FRIEZE ART FAIR

Kunst in het tijdperk van financiële onzekerheid

De kunstmarkt is de kanarie in de kolenmijn van de wereldeconomie. Is de kunstmarkt dus ook in een crisis gestort? Het bruisende leven op de Frieze Art Fair in Londen doet anders vermoeden. De mijn mag dan op instorten staan, de kanarie is nog springlevend.

De Frieze Art Fair in Londen bestaat pas sinds 2002, maar is uitgegroeid tot een van de belangrijkste kunstbeurzen ter wereld. Het centrale evenement vindt plaats in een tent in Regent’s Park van tweehonderdduizend vierkante feet, met 150 exposanten en zo’n duizend kunstenaars. De Frieze gaat inmiddels vergezeld van enkele tientallen kleinere beurzen en tentoonstellingen elders in de stad. Daaronder is de Zoo Art Fair, in de Royal Academy, het meest interessant, omdat daar de galeries en instellingen worden getoond die niet meer dan zes jaar bestaan; ze krijgen minder vierkante meters per stand dan op de Frieze, maar tonen daarom wel gedurfder, kleinschaliger en betaalbaarder werk. Het zijn, al met al, duizelingwekkende hoeveelheden kunst.
De Frieze is vier dagen open voor het gewone publiek, maar op de dag dat dat naar binnen mag, donderdags, heeft voor de serieuze handel de echte slag al plaatsgevonden. Eerst op de tientallen exclusieve openingsfeestjes en vernissages, op dinsdag en woensdag, en zeker op dinsdagmiddag, als tussen elf en één uur de tent alleen openstaat voor de kardinalen van de kunstcurie, de modekoningen, de staalmagnaten, de Holly- en Bollywoodvedetten, de Russische, Chinese en Arabische biljonairs – voorzover er nog biljonairs bestaan, natuurlijk. In dezelfde week publiceert het gezaghebbende tijdschrift ArtReview zijn jaarlijkse top-honderd van movers en shakers in de kunstwereld. Dit jaar voert Damien Hirst de lijst aan, vóór Larry Gagosian, de machtigste galeriehouder ter wereld, en Nicholas Serota, de directeur van Tate Modern. Roman Abramovich en zijn Dasha Zjoekova kwamen met stip binnen op 54, twee plaatsen hoger dan Marlene Dumas, de enige ‘Nederlandse’ op de lijst.
De vraag op ieders lippen is of de markt repercussies zal ondervinden van de financiële crisis. Op het oog niet. Een correctie op de markt is, op zich, niks ongewoons. Twee jaar geleden beleefde Frieze zijn hoogtepunt. Toen waren er hypes volop, toen stonden er tien, vijftien geïnteresseerde kopers klaar voor elk stuk. Toen waren ook de Russen net in Londen gearriveerd, en toen deden de kopers uit Qatar en Abu Dhabi zich voor het eerst gelden.
In 2008 is de populatie galeriehouders in elk geval onverdund. De bulk wordt gevormd door grote Britse, Amerikaanse, Duitse en Zwitserse galeries. De Fransen, Italianen en Brazilianen zijn goed vertegenwoordigd en daarnaast is er een herkenbare aanwezigheid van presentaties uit China, India, Spanje, Ierland, Nederland, België en andere kleinere markten.
De stemming onder de galeristen is kalm en nerveus tegelijk. Men kijkt elkaar aan. Bij Gagosian en The White Cube, de grootste namen in het veld, centraal gepositioneerd in de beurs met grote aantallen vierkante meters, is het als altijd een drukte van belang. Geen spoor van een bloedbad. Men verdringt zich voor de vlinderschilderijen van Hirst en een grote maquette van Jake en Dinos Chapman.
Geen bonfire of the vanities, dus. Maar zoals de bankwereld kampt met vergiftigde producten, zo heeft ook de kunstwereld achter de schermen wel degelijk problemen. Bij de grote veiling van kunstwerken van Damien Hirst, vorige maand bij Sotheby’s, opbrengst zo’n 140 miljoen euro, was te zien dat concurrent Christie’s grote stukken aankocht – waarna werd gezegd dat de grote marktpartijen elkaar bijstonden in het stabiel houden van het prijspeil. Nu kunnen grote galeries best de gevolgen van één slechte beurs opvangen, maar er gingen op de Frieze onheilspellende geruchten rond dat sommige grote galeristen door de tegenvallende verkopen hun gegarandeerde vergoedingen aan kunstenaars niet kunnen nakomen.

De Nederlandse galeriehouders zijn vier in getal: Annet Gelink, Paul Andriesse, Fons Welters en, voor het eerst, Juliette Jongma. Op de Zoo Fair stond ook ZINGERpresents.
Paul Andriesse zegt weinig van een nerveuze stemming te merken: ‘Wat een beetje ontbreekt is de urgentie, die er andere jaren wél was. Toen ging het voor de verzamelaar nog echt om ‘wie er het eerste bij is’. Dat was ook zo in de jaren tachtig, toen was de markt hyper, en toen stond de verzamelaar onder grote druk: snel beslissen. Nu niet. De werken die heel speculatief zijn, en modieus, die lijden nu het ergst, maar dat gaat aan Nederlandse galeries grotendeels voorbij.’
Fons Welters maakt een meer gestresste indruk – maar dat komt door iets anders: zijn stand bevindt zich vlak bij een van de Frieze Projects, door de beurs geëntameerde kunstwerken. In dit geval: Ready Unmade, van Agnieszka Kurant, een project bestaande uit een kooi met drie grote papegaaien, die Kurant voor de gelegenheid heeft leren blaffen. Ready Unmade heet een commentaar te zijn op de dierentuinachtige sfeer van de Frieze zelf; Kurant voorzag ook dat de papegaaien gaandeweg het gebabbel van de bezoekers zouden overnemen. Op donderdag echter krijsen zij alsof het einde der tijden nabij is, en Welters wordt er duidelijk hoorndol van (‘Ze hadden er een luchtbuks bij moeten leveren’). Maar met de zaken, zegt hij, gaat het goed.
Welters: ‘Veel beter dan gedacht. Ik dacht: het wordt helemaal niks, maar het valt mee.’ Welters toont drie sterk verschillende kunstenaars. Vakkundig geschilderde, kleine panelen van Pere Llobera (eerder besproken in De Groene Amsterdammer, 16 mei), een groot conceptueel werk van de Litouwer Zilvinas Landsbergis, die eerder dit jaar op Art Amsterdam de Thieme Art Award won, en een wandsculptuur van de Belg Jan de Cock.
Is dat aanbod aangepast aan de markt?
Welters haalt de schouders op: ‘Wat je moet meenemen blijft altijd fingerspitzengefühl. Ik heb niet meer dan een stuk of zes werken hier, alles zo tussen de tienduizend en dertigduizend dollar, De Cock is het duurste. Dat segment van de markt staat niet zo onder druk als dat wat hip en zeer duur is. Of je verkoopt blijft toeval, afhankelijk van mensen die zomaar binnenlopen, de adviseurs van grote verzamelaars. De Cock heeft volgelingen die hem in de gaten houden; hij heeft al solotentoonstellingen in Tate Modern en MoMA gehad.’
Kunt u zo iemand vasthouden?
Welters lacht. ‘Hij blijft me trouw, ja, omdat ik hem van het begin af aan al steun. ‘Ik ben zijn moeder’, zegt hij altijd.’
Ook Andriesse zegt stug vast te houden aan zijn eigen keuzes: ‘Verzamelen is een beetje hogere wiskunde, het is geen spelletje, het is echt een specialisatie. Omdat de markt zwak is nemen galeries gewoon goeie spullen mee. De minder geïnformeerde, minder geïnteresseerde cliënten weten niet waar ze aan toe zijn, maar de goeie komen een dag of twee later gewoon terug, en kopen dan. Of twee jaar later, dat kan ook: dan zien ze die kunstenaar bij je terug, dan zijn ze blij dat het daar goed mee gaat, dat-ie zich ontwikkelt. Mensen zoeken zekerheden, bevestiging, dat zo’n kunstenaar niet opeens zomaar weg is.’
Op de kleinschaliger Zoo Art Fair is Steven van Grinsven van ZINGERpresents zeer tevreden. Hij heeft van zijn kleine presentatie goed verkocht, ook een kolossaal doek van Markus Vater, maar veel belangrijker is dat Hans-Ulrich Obricht – de belangrijkste curator van de wereld – langskwam en twintig minuten bleef praten, en dat Zingers stalgenoot Nathaniel Mellors te horen kreeg dat hij is geselecteerd voor de Biënnale van Venetië.

Een uitspraak doen over de getoonde kunst zelf, of de grootste gemene deler daarvan, is onzinnig – maar vooruit. De Europese en Amerikaanse galeries concentreren zich op vaste waarden, met een hoge mate van toegankelijkheid en een hoge mate van bling en kleur, geen al te gecompliceerde conceptuele toestanden, niet te veel bloed en dood. Oudere kunstenaars slaan daartussen vaak een opvallend sterk figuur, zoals het integere en gereserveerde werk van de veteranen Ed Ruscha (1937), Joe Tilson (1928) en Richard Hamilton (1922).
De kunstmarkt zélf is ook een onderwerp. Kunstenaars maken grappen over elkaar. De fameuze diamanten schedel van Damien Hirst is her en der te zien, meest prominent in Decadence: The Insufficiency of All Things Unattainable, een enorm Michelangelo-achtig foto-altaarstuk van David LaChapelle, in zijn titel al een sarcastisch commentaar op de nummer 1 van de wereld. Decadence is de apotheose van de slechte smaak, met Paris Hilton als Magdalena en Jeff Koons als Johannes. Ook de Indiase beeldhouwer Subodh Gupta meldt zich met een metershoge blinkende schedel, samengesteld uit Indiaas metalen keukengerei, passend getiteld Mind Shut Down.
Echte politiek, of althans engagement, is ver te zoeken. Er is één afbeelding van Obama, op de Zoo Art Fair. Daar is ook één stilleventje van een koffiemok met ‘Lehman Brothers’ erop. Chinese kunstenaars zijn zeer op hun publiek gericht, en ontwikkelen zich vooral in aaibaarheid. Alleen presentaties uit Brazilië en Argentinië willen nog wel eens brutaal en tegendraads zijn. De aardigste onder hen is de totale puinhoop die heerst op de vierkante meters van Appetite Gallery uit Buenos Aires. Bezoekers laten er hun lege koffiebekers achter – op verzoek van de ‘bewoners’ van de stand. Waar het huishouden ophoudt en de kunstwerken beginnen is volledig onduidelijk. De galeriehoudster, Daniela Luna, dertig jaar, beweegt zich erdoorheen als een puber in haar meisjeskamer. Ze is opgetogen over de aandacht, al heeft ze nog niks verkocht, maar dat heeft ze eerder in Milaan gedaan. Ze is teleurgesteld dat zij en haar vier kunstenaars niet in de stand mochten slapen. Die vermaledijde Britten ook, met hun ‘health and safety regulations’.