen zijn nooit ontspannend, maar juist onheilspellend en verontrustend.

De Factor-series zijn zo gezichtsbepalend voor LOOS geworden dat ook de componisten van buitenaf die muziek voor de groep schrijven bijna automatisch dit idioom overnemen. Dat gold ook voor Gilius van Bergeijk, die in Demontage 3 een even rigide contrastwerking toepast. De vijf musici spelen een lullig Michael Nyman-barokdeuntje dat als een tredmolen blijft ronddraaien. Plotseling valt het licht uit, een cue voor een mysterieuze nachtmuziek die bestaat uit naargeestig gebrom en exotische piepjes en fluitjes. Zodra het licht weer aanfloept draait de barokcarrousel verder. Deze aan/uit-truc wordt een paar keer herhaald en verliest uiteindelijk zijn charme, maar het contrast tussen het mechanische melodietje en de suggestieve ruimtelijke nachtmuziek is een mooie vondst.
Maar lang niet alle optredens op het Tijdkring-festival pasten zo duidelijk in het artistiek profiel van LOOS. Op het eerste gezicht leek het een ratjetoe van musici en composities. Zo bracht het Mondriaan Kwartet sFwoosh Plug Into The Power - Yipyip! van Huba de Graaff in première. Een merkwaardig stuk, waarbij de strijkers niet veel meer doen dan wat vulsel voor een luidruchtige tape leveren.
Of Sound Pictures door het duo Hugh Davies en Hans Karten-Raecke, dat juist door zijn grappen en grollen, zoals musiceren op een brandende pijp, nogal pretentieus was.
Daartegenover stond een adembenemend optreden van de Oostenrijker Wolfgang Mitterer, die, ingeklemd tussen een geprepareerde piano en een sampler, buitengewoon geraffineerde muziekspinsels te voorschijn toverde. Of hij nu het klavier geselde als een trommel of zich beperkte tot een eenzaam stuiterend pingpongballetje, alles was even muzikaal.
Maar wat was nu de verbindende factor tussen al deze, zo uiteenlopende, optredens? Het was uitgerekend tijdens de vertolking van de Harawi-liederen van Olivier Messiaen (door Jannie Pranger en Gerard Bouwhuis) dat alles plotseling op zijn plaats viel. De muziek van Messiaen is representatief voor het idioom van LOOS waar het puurheid, eenvoud en directheid betreft. Weinig noten worden maximaal benut. Maar hoe anders is de expressie van Messiaen: zoet, sentimenteel en romantisch.
Dat is precies de tegenstelling waardoor veel programmaonderdelen een plek kregen: puur en kernachtig versus zoet en kunstmatig. Bijvoorbeeld de 87-jarige Oskar Sala, die zijn hele leven aan een van de vroegste elektronische instrumenten heeft gewijd, maar daar de meest kitscherige muziek op speelt. Of DJ Draezz, die de meest synthetische disco tot een levendige, heldere jungle-muziek mixt. Of Huib Emmer, die allerlei dubieus, groezelig klankmateriaal van B-kwaliteit tot stevige techno verwerkt.
Het verst daarvan verwijderd op dit spectrum van zuiverheid tot kitsch bevond zich het filmpje Jazz of Lights uit 1955 van Ian Hugo en met muziek van Louis en Bebe Barron, waar ook Anaïs Nin in schijnt te figureren (ik heb haar niet kunnen identificeren). Het is een absurdistische collage van shots op Broadway, een aaneenschakeling van luchtspiegelingen, plastic, neon, illusies, kleurtjes en suikerspinnen.
Les extrêmes se touchent.