DICK TUINDER

‘Kunst is per definitie het knabbelen aan de regels’

Jos Houweling, sinds kort ex-directeur van het Sandberg Instituut, was de meest prominente kunstonderwijzer van de afgelopen 35 jaar. Van de wilde schilders Klashorst en Ploeg tot de vliegtuigbouwer Joost Conijn: het waren zijn studenten. Net als Dick Tuinder.

JOS HOUWELING ONTVANGT me in zijn werkkamer van het Sandberg Instituut, het uit een bestuurlijke blunder geboren gebouw in de Fred. Roeskestraat in Amsterdam dat met een gemiddelde stahoogte van 2 meter 40 meer geschikt lijkt voor een callcenter dan als verzamelplaats voor hemelbestormers. Het enige waarvan hij spijt heeft in zijn professionele leven is dat hij moest verhuizen van het, eveneens benauwde maar in ieder geval karakteristieke, prachtige klooster aan de Prinses Irenestraat in Amsterdam-Zuid, naar dit gebouw.
Hij haalt zijn schouders op. De weerstand is alweer van lang geleden.
Achter hem hangt een bijna levensgrote foto van zijn twintig jaar jongere evenbeeld, in tropenkostuum achter het stuur van een beige fourwheeldrive, ergens in de Arubaanse Kunuku. Aruba was een van de eerste van vele buitenlandse kunstexpedities die hij organiseerde voor zijn kunstopleiding. Men kwam op Aruba via oud-student Elvis Lopez, die daar na zijn studietijd aan de Rietveld weer naar was teruggekeerd. Achteraf werd er een andere reden bij verzonnen. Iets als het belang van uitwisseling van cultuur. De gemeenschappelijke geschiedenis, enzovoort. Allemaal waar. Maar de echte aanleiding was als zo vaak het toeval.
Hij heeft op de fiets iets bedacht, iets wat hij met mij wil bespreken. Waar het om gaat. Hij vertelt het samenzweerderig. ‘Dit bedacht ik: ik heb een goed oog voor toeval. Dat is mijn kwaliteit. Sommige mensen passeert het toeval zonder dat ze het zien. Maar als ik terugdenk is eigenlijk alles wat ik heb gedaan ontstaan uit toeval.’
Hij heeft eigenlijk nooit een vooropgezet plan gehad.
'Ik ga af op mogelijkheden, en daar verzin ik dan een plan bij. De theorie ervan komt eigenlijk altijd in tweede instantie.’
Wat voor de kunst geldt, gaat ook op voor het kunstonderwijs. Je moet, vindt hij, regels verzinnen waarmee het kunstonderwijs uit de voeten kan.
Dat improviserende karakter heeft de onderwijscarrière van Houweling bepaald. Hij kwam op stoom op een kantelmoment in het kunstonderwijs, toen de klassieke opleidingen botsten met nieuwe technieken, een nieuwe mentaliteit. Punkers, krakers. De eerste quasi-mobiele videocamera’s. Dingen veranderden in rap tempo. 'Vroeger was de gedachte: na de kunstacademie ga je eerst vijf jaar lang hard werken, en dan komt er een galerie die je ontdekt en zo gaat dat.’
Maar plotseling waren er studenten die tijdens de opleiding een galerie kraakten. 'En dat ging eigenlijk heel goed.’ Waardoor de rollen omgedraaid werden.
Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, groeide Houweling uit tot een fenomeen in het kunstonderwijs, waarvoor studenten van over de hele wereld naar Amsterdam kwamen, waar hij op de Rietveld Academie de afdeling audio-visueel oprichtte, en later de tweede-fase-opleiding het Sandberg Instituut. Met geleende spullen en studenten die nergens anders thuishoorden ('We waren in die tijd de afvalbak van de academie’). In deze tijd ontmoette ik hem voor het eerst, 28 jaar geleden. Hij was toen jonger dan ik nu ben. Ik was een student die kon schilderen en voor die richting was aangenomen op de Rietveld. Maar het werd vrij snel duidelijk dat een tiener met plannen daar niet moest zijn. De opleiding schilderen werd geleid door schilders die in de nadagen van het modernisme hadden gepiekt en hun eigen voorlijkheid in een systeem hadden gegoten.
Jos Houweling: 'Je had daar mensen als Herman Gordijn die hun hele onderwijs baseerden op het schilderen van draperieën. Natuurlijk kan dat als oefening zinvol zijn. Maar je kunt er niet een hele esthetiek aan ophangen. Ook op het Sandberg Instituut had je generaties docenten, en ook toen ik er nog zat, die het gewoon wisten. Dat straalden ze ook uit. Ze hadden ook geen enkele gêne om wanneer je een tekening maakte met grote strepen duidelijk te maken hoe het er eigenlijk uit moest zien. En die mensen wisten ook wat. Alles gewoon.
Maar toen ik begon les te geven kwam er ineens een generatie studenten die een nieuwe techniek als de computer, en een nieuwe mentaliteit binnenbrachten waarvan je als docent niets wist. Je gaat achterlopen. Hoe moet je daarmee omgaan? Je moet een verbond sluiten. Een relatie opbouwen met je student. Een coalitie van ideeën. Ik weet wat en jij weet wat, dat is een heel ander type onderwijs dan: ik weet het. En ik zat net op dat kantelpunt.’
Dat betekende niet dat dat kantelpunt unaniem werd toegejuicht. Houweling vertelt hoe begin jaren tachtig een student (de filmer/sounddesigner Marco Vermaas) de eerste computer op de Rietveld introduceerde en wekenlang aan het programmeren was, met als eindresultaat een blokkerig mannetje in zwart-wit dat zijn hoed afnam. Ik zeg dat dit achteraf een perfect verbeelde aankondiging van de aanstaande mediarevolutie was.
'Achteraf geweldig ja, maar op dat moment zag ik natuurlijk niet de mogelijkheden van dat apparaat. En heel veel mensen met mij. Grafisch ontwerpen op de Rietveld heeft heel lang geen computers gewild omdat het niets zou toevoegen. Ze zagen het als een vermindering van kwaliteit, en dat was in het begin natuurlijk ook zo.’
Maar voor Houweling was het belangrijk dat het onderwijs niet stilstond, verankerd was in een in steen gehouwen curriculum. Hij stond een kunstopleiding voor waar de regels per keer werden uitgevonden.
'Je moet les geven in ongehoorzaamheid. Kunst is per definitie het knabbelen aan de regels.’
Bij zijn afdeling audio-visueel kon je muziek maken, films, feesten organiseren. Houweling regeerde over zijn afdeling als een verlicht despoot. Studenten die nergens pasten vonden bij hem een ruimhartig soort onderdak, dat je in alle vrijheid aan hem verplichtte en waardoor toelating tot de afdeling die hij leidde niet zozeer de toegang tot een opleiding, maar ook en vooral toetreding tot een geheim genootschap inhield. Medeberamer van een goedmoedig complot. Het vertrouwen in de leden, als die eenmaal waren toegelaten, was bijkans grenzeloos. Meer nog dan een opleiding was het een oefening in zelfredzaamheid.
Houweling: 'Goede kunstenaars maken het podium voor zichzelf en zijn niet afhankelijk van bestaande instellingen.’

HOUWELING ONTWIKKELDE ZICH als visitekaartje van de Rietveld. Hij schreef boeken, publiceerde artikelen: Het 700 centenboek, Het handige jongensboek ('hoe maak ik gehaktballen van mijn cavia’ en honderden andere praktische tips), Brieven van de Kunstombudsman, talloze kleine boekjes met verzamelde vloeken, vermist-briefjes, recepten op basis van gevonden kassabonnetjes en andere curiosa. Boeken die effect uitoefenden op zijn studenten.
Op een toon die het midden houdt tussen een schuldbekentenis en trots zegt hij: 'Eigenlijk was ik een beetje zoals mijn studenten.’
Verzamelen lijkt een terugkerend thema in zijn werk. Ik vraag hem of zijn opleidingsinstituut ook een soort verzameling is. Want door zijn persoonlijke stijl van omgaan met studenten wist hij ze aan zich te binden, tot ver na hun studietijd, en komen ze er pas veel later achter dat ze eigenlijk al die tijd voor hem en zijn projecten hebben gewerkt.
Eerst reageert hij defensief: 'Dat is jouw manier om de zaak in groter verband te zien. Je noemt een bundel gedichten toch ook geen verzameling? Ik protesteer er niet tegen, maar ik vind het niet kenmerkend.’
Ik zeg dat de factor van het aantal in al zijn werk van belang is. Naast hyperindividueel onderwijs werden de studenten ook altijd als massa ingezet voor het realiseren van acties, tentoonstellingen, avonden in Paradiso, noem maar op. Met zijn studenten organiseerde hij vele manifestaties die zich op de grens van alles bevonden. Zoals De Kunstvlaai, die in eerste instantie als reactie op de treurigheid van de Kunstrai werd georganiseerd, maar inmiddels de laatste in levende betekenis voorbij is gestreefd, en de wereldomspannende organisatie De Een Minuten, die inmiddels meer dan tienduizend filmpjes van één minuut in haar collectie heeft die van China tot Burkina Faso worden vertoond en uitgezonden.
Hij buigt iets achterover, denkt kort na: 'Nee, het klopt toch ja. D'r zit een overeenkomst in. Verzamelen komt terug in heel veel dingen die ik heb gedaan. Het is een bepaalde werkwijze die mij kennelijk ligt. Wat misschien ontstaan is doordat mijn tijd versnipperd was. De verzamelaar is een versnipperd mens. Het handige jongensboek is voornamelijk in de avonduren ontstaan. Ik zie dus wel dat wat ik zelf deed op de een of andere manier een weerslag heeft gehad op het karakter van de opleiding, dat geef je onbewust door. En je valt op de mensen die dat ook een beetje hebben of aanvoelen.’

TERWIJL OP DE ACHTERGROND de kerkklok van de begraafplaats Buitenveldert een volgende groep nabestaanden naar binnen roept komt het gesprek ten slotte op de actuele politieke ontwikkelingen. Het is een onvermijdelijk onderwerp; zijn afscheid komt op een moment waarop kunst en kunstopleidingen onder druk staan. Een rechts kabinet dreigt de schaar te zetten in cultuursubsidies. De PVV neemt een bijna vijandige houding aan ten opzichte van culturele instellingen. 'Bij de overheid bestaat wantrouwen tegen het geheim van de kunst. Er is in het onderwijs een subcultuur ontstaan van regels en tevredenheidsonderzoeken en dingen die je zou moeten controleren. Studiepunten en aanwezigheid en zo…’
Hij wuift de bijzaken met komieke verbijstering weg en zegt dan streng: 'Zo hou je jezelf kunstmatig bezig, want eigenlijk doe je niets. Het geheim van kunst is dat je onderweg iets vindt, en dat herkent.’ Met een lichte triomf: 'Je kunt geen uitvinding bedenken.’
Toch lijken de sentimenten van een deel van de kiezers een verlangen naar normaalheid uit te spreken. Maar normaal zijn zit helemaal niet in onze genen, volgens Houweling.
'Kijk maar naar die vele kerksplitsingen van vroeger. Dat dwarsige lijkt wel ingebakken. Men is het bijna per definitie met elkaar oneens, en gaat dan ook over tot actie en afsplitsing. De verzuiling van eertijds was een teken van een bepaald soort creativiteit die je in allerlei gebieden terugziet. Er is een duidelijke parallel tussen de creativiteit van bepaalde Nederlandse voetballers (dit gesprek vond plaats voor het WK 2010 - dt) en bijvoorbeeld Dutch Design of Nederlandse kunst en muziek. Geert Wilders vertegenwoordigt een beweging die terug wil naar een soort alledaagsheid die eigenlijk een mythe is. Wij zijn als volk namelijk veel beter in niet normaal zijn. Dat is onze sterke kant en troef om te overleven.’