Kan cultuur zonder overheid?

Kunst en subsidie: weg met het gepolder

Bij de uitreiking van «zijn» Amsterdamprijzen zei Andries Mulder, directeur van het Amsterdams Fonds voor de Kunst, dat de relatie tussen overheid en cultuur sterk aan het veranderen is. Het wordt tijd dat subsidieverstrekkers én -ontvangers zich daarop bezinnen. De Groene Amsterdammer nodigde Mulder en vier vertegenwoordigers van «de sector» uit voor een debat.

Volgens Andries Mulder moet de ernst van de situatie niet worden onderschat. Bij zijn aantreden als directeur werd het Amsterdams Fonds voor de Kunst zelf geconfronteerd met een zware bezuinigingsoperatie. Mulder voerde een drastische reorganisatie door en stelde daarbij alle bestaande procedures, verdeelsleutels en criteria ter discussie. In zijn beleidsplan is het woord «subsidie» ook niet meer terug te vinden. Hij heeft het uitsluitend nog over «investeren».

Medium andries 20mulder

Andries Mulder: «Het is tijd om scherpe keuzes te maken. In Nederland willen we iedereen tevreden houden en daarom nivelleren we, maar voor de kunst is dat niet goed. Eerlijk polderen is niet het beste voor de kunst. Ik investeer liever in tien projecten goed dan in honderd projecten een beetje.»

Medium dick 20tuinder

Dick Tuinder: «Het valt mij op dat niemand ooit inhoudelijke argumenten geeft voor de verlaging of verhoging van het kunstbudget. Het gaat altijd over nut. Als je over kunst praat, dan gaat het over het meest elementaire van wat mensen zijn. Je praat dan niet over het verbeteren van mensen door kunst: dat is allemaal flauwekul en het is volstrekt oneerlijk om dat in een debat over kunstsubsidie te gebruiken.»

Medium ellen 20walraven

Ellen Walraven: «Waarom zoek je het zo in het nutteloze? Kunst wordt veel te vaak als een soort zeehondje gezien dat moet worden beschermd, alsof het iets heel kwetsbaars is dat je uit de wind van de markt moet houden. Ik ben het met Mulder eens dat de overheid de besteding van geld aan de kunst wel degelijk als investering mag zien.»

Tuinder: «Ik vind het een ongelooflijk dom idee dat geld voor kunst een investering is. Kunst levert niks op, het is gewoon een heel mooie manier van geld weggooien. En door die manier van geld weggooien laten we zien wie we zijn.

Het grootste probleem is dat de staat gezichtsloos is geworden. Wat wij de politiek onder de neus moeten douwen, is dat kunst een instrument is voor de overheid om zich te presenteren. Dat is het altijd al geweest: een wapen om het eigen gezicht te tonen. De manier waarop de overheid dat nu doet is via de belastingformulieren en Postbus 51. Terwijl er natuurlijk een minister voor de Kunst moet zijn – een minister voor Kunst & Dood eigenlijk, dat zou het beste zijn. Kunst wordt gedoogd, meer niet. De overheid kun je daar niet inhoudelijk op aanspreken, omdat die zich schuilhoudt achter allerlei commissies ‹uit het veld›. Er zijn geen kamervragen over slechte tentoonstellingen. Dat is jammer. Juist dan dwing je de kunst naar boven en moet de minister eens uitleggen waarom die kunst toch moet.»

Medium jos 20houweling

Jos Houweling: «Tuinder zegt terecht dat er een minister moet komen. De politiek moet kunst serieus nemen, en daar hoort een naam en een taakomschrijving bij waar allure uit spreekt. Allure is cruciaal, of het nu van boven of onder komt. Nederland is een beperkt land, maar ik denk wel dat we creatief zijn. Voor de toekomst moeten we daarin investeren. In Amsterdam wordt nu met eindeloos veel problemen en tegenstand een Noord-Zuidlijn in elkaar gezet. Zestig miljoen tekort dit jaar – op z’n minst de hele cultuurbegroting van Amsterdam. Het zou zo mooi zijn als we voor hetzelfde bedrag eens met z’n allen iets geweldigs doen, een Noord-Zuidlijn van de kunst, opdat er echt een soort cultuurbeweging ontstaat. Georchestreerde erupties van creativiteit moet je koesteren en ontwikkelen. Dát zou eigenlijk een taak van de overheid moeten zijn.»

Medium hans 20abbing

Hans Abbing: «Natuurlijk is er ook in Nederland wel een bestuurlijke elite die zich verantwoordelijk voelt voor een serieus kunstbeleid. Oud-premier Kok schrikt er niet voor terug om zijn naam te verbinden aan een advertentie in de krant om te protesteren tegen dreigende bezuinigingen. Maar het is allemaal zo paternalistisch. Kunst is in Nederland erg regentesk.»

Tuinder: «Wás het maar regentesk! Waarom is bijvoorbeeld de staatssecretaris die over kunst gaat nooit een gediplomeerd kunstenaar? Waarom wordt er nooit eens een ‹meester› aangesteld, een soort intendant, een man of vrouw van wie het meesterschap wordt erkend en die vervolgens harde keuzes mag maken? Die vervangt dan bijvoorbeeld één jaar lang al die commissies en hun stroperige risicoloze beleid. Kunstbeleid is in Nederland gedoogbeleid; een leger kunstenaars wordt in leven gehouden, maar veel meer is het niet. Ik vind het schandalig dat als Balkenende zijn favoriete muziek mag laten horen, hij kiest voor Abba. En dan ook nog in de musicaluitvoering!»

Mulder: «Maar zet daar dan verdomme iets tegenover, in plaats van altijd die heilige verontwaardiging, elke vier jaar, dat ‹ooh wat is het allemaal erg…›! De zegen kómt niet van boven. Sterker, de politiek heeft besloten minder geld aan kunst te besteden en ook de betrokkenheid kalft af. Op onderwijs-, ambtelijk en bestuurlijk niveau zitten veel mensen die helemaal geen affiniteit hebben met waar wij mee bezig zijn. De kunstsector zal zelf de intrinsieke waarde van kunst moeten laten zien, haar eigen belang moeten uitleggen.

Maar daar is een enorme omslag in het denken voor nodig, juist onder kunstenaars, onder ons, onder jullie. Het gaat niet alleen om geld, het gaat om betrokkenheid: je plek vinden in een groter geheel. Er zijn andere sectoren die dat al veel langer doen, maar het is in de cultuur niet gebruikelijk. Daar valt heel veel te winnen.»

Walraven: «Ik vind dat het voor iedere kunstenaar goed zou zijn om één dag in de week uit te leggen wat je vak is. Dat is niet altijd makkelijk, maar het is verkeerd als je dat niet meer moet. Met ’t Barre Land waren we bezig in Utrecht, de eerste stad waar de Leefbaren opstonden. We kregen al die clichés over de kunstenaar over ons heen: we waren een gesubsidieerde luis, zaten in een slangenkuil, deden niets. Daardoor werden we gedwongen te laten zien dat we juist bij de samenleving betrokken waren, dat we voortdurend bezig waren om menselijke relaties en machtsvraagstukken te onderzoeken. Als je wilt dat zij belangstelling krijgen voor jouw vak moet je zelf ook naar de gemeenteraad om te luisteren naar hun verhaal. Ik heb dat altijd als een soort opdracht gezien. Je zit in een specialisme en je wilt meedoen in een maatschappijdebat, in een generalistisch discours, dus dien je jezelf ook nader te verklaren.

Daarbij is een omgeving van vertrouwen wel belangrijk. De overheid zoekt momenteel vooral legitimatie in participatie. De macht van het getal en dus van de grote zaal, dat is nu de norm.»

Mulder: «Dat is inderdaad van steeds groter belang. Puur in je atelier achter je lessenaar kunst bedrijven is ook voor het Fonds steeds minder interessant. Er moet een relatie bestaan met de omgeving, met een publiek. Of je het nou leuk vindt of niet, iemand als Stef Blok, Tweede-Kamerlid voor de vvd, zegt gewoon: subsidies voor podiumkunsten kun je afschaffen, klaar. Daar zul je toch een antwoord op moeten hebben.»

Walraven: «Wat vind ik het fijne aan kunstenaars? De goeie nemen risico’s. In een samenleving die zó bang is, is het bijzonder om tussen kunstenaars te leven. Dat risico is ook het innovatieve. Die kracht waarderen bedrijven ook. Wij zouden niet alleen die ene bestuurder uit het bedrijfsleven in ons bestuur moeten zetten, maar bedrijven zouden ook een kunstenaar in hun bestuur moeten doen. Adelheid Roosen zit in de raad van bestuur van Ben & Jerry’s – die energie kun je gewoon gebruiken.»

Abbing: «Je moet ook niet onderschatten wat er allemaal zonder overheid gebeurt. Er is zo veel gaande aan kleine festivalletjes, allemaal zonder subsidie, of toevallig met een beetje locatiesubsidie. Dat zou je ook eens kunnen prijzen en erkennen. Respect tonen is vaak belangrijker dan geld. Subsidie kan het zelfs bederven.»

Walraven: «Waarom? Doodt subsidie de creativiteit?»

Abbing: «Het geeft een verkeerde oriëntatie bij de mensen die aan het werk zijn. Die financieren hun kunst met bijbaantjes. Ja, zo werkt de wereld toch? Mensen willen graag kunst maken en hebben het ervoor over om dan niet zo veel te verdienen.»

Walraven: «Ik houd niet van die instelling. Vroeger kon je met veel liegen nog net aan een gak-uitkering komen, tegenwoordig moet je een bijbaantje vinden. Tegelijkertijd heeft overal waar je speelt iedereen een salaris, van de garderobejuffrouw tot de directeur – behalve jij. De kunstenaar, die eigenlijk de kern van het verhaal is, werkt zonder er geld voor te krijgen. Die kan niet eens meedoen aan elementaire activiteiten in een samenleving, zoals autorijles nemen. Ik heb heel veel kunstenaars daar cynisch van zien worden.»

Abbing: «Beeldend kunstenaars hebben de laatste tien jaar een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Het zijn nu kleine zelfstandigen die om zich heen kijken en niet bang zijn om een tijdje concessies te doen. Ze zijn bereid om zichzelf via een andere weg te subsidiëren. Daar hoeft dus niet altijd die overheid klaar te staan.»

Walraven: «De overheid stáát niet altijd klaar! Dat is een mythe! Je wordt steeds opnieuw gekeurd, je voelt dat je altijd door dat filter moet, en daar moeten veel mensen doorheen, dus je moet weten wat je wilt. Ik ben altijd voor een verhouding 85 procent overheidsgeld en 15 procent eigen geld geweest – en voor die 15 procent moet je keihard werken. Die 15 procent eigen inkomsten was een prikkel opdat je harder zou werken om meer publiek te werven. Terwijl ik denk: man! Alsof wij dat niet willen! Iederéén wil een volle bak, altijd! Je kunt gewoon niet spelen met minder mensen in de zaal dan op het podium.»

Abbing: «De vraag blijft of je bij zo’n grote afhankelijkheid geen overheidskunst creëert. Zelf ben ik door de jaren een beetje een overheidskunstenaar geworden. Mijn grootste inkomsten bestaan uit werkbeurzen, basisstipendia en basissubsidie. Maar het heeft wel mijn oriëntatie beïnvloed: onbewust ben ik een beetje rekening gaan houden met wat ik verwacht dat die commissies leuk vinden. Ik ben daar zelf ook achter gaan staan, ik ben erdoor gevormd. Mijn werk zou zich bij een minder toeschietelijke overheid anders hebben ontwikkeld. Ik was niet slechter of beter geworden, maar wel anders. Steun is nooit waardeneutraal.

Ik ben wel jaloers op collega’s die niet dat overheidscircuit zijn ingegaan. In feite gebeurt er meer met hun werk: het komt via galeries bij mensen terecht en speelt zo een tastbaardere rol in de maatschappij. Terwijl ik alleen dat bewijs van het subsidiegeld krijg – waar ik veel waarde aan hecht, want die ene keer dat ik werd afgewezen vond ik dat een ramp, alsof ik persoonlijk door de overheid werd doorgestreept.»

Walraven: «Ooit heb ik een artikeltje geschreven over de vraag: wat is de invloed van het systeem geweest op jouw kunst? Toen realiseerde ik me dat zelfgeschreven stukken of stukken met muzikanten eigenlijk nooit werden gehonoreerd, en alle klassiekers altijd wel. Dus dan was het toch het keurmerk ‹Goethe› of het merk ‹Shakespeare› dat telde.»

Jos Houweling: «Bij scherpere keuzes hoort ook de inperking van het aantal studenten aan kunstopleidingen. Momenteel komen er jaarlijks duizend van de beeldende-kunstopleidingen, terwijl er slechts zeventig startstipendia zijn. Medy van der Laan roept dat alleen toptalent moet worden toegelaten. Zij kan dat leuk zeggen, maar Rutte van Onderwijs wil juist flinke scholen met veel studenten. Mochten we er eentje hebben in het derde jaar waarvan we denken: leuk geprobeerd, maar ga toch maar wetenschap doen, dan zou dat betekenen dat de bekostiging van die student wordt ingehouden, omdat we hebben ‹gefaald›. Als je 25 studenten zou adviseren te stoppen, dan moet je er ook meteen een docent uitflikkeren, dan kijk je wel uit.»

Ellen Walraven: «Hetzelfde gebeurt in selectiecommissies van toneelscholen en regieopleidingen. Dan hoor ik dat er maar vier goede bij zitten, maar dat er per se twaalf moeten worden aangenomen. Die illusiepolitiek vind ik altijd moeilijk uit te leggen.»

Hans Abbing: «Het gaat erom dat er verkeerde verwachtingen worden gewekt. Iedereen op het conservatorium denkt terecht te kunnen bij een orkest. De meerderheid gaat echter het muziekonderwijs in. In de beeldende kunst speelt hetzelfde: een groot deel verwacht het fulltime kunstenaarschap, terwijl dat parttime wordt. Dat is helemaal geen ramp en het betekent ook niet dat je een slechte kunstenaar bent. Maar je moet daar wel een beetje op worden voorbereid, opdat je ook enige managementkwaliteit vergaart voor het te laat is.»

Dick Tuinder: «Zo erg is het allemaal niet. Zo’n kunstopleiding is ook een prima voorbereiding op het leven in het algemeen. Een goeie kunstenaar is ook iemand die weet hoe je moet overleven.»

Andries Mulder: «Mensen zijn vaak boos bij een afwijzing, omdat de argumentatie in hun ogen niet klopt of onvolledig is. Toch is de bereidheid om over het eigen werk in gesprek te gaan bijzonder laag. Sommige mensen doen zes jaar achter elkaar een zelfde soort aanvraag. Die nodig ik dan uit om te komen praten en na te denken over waar ze staan en waar ze mee bezig zijn. Bij veel kunstenaars vallen de schellen dan van de ogen; die staan er niet bij stil dat er in hun directe omgeving 35 concurrenten met exact hetzelfde bezig zijn. Het gaat erom hoe je jezelf kansrijker kunt positioneren, niet alleen voor de subsidiegever, maar juist door terug te keren naar de kern van wat je wilt in artistiek opzicht.»

Walraven: «Woede over een afwijzing is soms wel degelijk begrijpelijk. Zelf ben je lang bezig om een aanvraag te schrijven die bijna een essay is, en dan krijg je een oordeel terug waarvan de helft een herhaling is van je eigen tekst en de andere helft te oppervlakkig om over in discussie te gaan. Er zijn zelfs drie juristen ingeschakeld om maar te voorkomen dat je de commissie kunt aanklagen wegens onzorgvuldigheid.»

Ellen Walraven: «Als kunstenaar vind ik het prima om te worden beoordeeld. Kiezen is verliezen. Alleen, als je strenger selecteert moet je wel benoemen wat je criteria zijn. Ik heb zelf ook in allerlei commissies gezeten die de overheid adviseerden over de subsidies. Het valt dan op dat iedereen in eerste instantie altijd vraagt om kwaliteit, maar dan begint de tweede ronde en gaat het plotseling toch over functies. Hier in Amsterdam is het me eens gebeurd dat mijn commissie zowel een aantal boegbeelden als ‹de humuslaag› geld had gegeven, maar dat we alle plannen van het middenkader pet vonden. Ik zou zeggen: dan moet je consequent zijn. Dan hebben we bijvoorbeeld gewoon een jaar lang alleen maar gamelanmuziek en het Concertgebouworkest en niets daartussenin. De overheid streeft neutraliteit en democratie na; je moet juist radicaal en anarchistisch durven zijn.»

Hans Abbing: «Kiezen is inderdaad goed. Zo zouden er wel eens aanzienlijk minder werkbeurzen mogen komen; opdrachten en projectsubsidies werken beter. Werkbeurzen worden zomaar cadeau gegeven. Je hoeft naderhand niet eens resultaten te laten zien.»

Walraven: «Cadeau gegeven? Ik heb nog nooit een kunstenaar zich zó horen uitspreken over subsidies. Er wordt gevochten om de beschikbare gelden. Niemand krijgt iets cadeau, en als je het krijgt realiseer je je wat de waarde ervan is.»

Jos Houweling: «Iemand die een aanvraag doet voor een werkbeurs vraagt eigenlijk om vertrouwen. Wat zegt de overheid nu: nee, je moet een plán bedenken. Terwijl het typerend is voor de kunst dat je de ogen open houdt en halverwege je plan iets vindt wat eigenlijk veel beter is. Als je onderweg niets vindt ben je eigenlijk geen goede kunstenaar.»

Andries Mulder: «Maar de doorstroming is wel een probleem. De druk bij de fondsen is enorm om steeds maar weer anderen dat geld te geven. Vervolgens loop je als kunstenaar tegen de veertig en ben je doodongelukkig. Want een paar keer gaf de subsidiegever je het idee: hé, ik val in de smaak, er is ruimte voor mij. En daarna constateer je dat niemand je meer wil. Het gaat niet slecht met de kunsten, maar het gaat wel slecht met een heleboel kunstenaars. De jonge mensen weten hoe het moet, die weten wat internet is, kennen de nieuwste middelen om zich te positioneren. Voor een grote groep van veertigplus is ‹positioneren› en ‹investeren› abracadabra.»

Dick Tuinder: «De teksten die tegenwoordig op kunstenaars worden losgelaten zijn walgelijk. Niet alleen ‹positioneren› of ‹investeren›, kunst moet ook ‹bridgen› en ‹bonden›, het is echt walgelijk.»

Houweling: «En het is niet alleen de taal, maar ook het geld dat naar herscholing en andere initiatieven gaat om de kunstenaar wereldlijkheid bij te brengen. Wij (van het Sandberg Instituut – red.) moeten een docent van Kunstenaars & Co inhuren voor boekhoud- en belastingcursussen. Maar die is duurder dan een docent die ik zelf zou aantrekken. En bij Kunstenaars & Co werken tachtig mensen. Tachtig! Ondertussen blijft het beschikbare materiaal om mee te werken achterlopen.

Nog een ander merkwaardig fenomeen: kwaliteitszorg. Mijn instituut is klein, we hebben vijftig studenten, maar over ieder van hen moeten we drie rapporten produceren. Dat kost me ongeveer een ton per jaar. Van die smak geld zouden we extra tentoonstellingen kunnen organiseren – en dat heet dan kwaliteitszorg. Onze kwaliteit is dat we heel veel dingen ondernemen, maar het schrijven van die rapporten maakt dat dan weer onmogelijk.»

Walraven: «Het is hetzelfde als met Europese subsidies; de regelgeving kost je meer dan de subsidie. En op het moment dat je vraagt om geld voor een zakelijk leider krijg je een coachingstraject aangeboden. Flikker toch op met je coachingstraject!»

Houweling: «Precies! Je wordt geen betere kunstenaar van een boekhoudcursus.»

Tuinder: «Ik maak me helemaal nergens zorgen over. De kunsten zijn geen moment in gevaar. Geld is ook niet het probleem. Ik vind het schandalig dat we worden vertegenwoordigd door mensen die het alleen maar hebben over wel of geen koopkrachtcompensatie. Volkshuishoudkunde. Kunst is een wonder, en dat mag best wel eens gezegd, ook door de mensen die het volk vertegenwoordigen. Ik denk dat er alleen een fatsoenlijk, inhoudelijk en betekenisvol kunstbeleid te voeren is als je dat centraal stelt. Want de wereld is geen snackbar.»

=