De Rijksakademie treedt naar buiten

‘Kunst gaat niet over nuttig zijn’

Kunstenaars rijpen het liefst onzichtbaar en afgeschermd. Maar in de strijd tegen extreme bezuinigingen gooit de vermaarde Rijksakademie van beeldende kunsten haar deuren open.

Rondom de negentiende-eeuwse cavalerie­kazerne aan de Amsterdamse Sarphatistraat staat een hoog hek. Wanneer het na aanmelding bij een portier langzaam open schuift betreed je de binnenplaats van het robuuste pand dat sinds 1992 de Rijksakademie van beeldende kunsten huisvest. Midden op die binnenplaats staat een moderne uitbouw, maar de plek is ommuurd door de sobere vleugels van het oude gebouw, met op de begane grond de voormalige stallen en daarboven de vertrekken voor de manschappen.

De transparante nieuwbouw biedt plaats aan een publiek toegankelijke bibliotheek, de collecties en de kunstenaarsdocumentatie. In het historisch archief in de kelder staan kasten vol met werken van oudgedienden: studies van Mondriaan, schetsen van Karel Appel. Waar de paarden ooit stonden zijn nu ateliers en werkplaatsen. Daar wordt hard en geconcentreerd gewerkt, maar op de gangen heerst een prettig soort kalmte. De U-vormige kazerne heeft iets van een bunker, een klooster ook wel, waar de stad kan worden buitengesloten ten gunste van rust, bezinning, verdieping. Precies dat wat de Rijksakademie haar kunstenaars hoopt te bieden in de twee jaar dat een postacademische ‘residency’ duurt.

Ieder jaar worden uit duizenden aanmeldingen van over de hele wereld ongeveer 25 residents geselecteerd die een atelier en een omgeving wordt verschaft voor onderzoek, experiment en productie. De beschikbare werkplaatsen zijn uitzonderlijk: in de keramiek­ruimte staat een van de grootste ovens van Europa; in de houtwerkplaats is alles voorhanden voor degelijk ambachtelijk werk; maar ook met nieuwe technieken kan volop geëxperimenteerd worden op de media-afdeling. Bovendien zijn er specialisten in elke discipline die hun expertise ter beschikking stellen om vernieuwende materialen en technieken te ontwikkelen. Arend Nijkamp, de chemiespecialist, runt een soort toverlaboratorium en kan een enorm scala aan wonderlijke kunststoffen, metalen en mengvormen laten zien.

Nijkamp is net als de andere werkplaatsspecialisten een adviseur, maar geen opleider. De Rijksakademie is dan ook nadrukkelijk geen opleiding. Wel staat de residents, naast de technisch specialisten, een wisselend team van professionals ter beschikking, van kunstenaars tot kunstbeschouwers en wetenschappers (innovatie op het raakvlak van kunst en wetenschap speelt een belangrijke rol op de Rijksakademie), die hun ateliers van tijd tot tijd bezoeken en ze van advies kunnen dienen.

‘Everybody wants to go to the Rijks’, zegt resident Maryanto, die uit Indonesië is gekomen om hier een van de ruime benedenateliers te betrekken. Het was groot nieuws voor zijn thuisland dat hij werd geselecteerd. Hij is er nog geen jaar, maar het is Maryanto nu al duidelijk hoeveel zijn residency voor zijn werk betekent. Hier krijgt hij uitgebreid de gelegenheid om na te denken over essentiële vragen: ‘Waarom maak je kunst? Wie is je publiek? Wat is het effect?’ Het contact met de gevarieerde internationale groep collega’s is bovendien van grote waarde.

Het moet een droom zijn voor menig afgestudeerd kunstenaar, om je in zo’n geoptimaliseerde omgeving twee jaar lang volledig op je werk te kunnen richten. Nu is de binnenplaats nog uitzonderlijk vredig, maar onder een zeil wacht een mysterieus werk om onthuld te worden en getoond aan de massa’s die hier binnenkort over het terrein zullen struinen tijdens de jaarlijkse open ateliers. Drie dagen lang zullen de meer dan vijftig residents hun persoonlijke werkplaatsen openstellen voor publiek.

Dat publiek, vorig jaar tussen de zes- en zevenduizend bezoekers, bestaat uit geïnteresseerde kunstliefhebbers en hipsters die graag proeven aan de sfeer van artistieke belofte en beweeglijkheid die er doorgaans hangt. Maar het wemelt op de open dagen ook van beleidsmakers, verzamelaars, curatoren en nationale en internationale galeriehouders. Terwijl er gemoedelijk bandjes spelen en vuurtjes branden wordt hier toekomst gemaakt voor veel van de kunstenaars die zichzelf en hun werk tonen. Je zou het een circus kunnen noemen. (Oud-resident Maze de Boer leek tijdens zijn Rijksakademie-tijd ook aan die gedachte te refereren toen hij het idee opvatte om een reuzenrad op de binnenplaats te zetten.) Maar de roering tijdens dit jaarlijkse evenement onderstreept ook de positie van de Rijksakademie. Het is een topinstelling van wereldfaam die ieder jaar opnieuw zeer kansrijke professionele kunstenaars aflevert.

De donkere tekeningen aan de muur van Maryanto’s atelier verbeelden maatschappelijke taferelen: sloppenwijken, mijnwerkersdorpen, industriële gebieden. Van de mensen heeft hij antropomorfe figuren gemaakt, vossen, konijnen, bevers, waardoor de voorstellingen fabels worden. Zijn stijl is gedetailleerd cartoonesk en de werken houden het midden tussen graphic novel en op zichzelf staande kunstwerken. Maryanto ziet zichzelf dan ook als een verhalenverteller. Momenteel verdiept hij zich in de geschiedenis van een goud- en kopermijn in Papua die lang in Nederlandse handen is geweest.

Het enorme driedelige paneel dat hij zal laten zien tijdens de open ateliers vertelt zijn eigen visie op dat verhaal van kolonialisme, hebzucht en sociale en ecologische ontwrichting. Het is nog niet af, maar op het zwart geverfde hout waar hij met mesjes in krast begint een dystopisch landschap op te doemen. ‘Het vertaalt mijn gevoel ten aanzien van de situatie’, zegt Maryan­to. Hij wrijft over het paneel, laat mij zien hoe hij te werk gaat: krasje voor krasje arceert hij het zwart-witte panorama, dat nu al bijna driedimensionaal aandoet. Het lijkt extreem arbeidsintensief handwerk. In de hoek van zijn ruimte staat een slaapbank, voor als het laat wordt.

Het is tot op zekere hoogte een Neder-Indisch verhaal dat Maryanto met dit project onderzoekt. Hij erkent dat er tijdens zijn verblijf hier een bepaalde connectie met ons land ontstaat. Dat is niet alleen omdat hij het belangrijk vindt om je als kunstenaar bewust te zijn van de plek waar je werkt, maar ook om praktische redenen. Hij is al door een Nederlandse galerie benaderd voor een solotentoonstelling. Het is slechts een klein voorbeeld van hoe de Rijksakademie op allerlei manieren de beste kunstenaars aan Nederland bindt. Ook als ze weer vertrekken zeggen veel van hen die band te blijven houden.

De Iraanse oud-resident Tala Madani bijvoorbeeld, die dit jaar de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs won, woont en werkt tegenwoordig in Los Angeles, maar keert regelmatig terug naar Amsterdam, onder meer in haar functie als adviseur voor de huidige residents. De afgelopen maand exposeerde ze ook in De Hallen in Haarlem en haar Britse verloofde, die ze ontmoette aan de Rijksakademie, heeft nog steeds een atelier in Amsterdam. Madani gelooft dat ze het succes dat ze hier oogst aan de Rijks te danken heeft. ‘Nederland is een tweede thuis voor me geworden en die connectie is hier ontstaan. Je creëert hier bovendien een blijvend netwerk van vrienden’, zegt Madani. ‘Meer dan vrienden eigenlijk: mensen met wie je je werk kunt bespreken. Ze hebben het twee jaar lang gezien en het zien ontwikkelen. Ze weten waar je doorheen gaat.’

Het zijn dit soort verdiensten, de optimale omstandigheden, de topkwaliteiten van de ­residents en het onmiskenbare belang van het instituut voor de positie van Nederland in de internationale kunstwereld, waar de Rijks­akademie terecht mee schermt in de lobby tegen de extreme bezuinigingen die haar ten deel ­vallen.

De Rabobank heeft zich onlangs als sponsor aan de open ateliers verbonden, zodat die de komende jaren kunnen blijven doorgaan, maar van de overheid, sinds 1870 bij wet de hoofdfinancier, hoeft niet veel meer verwacht te worden. Vorig jaar werd bekendgemaakt dat de kraan praktisch zou worden dichtgedraaid. Waar de Rijksakademie in 2011 nog een ocw-subsidie van meer dan vijf miljoen ontving, is er voor komend jaar een maximaal budget beschikbaar gesteld van 2,5 miljoen voor de Rijksakademie en de andere twee postacademische instellingen samen.

De Rijksakademie zal een samenwerking moeten aangaan met het andere Amsterdamse postacademische instituut de Ateliers. Daar komt bij dat de prestigieuze Prix de Rome, die van oudsher vanuit de Rijksakademie wordt uitgereikt, zal worden overgedragen aan cultuurfondsen.

De gevolgen, zegt directrice Els van Odijk, zijn om te beginnen ernstig voor het personeel. Ongeveer de helft van de medewerkers kan blijven. Werkplaatsspecialisten als Arend Nijkamp zullen alleen op afspraak beschikbaar worden. Verder zal de collectie voor een deel in bruikleen gaan en is het niet zeker dat de bijzondere biblio­theek openbaar kan blijven. Ook de huisvesting is onderwerp van discussie, het instituut kon immers als rijksdienst gebruik maken van de kazerne, een rijksmonument. Die steun zal nu waarschijnlijk wegvallen.

Bij de selectieprocedure, waarvoor de Rijks­akademie tot nog toe een internationale commissie van gerenommeerde kunstenaars aanstelde, zal nu het Mondriaanfonds betrokken worden. Van Odijk: ‘Ze weten bij het fonds waar ze het over hebben en zullen goede kunstenaars kunnen selecteren, maar een belangrijk verschil is wel dat wij heel zorgvuldig een gemeenschap proberen samen te stellen. We selecteren daarom niet alleen op individuele kwaliteit maar kijken hoe verschillende kunstenaars elkaar kunnen aanvullen. Dan is het best lastig om de selectie te doen met een commissie die deels bestaat uit eenmalig betrokkenen en geen verantwoordelijkheid heeft voor verdere begeleiding. Vergelijk het met de coach van het Nederlands elftal die niet zomaar elf topvoetballers bij elkaar zet, maar een team bouwt om tot topprestaties te komen.’

Sinds de bezuinigingsplannen lobbyt Van Odijk voor talentontwikkeling in brede zin. Het is namelijk precies op dat gebied dat de cultuurbezuinigingen de meeste schade teweeg zullen brengen. Overal probeert ze de cruciale rol die de Rijksakademie heeft in het ontwikkelen van toptalent onder de aandacht te brengen. Hoewel de relevantie van het instituut internationaal algemeen bekend is (uit het buitenland is enorm veel kritiek gekomen op de plannen van Zijlstra), lijkt het in Nederland soms nog niet overal te zijn doorgedrongen wat het betekent voor ons kunstklimaat. En waar het de ambassadeursfunctie betreft, ontbreekt het vooral de politiek volgens Van Odijk volledig aan visie.

Het actieve campagnevoeren is enigszins tegenstrijdig, erkent Van Odijk, want een belangrijk aspect van de postacademische opleiding is dat die de residents de broodnodige afscherming biedt tegen de onrustige kanten van de omgeving en de markt. Zichtbaarheid, zoals De Rijksakademie die momenteel volop zoekt in de media, met tentoonstellingsprojecten en door het leggen van allerlei nieuwe, mogelijk lucratieve contacten in en buiten de kunstwereld, leidt namelijk ook af. Maar dezelfde laboratoriumachtige geslotenheid die de uitzonderlijke kwaliteit waarborgt maakt de impact van het instituut nu eenmaal onvoldoende zichtbaar. Een groter publiek draagvlak is nodig.

Hoewel de hier genoemde kunstenaars zich stuk voor stuk zeer positief uitlaten over de Rijksakademie en de kansen die ze hun biedt, staan ze wat ambivalent tegenover de noodzaak van publieke zichtbaarheid. Het komt een aantal van hen voor als contra-intuïtief om je nadrukkelijk te moeten bezighouden met de maatschappelijke of economische relevantie van jezelf en je werk. Madani: ‘Er bestaat een moeilijke balans tussen de kunstenaar en het publiek. Het is natuurlijk geweldig als er interactie is, en natuurlijk, iedere kunstenaar wil een publiek. Maar kunst maken gaat niet over nuttig zijn; om het met al die aspecten van maatschappelijk nut te belasten is compleet tegenstrijdig met wat het is.’ Het lijkt nu overigens een beetje alsof de Rijks­akademie plotseling de poorten opengooit van wat voorheen een vreedzame idylle van concentratie was, maar dat is onterecht. De zichtbaarheid mag dan bij een breder publiek nog niet groot genoeg zijn, maar de blik van de kunstwereld is wel altijd al strak gericht op wat er zich binnen de muren van de kazerne afspeelt. Fiona Tan, die de afgelopen jaren overal ter wereld op prominente plekken exposeerde, onder meer in het Londense Tate Modern, en die in 2009 Nederland ver­tegenwoordigde op de Biënnale van Venetië, was resident in 1996-1997. Daarvoor studeerde ze aan de Rietveldacademie, werkte enkele jaren zelfstandig en kwam dus binnen met al wat ervaring en het nodige succes. Tan zegt haar tijd aan de Rijksakademie als zeer waardevol ervaren te hebben (ze adviseert nu zelf aan de Ateliers), maar herinnert zich ook momenten dat ze zich eraan stoorde dat er toch vaak – het hele jaar door – buitenstaanders werden uitgenodigd voor een korte blik in haar atelier. ‘Je bent een visitekaartje van het instituut, maar ik had soms zin om de deur van mijn atelier dicht te gooien.’

Volgens Tan is het dan ook belangrijk om als jonge kunstenaar niet meteen van de ene instelling in de andere te rollen: ‘Een goede kunstenaar worden kost tijd. Zowel de Rijksakademie als de Ateliers kon in het verleden deelnemers twee jaar concentratie, verdieping en afzondering bieden. De Rijksakademie is als instituut veel eerder begonnen met naar buiten treden; met gezien en gehoord worden. De aandacht die je krijgt op de Rijks kan ervoor zorgen dat je te vroeg vooral bezig bent om jezelf te verkopen.’ Ze erkent dat het naar buiten treden, net als de verdieping en ontwikkeling van je werk, deel uitmaakt van het proces. ‘Maar je moet er wel klaar voor zijn. Ik kon het wel aan op dat moment, maar het is toch vrij heftig. Je stelt je open voor de hele wereld.’

De wereld zal de komende tijd noodgedwongen nog wel meer meekijken, maar de Rijks­akademie verschaft nog steeds een vorm van werken die slechts voor enkelen is weggelegd. Om midden in een stad een groot atelier te kunnen betrekken waar ruimte is voor zowel openheid als geslotenheid is een voorrecht.

Het is interessant in deze context dat Studio Verwey, de tentoonstelling in De Hallen waar Tala Madani samen met vier andere alumni afgelopen maand werk toonde, het atelier tot thema verhief. De expositie stelde vragen over de actuele waarde van het atelier en de toekomst ervan. Hoewel je je kunt afvragen of het in tijden van Google en Easyjet, die de kunstenaar hebben losgemaakt van een vaste plek, niet overbodig is geworden, concludeerden de curatoren juist dat het atelier weer een van de plekken is waar werk gemaakt wordt, naast de openbare ruimte en de wereld van musea en galeries. Het is een plek van ongestoord experiment, waar mensen zichzelf zijn.

Het atelier komt uit deze visie naar voren als een symbool voor een zekere onafhankelijkheid, een vrijheid, om dingen stil te zetten en een totaal eigen blik te ontwikkelen: onontbeerlijke elementen voor een kunstenaar. De Rijksakademie met haar ruim vijftig ateliers faciliteert deze elementen, zo goed als een instituut dat kan, voor de meest veelbelovende jonge kunstenaars. Daarmee blijft ze ook in deze tijd haar naam eer aandoen als Akademia, de klassieke plek waar filosofen, academici en kunstenaars elkaar ontmoeten om ideeën te testen en kennis uit te wisselen.


Rijksakademie OPEN, 1 en 2 december, 11.00-19.00 uur. Rijksakademie van beeldende kunsten, Sarphatistraat 470, Amsterdam


Alumni

Ieder jaar levert de Rijksakademie ongeveer 25 residents af. De kans is groot dat wat er komend weekend tijdens de open ateliers te zien is, binnenkort is terug te vinden op de Biënnale van Venetië, Documenta, in het MoMa in New York, op de Frieze Art fair en andere internationale beurzen en musea.

Enkele bekende alumni zijn: Jan Toorop, Berlage, G.H. Breitner, Piet Mondriaan, Constant en Karel Appel, Olga Chernysheva, Armen Eloyan, Alicia Framis, Meschac Gaba, Ryan Gander, Runa islam, Gabriël Lester, David Maljkovic, Shahryar Nashat, Liza May Post, Bojan Sarcevic, Fiona Tan, Marijke van Warmerdam, Carlos Amorales, Yeal Bartana, David Claerbout, Thomas Demand, Bjarne Melgaard, Michael Raedecker