INTERVIEW MET LUC TUYMANS

‘Kunst is het doorgeven van ideeën’

Luc Tuymans is de belangrijkste schilder van België, misschien wel van de wereld. Net als Damien Hirst heeft hij zijn land op de kaart gezet en na Londen gaat Brussel het centrum van de kunstwereld worden.

BEHOORT LUC TUYMANS niet tot het selecte clubje van de besten van de wereld? Zijn sleutelwerken behandelen thema’s als de holocaust, het Belgische kolonialisme, het Vlaams nationalisme en de begindagen van Walt Disney. De schilder ontvangt ons in zijn atelier in de migrantenbuurt van Antwerpen. Aan de muren nieuwe schilderijen. Op de vloer honderden sigarettenpeuken. Een grijs tapijt. Hier wordt hard gewerkt. Tuymans is precies vijftig en ontvangt ons in een perfect gesneden pak. Hij heeft meer van een zakenman dan van een artiest.
Luc Tuymans geeft plankgas bij het opsommen van zijn activiteiten. Er loopt een tentoonstelling die hij heeft samengesteld met werk uit het museum en de depots van Frankfurt am Main. Hij filosofeert over een project in China: ‘De kunststudenten hebben daar drie boeken: een over Bacon, een over Richter en een over mijn werk. Dat kost me al vier slopende jaren voorbereidingstijd.’ Hij bereidt een Amerikaanse tournee voor, waar hij heel wat van verwacht. De Universiteit van Harvard staat hem met raad en woord bij tijdens de voorbereidingsfase. In 2010 zet hij Brugge tijdens het evenement Brugge-Centraal met gastland Polen naar zijn hand en uiteindelijk moet alles resulteren in een grootse tentoonstelling in Brussel. Tuymans is in zijn drift om zijn projecten te verdedigen niet te stuiten: ‘Nog drie jaar werk ik tegen zo’n tempo. Daarna sluit ik me op in mijn atelier.’
Ondanks het feit dat hij minstens viermaal per maand naar een ver continent reist, blijft Antwerpen zijn thuishaven: ‘België ervaar ik als een perfecte vorm van realisme dat men zonder enige vorm van romantiek en dus onomwonden kan weergeven. Neem Van Eyck. Hij schildert een religieus dogma maar die kunstenaar heeft een despiritualisering van het beeld uitgewerkt. Hij heeft een compleet ander inschattingsvermogen mogelijk gemaakt. Voor mij is hij de grootste Belgische kunstenaar, groter dan Rubens. Zijn meesterwerk Het Lam Gods is één van de acht wereldwonderen.’
Nee, Tuymans heeft het niet van een gedreven leraar of van zijn ouders meegekregen: ‘Gewoon met de juiste mensen in contact gekomen. Ik was vroeg bezig met datgene waar ik me momenteel op toeleg. Vrij snel wist ik wat ik wou. Ik wou ook nog grafisch ontwerper worden. Gewoon omdat je daar meer geld kon mee verdienen. Na een lang rijpingsproces was de schildermicrobe niet meer uit te roeien. Schilderen wou ik en om in mijn levensonderhoud te voorzien was ik elf jaar buitenwipper (portier – jh), tot dat jobke te gevaarlijk werd.’
Steevast noemt Tuymans zijn schilderijen ‘authentieke vervalsingen’. Op negentienjarige leeftijd schilderde hij drie maanden lang – ‘elke dag opnieuw’ – een zelfportret. Hij bracht het werk naar een professionele jury. ‘Ik won de prijs, ik kreeg een boek van James Ensor, bladerde daarin en trof er een zelfportret aan dat Ensor precies op dezelfde leeftijd had geschilderd. Ik zag tot mijn verbazing dat het totaal onmogelijk is om iets origineels te maken. Het is natuurlijk ook dom te denken dat je dat kunt. Daar ben ik een paar weken ziek van geweest. Het bewustzijn was er vrij vroeg dat je geen unicum bent, dat alles van omstandigheden afhangt. Tijdens de eerste jaren stond ik emotioneel te dicht bij het werk. Als je met beelden bezig bent, en zeker met schilderen, moet je een bepaalde afstand incalculeren. In die zin is het goed dat ik iemand tegen het lijf liep die mij een 8mm-camera in de handen duwde. Ik ging er volop mee experimenteren. Maar na ettelijke jaren keerde ik terug naar mijn schildersatelier. Een proces dat in feite elke beeldende kunstenaar zou moeten ondergaan. Je hebt een bepaalde aanloop nodig.
Ik weet nu zeker dat schilderen altijd gepaard gaat met een zekere kunde. En wanneer bereik je die? Na jaren, jaren zoeken naar die ultieme toets. En dat is niet iets wat je bewust kunt ontwikkelen. Er ligt altijd een diffuus en wat onduidelijk veld tussen de kunstwereld én de kunstmarkt én de creatieve kunstenaar.’ Moet je die werelden totaal van elkaar scheiden? Tuymans: ‘Mijn selectie door Jan Hoet voor zijn Documenta, in 1992, heeft aan alles een versnelde impuls gegeven. Die Documenta is een internationaal platform en zowel uit de States als uit de rest van de wereld kwam er belangstelling. Je wordt door een vreemde clan omringd, bijna gegijzeld. Toen werd ik echt bang. Ik vroeg me af: ben ik tegen die situatie opgewassen? Zal dat impact hebben op de integriteit van het werk? Tijdens die woelige dagen dacht ik dat ik twee dingen kon doen. Ik kon mijn werken in de handen geven van mijn vertrouwde galeriehouders, die ik door en door ken, of ik kon zelf mijn creativiteit ernstig controleren en daar krijg je slapeloze nachten van. Ik houd het liefst alle malafide kopers uit mijn atelier. Tot op de dag van vandaag is dat nog zo. Niet makkelijk, maar de enige weg die niet langs ravijnen loopt.
De veiligste manier van werken is ook de eerlijkste. Galeriehouder en kunstenaar sluiten een soort van overeenkomst met de mensen aan wie men verkoopt. Maar zoals vaak in de kunstwereld zoek je tevergeefs naar contracten. Het is een ongeschreven wet dat de galeriehouder vijftig procent van de verkoop krijgt. Dat zijn vaste afspraken. Dat zit vrij veilig én archaïsch in elkaar, net als in de diamanthandel, waarin ook op basis van vertrouwen wordt gehandeld. Een onbetrouwbare verzamelaar krijgt niet de kans nog een stap in galerie of atelier te zetten. Verboden toegang. Ik beslis of de koper al dan niet een werk mag zien én kopen. Dat noemen we de nieuwe “economische” grondwet van de kunstwereld. Zelfs een extreem gefortuneerde kan ik een onverbiddelijk neen toeschreeuwen. Je hebt het spel intellectualistisch keurig te spelen. Zo blijf je overeind.’
Ontelbaren zijn gefascineerd door het werk van Tuymans. Tot in China toe. ‘Mensen spreken me vaak bewonderend aan op straat. Ook in China. Waarom het werk zo’n impact heeft in China is een reusachtige vraag. Is het omdat een drieluik altijd als een gebruiksvoorwerp wordt ervaren, is het omdat de dingen die ik schilder een diffuus licht evoceren, een vervagingseffect met zich meedragen en een ander schoonheidsbegrip oproepen? Ook het feit dat veel mensen mij en mijn schilderijen tussen de gewone berichtgeving zien, speelt een belangrijke rol. Het Belgische actualiteitenprogramma Terzake laat ik zomaar in mijn atelier filmen en ik engageer me voor allerlei evenementen. Zo zette ik samen met Tom Barman van dEUS enkele concerten op tegen de opkomst van extreem-rechts. Ook over de kritiek heb ik weinig te klagen. De meeste critici kijken, zien en beoordelen en tot nu toe – hout vasthouden – veroordelen ze niet al te veel.’

In Vlaanderen was Tuymans – na de decennialange euforie rond installatiekunst – de eerste schilder die opnieuw in het kunstwereldje werd aanvaard. Is er nu geen hausse aan schilders?
Tuymans: ‘Ik hoop van niet. De schilders na mij vind ik vrij boeiend. Op een bepaald moment is er een soort van tsunami geweest van installaties. Vooral de markt heeft daar een halt tegenaan geroepen. Een schilderij is een van de oudste en belangrijkste artefacten en ook een van de meest verkoopbare. Nu is zelfs een schilderij een veel betere belegging dan een aandeel in een beursgenoteerd bedrijf. Ik vind het wel belangrijk dat die installatiekunst niet volledig verdwijnt. Er zijn extreem veel tentoonstellingen geweest over de socio-politieke achtergronden van onze samenleving. Denk aan de globalisering. Een interessant thema. Maar ik ben radicaal tegen het feit dat kunst in den beginne vanuit een bepaald politiek beeld of een idee gecreëerd wordt en op een bepaald moment zich vereenzelvigt met dat politiek belang.
Een schilderij an sich maken gaat heel snel, maar de creatie van een overtuigende beeldengroep die gedragen wordt door een concept, dat is een heel andere klus. Ik zie veel ambachtelijke schilderijtjes. Die interesseren me niet. Je vindt een massa Chinese schilders die puur ambachtelijk veel verder staan dan wij. Ze zijn merkwaardig getraind. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze mij aanspreken.’
Er gaat een heel proces vooraf aan het schilderen zelf. ‘Eerst de zoektocht: wat gaan we schilderen? Het uitgangspunt kan een idee zijn of een beeld. Vervolgens zoek je het materiaal en wordt er aan research gedaan. Zo begin je te zien welke beelden wel kunnen, welke eenduidig zijn, welke nog ambigu genoeg zijn. Ik opteer nooit voor een moraliserende functie. Eerst maak ik veel tekeningen en aquarellen en dan wordt er eigenlijk vrij snel geschilderd.’
Dat doet u in minder dan één dag?
‘Deze die je hier ziet, die figuur is geschilderd in een zestal uur.’
Dat gebeurt volgens Tuymans niet in vormen van extase: ‘Je legt jezelf een grote vorm van concentratie op. Soms lukt het en soms gaat het moeizaam. Ondanks het feit dat ik mijn opzet volledig analyseer, is het elke keer een levensgroot raadsel als je aan een schilderij begint. Eerst wordt de lichtste kleur geschilderd, dan maak je met potlood de tekeningen in de verf. Iets projecteren, dat doe je nooit want dan krijg je een vervorming. Zodra je het formaat hebt bepaald, begint de belangrijkste fase: schilderen, louter schilderen. Dat is compleet anders dan een tekening maken. Een schilderlijn heeft een vlakmatig verloop, een tonaliteit, een densiteit. Meestal is het eventjes moeilijk, tot de dingen zichzelf beginnen te formuleren. Als je over de helft van je werk zit, en je details neerzet die niemand met het blote oog ziet, beleef je het grootste plezier. Je kunt het schilderij volledig omtoveren.’
Dat zou u niet lukken aan de andere kant van de wereld?
‘Ik heb veel dingen op andere plekken gemaakt, maar dan vooral muurschilderingen. Dat bezorgt je een andere spanning. Soms wordt me gevraagd of muurschilderingen een grotere impact op het publiek hebben dan een klassiek schilderij. Bij de lancering van de cultuurwebsite klara.be maakte ik dit jaar een muurschildering en gebruikte daarvoor een werk uit de reeks Exhibit, waarop copulerende apen afgebeeld zijn. Bij wijze van experiment filmde een verborgen camera de voorbijgangers. Van de drieduizend passanten sloeg maar vier procent acht op de muurschildering. Iedereen schrok van mijn reactie: “Kunst is het doorgeven van ideeën, al is het maar voor een paar seconden.” Wat zou kunst méér kunnen zijn? Muurschilderingen ontstaan vaak in jonge instellingen die geen geld genoeg hebben om de verzekeringswaarde van mijn werk te betalen. Toch wil ik daar per se aanwezig zijn. Ik schilder dan maar op de muur. Er komt trouwens een boek uit over de 64 muurschilderingen die ik gemaakt heb en die verdwenen zijn. Dat is al een oeuvre an sich.’
Is het van belang, dat ze verdwijnen?
‘Ik vind dat boeiend. Bepaalde zaken, impressies… zijn niet meer herhaalbaar. Tegelijkertijd is dat fascinerend omdat ik veel minder moeite heb om iets te schilderen op een muur dan op een doek. Die vlakken zijn niet opgespannen, je hebt contact met de muur. Het blijft heel eigenaardig: ik heb een grotere schroom ten opzichte van een doek dan tegenover een muur.’
Heeft dat misschien te maken met het feit dat een muurschildering niet verkocht kan worden? Tuymans ontkent ferm: ‘Als ik kunst maak, ben ik nooit bezig met geld. Dat is nooit de betrachting geweest. En was ik als kunstenaar ook een keiharde zakenman, dan waren we nu over compleet andere dingen aan het praten. En of ik rijk ben… In verhouding met dat harde werken al die jaren is het niet zo’n reusachtig bedrag.’
Op de huidige Hirst-euforie heeft Tuymans een heel persoonlijke kijk: ‘Ik heb veel respect voor Damien. Hij heeft zijn stad en land op de kaart gezet en dat kan men hem niet afnemen. Het meest recente exploot is natuurlijk perfect in mekaar gestoken. De Londense kunstwereld leeft in een soort bubble en Hirst mag daar gebruik van maken. Maar de consequenties zijn niet in te schatten. Je ervaart hier duidelijk de insteek van de nieuwe rijken, die vooral uit Rusland komen. Wat nu in Londen gebeurde: ach, dat is een laatste stuiptrekking. Londen zal vervangen worden door Brussel. Daar ben ik honderd procent zeker van. Als België zich eens zou kunnen organiseren, zou het een prachtige draaischijf kunnen worden, los van de gehypete wereld van Londen. Europa, Zaventem, HST… zorgen voor grote veranderingen, voor mobiliteit. Ook in de kunstwereld. Er zijn hier grote dingen op komst. Tenminste als onze politici niet al te dwaas doen.’