Kunst en kitsch

Je hebt kunst die slecht gemaakt is en goedgemaakte slechte kunst. Ik zag tot mijn plezier dat Het Ketelhuis voor een van zijn films reclame maakt door uit een recensie te citeren: ‘een dieptepunt in de Nederlandse filmgeschiedenis’.

Ik heb de film gezien, en ik begrijp wat de recensent bedoelt. Maar ik had een interessante avond, interessanter dan wanneer het gewoon een zogenaamd goede film was geweest. Met de begrippen goed en slecht kun je niet aangeven of iets de moeite waard is.

Een paar weken geleden las ik in The International New York Times een artikel over ‘bad art’. Een Warhol en een Basquiat in de etalage trekken een publiek naar binnen bij Martin Lawrence in Soho, waar ze voor tienduizend dollar een doek van Robert Deyber kopen. Bijvoorbeeld twee toekans op een paar soepblikken, mengeling van Magritte en Warhol. De kunsthandelaar zegt dat hij geen concurrentie heeft van andere galeries maar van Louis Vuitton en Prada. De galeries die zich in deze slechte kunst specialiseren, in New York en in Londen, werken anders dan de oude galeries. Ze zijn open tot zeven uur ’s avonds, er klinkt muziek, er hangen duidelijke prijskaartjes bij de werken. En, schrijft de krant, het personeel glimlacht af en toe. Op veilingen brengen de werken aanzienlijk minder op dan er in de galeries voor wordt betaald. De doeken van Douglas Hofmann, ballerina’s die in een bevallige houding hun schoeisel strikken, kosten in de galerie honderdduizend dollar. Via internet krijg je ze voor een tiende van de prijs. De verklaring: de nieuwe klanten willen niet speculeren, ze vinden deze kunst gewoon mooi.

In het augustus/september-nummer van Metropolis M lees ik een artikel van Chris Sharp over een ander soort slechte kunst. Het gaat om de Bad Painting uit de jaren zeventig, die naar het idee van de schrijver zijn logische eindpunt heeft bereikt. Sharp noemt bijvoorbeeld het retrospectief bij Guggenheim van Christopher Wool, dat hem eerder een afscheid leek dan een opzwepend begin of de stimulerende voortzetting van een levende traditie. Bad Painting is een vastgelopen stroming, omdat ze geen verzet meer oproept. Sharp stelt daarom een nieuw onderscheid voor. In plaats van Bad Painting zouden we beter correcte en foute schilderkunst kunnen onderscheiden. Correcte schilderkunst is er volgens hem in overvloed, en het gaat dan vooral om fatsoenlijke, uitmuntende academische abstracties. Ernstig foute schilderkunst is figuratief en heeft iets, als ik het zo kan noemen, ongemakkelijks. Sharp noemt Laura Owens, Tala Madani, Amelie von Wulffen en Vittorio Brodmann. Anders dan de vastgelopen correcte kunstenaars maken zij echt foute slechte kunst, die met recht Bad Painting mag blijven heten. In het voorgestelde onderscheid is er dus goede (namelijk foute) slechte kunst en slechte (namelijk correcte) slechte kunst.

Ik vermoed dat de bad art die in The International New York Times werd besproken, geen Bad Painting mag heten maar kitsch. Een ouderwets maar handig begrip, vind ik. Ik ben geneigd ook de correcte slechte kunst kitsch te noemen.

Behalve goede kunst, foute slechte kunst, correcte slechte kunst en kitsch is er ook gewoon slecht gemaakte kunst. Hoe je vaststelt tot welke categorie een bepaald kunstwerk hoort, lijkt me niet interessant. Ik denk dat je kunt zien of een werk gemaakt is omdat de schilder per se wilde dat het er was, en dan is het kunst. Is het werk gemaakt omdat er nu eenmaal geproduceerd moet worden, dan zie je dat ook en dan gaat het om kitsch. Met natuurlijk het lastige probleem dat Gillo Dorfles al in 1968 signaleerde in zijn Kitsch: The World of Bad Taste: er bestaat ook kitsch die met opzet en bewust is gemaakt als bijdrage aan de kunst. Zulke kitsch is kunst.

Ik denk dat echte kunst, en dus ook wat Chris Sharp in Metropolis M foute kunst noemt, aan drie voorwaarden voldoet. Zulke kunst is vanzelfsprekend, helder en onontkoombaar. Hij gaat in tegen de routine. Ieder geslaagd werk vergroot de vrijheid waarmee het volgende werk wordt gemaakt. Ik geloof dat kitsch, en dus ook wat Sharp correcte kunst noemt, wordt gemaakt om te behagen. De maker herhaalt wat hij kan en is niet meer dan een navolger van zichzelf.

Zojuist lees ik in NRC Handelsblad een artikel over een gravure die veertigduizend jaar geleden door een Neanderthaler is gekrast in de bodem van een grot in Gibraltar. Een opzienbarende vondst, op 2 september gemeld in Proceedings of the National Academy. Het gaat niet om toevallig aangebrachte krassen. Ze kunnen alleen zijn gemaakt door zorgvuldig en herhaald schrapen: voor de diepste kras moet de Neanderthaler 54 keer met een stenen werktuig over het dolomiet zijn geslepen. Bij elkaar waren er 188 tot 317 krassen nodig om het hele patroon te maken. Volgens de ontdekker is de gravure bewust ontworpen en uitgevoerd. De gravure is non-figuratief. Hij bestaat uit twee reeksen krassen, ongeveer haaks op elkaar. De ene reeks bestaat uit twee krassen met aan een van de uiteinden drie extra krasjes die er een soort vork van maken. De andere reeks bestaat uit zes krassen. Het geheel is ongeveer twintig centimeter breed.

Ik heb er geen moeite mee de gravure kunst te noemen. Echte, misschien wel foute kunst. Zeker geen correcte kunst. Ik hoop dat de veertigduizend jaar oude gravure van deze Neanderthaler in het echt zal zijn te zien. De reproductie maakt de indruk van een springlevend werk.