OPERA Die Gezeichneten

Kunst en leven

De Sloveens-Oostenrijkse regisseur Martin Kusej roept met Die Gezeichneten vragen op over de relatie tussen werkelijkheid, kunst, pornografie en de dood.

DE SLOVEENS-OOSTENRIJKSE Martin Kusej (1961) lijkt een van de belangrijkste nieuwe operaregisseurs te worden. In Amsterdam sloegen twee van zijn producties in als een raket – vorig jaar Lady Macbeth van Mtsensk van Dmitri Sjostakovitsj, nu de herneming van Die Gezeichneten van Franz Schreker, die hij in 2002 regisseerde bij het Württembergisches Staatstheater in Stuttgart.
Wat beide operaproducties gemeen hebben is een betrekkelijk eenvoudige, hedendaagse enscenering die het verhaal op een zó universele wijze vertelt dat de toeschouwer ruimte krijgt het werk op verschillende manieren te interpreteren. Martin Zehetgruber, al decennia lang de decorontwerper van Kusej, schept sobere, moderne ruimtes waarin de personages genuanceerd en gedetailleerd naar voren komen. De opera’s worden ontdaan van veel historische en politieke ballast, maar blijken juist daardoor veel meer lagen te hebben.
Iets dergelijks geldt ook voor de manier waarop Kusej Die Gezeichneten van Franz Schreker heeft benaderd. Deze opera is in 1914/1915 geschreven, maar kon door de Eerste Wereldoorlog pas in 1918 in première gaan. De opera had aanvankelijk enorm succes, maar door de opkomst van de nazi’s raakten Schreker en zijn opera’s in diskrediet. Schreker stierf in 1934; zijn muziek bleef tientallen jaren in de vergetelheid, tot zijn opera’s in de jaren zeventig in Duitsland en België werden herontdekt.
Het valt regisseurs vaak moeilijk de hoofdpersoon uit Die Gezeichneten, de oude, lelijke, gebochelde en afgewezen weldoener Alviano, niet te identificeren met Schreker. Dan wordt Alviano al gauw een handenwringende jood tussen wrede nazi’s die jonge meisjes vermoorden en hem daarvan de schuld geven. Bij een uitvoering van de opera in 1987 door de Deutsche Oper am Rhein in Düsseldorf (regie: Günter Krämer) verwezen stapels naakte lijken regelrecht naar Auschwitz, alsof Schreker in 1915 de gehele historie van de twintigste eeuw al had voorzien.
Franz Schreker had oorspronkelijk het libretto geschreven voor zijn collega-componist Alexander von Zemlinsky (zelf naar het schijnt een lelijke man), maar toen Schreker bezig was met de uitwerking wilde hij het libretto niet meer aan Zemlinsky afstaan en besloot hij zelf de opera te componeren die speelt in het Genua van de Renaissance. De oude, gebochelde Alviano meent dat geen enkele vrouw ooit van hem zal kunnen houden. Hij schept daarom als substituut een met kunst gevuld liefdeseiland, een idyllisch paradijs, waar schoonheid en liefde kunnen heersen. Daarvan wordt echter misbruik gemaakt door enkele jonge edellieden die burgermeisjes uit Genua schaken, verleiden, verkrachten en vermoorden. Alviano begrijpt maar half wat er op zijn eiland gebeurt, maar hij probeert de kwade gebeurtenissen te keren door het eiland aan de bevolking van Genua te schenken. Intussen lijkt hij voor één keer zelf lief-de te kunnen vinden bij de kunstenares Carlotta, die hem in allerlei standen fotografeert. Terwijl hij als weldoener door de bevolking van Genua wordt vereerd, wordt hij zelf verteerd van wanhoop en jaloezie omdat Carlotta, die van hem zei te houden, zichzelf aan een knappe graaf heeft gegeven en daarbij de dood vindt.
Kuej heeft dit gecompliceerde verhaal tegelijk uitgekleed en ingevuld. We zien in eerste instantie een ongelukkige, naakte, lelijke man, Alviano, die zichzelf met bloed besmeurt. Achter hem bestaat het decor uit opeengestapelde glazen lijkkisten. Daarin verschijnen ook steeds meer dode lichamen. De edelen zijn langharige jonge heren, zelfingenomen gladjakkers die achter jonge meisjes aanzitten. Tegenover hen houdt de mismaakte Alviano, prachtig en moedig gespeeld door de Roemeens-Israëlische tenor Gabriel Sadé, een eigenaardige, gekwelde, menselijke waardigheid. In het tweede deel van de ope-ra worden de horizontale glazen kisten vervangen door verticale glazen wanden, die met elkaar een spiegelpaleis vormen, het utopische Elysium van Alviano. Daar bezoeken de Genuese burgers als hordes toeristen het kunstparadijs en geven zich uiteindelijk over aan een enorme orgie.
Je zou je kunnen ergeren aan wat al te veel bebloede lijven, wat al te ordinair fotograferende kunstliefhebbers of glimlachen om een machtige hertog die Marlon Brando als de Godfather imiteert. Maar er zijn ook referenties aan andere beelden: een fresco van Giotto bijvoorbeeld wanneer Adam en Eva uit het paradijs worden verjaagd, Goya’s verschrikkingen van de oorlog, de portretten die Francis Bacon van oude mannen heeft gemaakt, en tijdens de orgie dwalen naakte look-alikes rond van beeldend kunstenaar Jeff Koons en Cicciolina.
Daarmee worden talloze vragen opgeroepen over de relatie tussen werkelijkheid, kunst en pornografie en hoe die weer samenhangen met liefde, dood, moord en zelfdoding. Dat is volkomen in overeen-stemming met de geest van de opera, die het resultaat van vele voorgaande opera’s lijkt te zijn en tegelijk op allerlei momenten, vooral in de zang, vooruitwijst naar een moderne muziek die nog moet komen. Alviano verandert immers aan het einde in een wanhopige clown, ook een operacliché, maar veelzeggend als het erom gaat hoe de kunst het leven en het leven de kunst tracht te imiteren.

De Nederlandse Opera, Die Gezeichneten. Het Muziektheater Amsterdam, tot en met 9 juni; www.dno.nl