INTERVIEW MET JULIKA RUDELIUS

Kunst is rijst met groente

Met een camera als vlindernetje probeert Julika Rudelius antwoorden te vangen op vrijmoedige vragen: hoe is het om zwart te zijn, hoe masturberen vrouwen? Doodeng om te stellen, maar broodnodig voor haar werk: filmportretten over ons gedrag.

VIDEOKUNSTENAAR JULIKA RUDELIUS manipuleert. Zij krijgt er op 29 augustus 35.000 euro voor, uit handen van burgemeester Cohen. Geld onder de noemer van de Amsterdamprijs voor de Kunsten, die jaarlijks door het Amsterdams Fonds voor de Kunst wordt uitgereikt aan drie kunstenaars of kunstinstellingen uit verschillende disciplines. Rudelius verdient de prijs, zo staat in het juryrapport, ‘omdat ze als subtiele wereldverbeteraar schetst wat er leeft in Amsterdam. Tegenover zwart-witdenken, voor of tegen zijn, levert zij een medische diagnose van de huidige tijdgeest. Ze gaat te werk als een arts, vol inlevingstalent, maar ook rationeel en koelbloedig; met de camera als scalpel.’ Zo.
We ontmoeten dokter Rudelius (40) op een vroege zondagochtend. Een rijzige vrouw, of heel groot meisje. ‘De derde dag van een jetlag is altijd het ergst’, zegt ze, terwijl ze haar fiets met een robuust kettingslot verankert. Rudelius is net terug uit Amerika, waar ze in Washington met nieuw werk bezig is. ‘Over charismatisch leiderschap, de rites van de hiërarchie. Ik spreek daar met politici, onder wie een senator, en aanstormende talenten vers van de universiteit die moeten leren om te buigen voor hoger geplaatsten, en verwachten dat mensen later hetzelfde voor hen zullen doen.’
Een enorme klus is het, verzucht Rudelius. Om de juiste mensen op te sporen, ermee in contact te komen, ze te overreden mee te werken. Maar klagen wil ze niet. Mooie dingen maken, dat wel, en dat kost nu eenmaal veel.
Nu is ze voor een paar weken in Amsterdam, haar tweede woonplaats is New York. In 1994 verhuisde ze vanuit haar geboorteland Duitsland naar Nederland. Ze is hier om haar prijs in ontvangst te nemen (‘de eerste in mijn leven’) en de opening bij te wonen van de kunstmanifestatie van de Protestantse Diaconie Amsterdam in samenwerking met SKOR (Stichting Kunst en Openbare Ruimte) De Samaritaan: Barmhartigheid nu. Elke dag monteert ze met haar vaste editor en meebedenker Martin om haar bijdrage voor deze groepstentoonstelling op tijd af te krijgen: gestileerde interviews met kerkvrijwilligers over hun motieven. Daarna vliegt ze weer weg. ‘Daar twijfel ik wel eens aan. Een chartervlucht staat voor een jaar autorijden, geloof ik. Mag ik wel zo’n zware voetstap zetten? Alleen maar omwille van de kunst?’

Vragen stellen, dat kan Rudelius goed. Aan zichzelf, over het leven, aan andere mensen. Soms zo argeloos als een kind. Hoe is het om zwart te zijn? in haar film Your Blood Is as Red as Mine, uit 2004. Hoe masturbeer jij? aan vrouwen in The Highest Point zes jaar geleden. Hoe is het om mooi te zijn en op leeftijd? aan chique dames aan de rand van een zwembad in Forever uit 2006.
Journalist had Rudelius daarom ook kunnen zijn, of documentairemaker. Haar nieuwsgierigheid is er groot genoeg voor. Maar het werd kunstenaar. Want in die hoedanigheid heb je de meeste vrijheid, mag je feit en fictie door elkaar husselen, interviews naar hartelust manipuleren en artistiek vormgeven, hoef je geen objectiviteit na te streven. Maar dat woord, ‘kunstenaar’ – Rudelius blijft het lastig vinden om in de mond te nemen: ‘Omdat het zo’n vluchtige staat van zijn is, zo kwetsbaar. Ja, ik ben het nu acht jaar, maar wat zegt dat? Het blijft schommelen, je bent zo goed als je laatste werk. Eerst zei ik altijd: ik maak foto’s en video’s, om het maar te omzeilen. Ik voel me ook zelden een Kunstenaar. Eigenlijk alleen als de montage van een film af is en ik merk dat het goed is. Dat moment is geweldig. Kort maar geweldig.’
Wanneer is een film goed? ‘Als ik het eng vind om ’m aan de mensen te tonen die erin te zien zijn. Dan weet ik dat het werk een bepaalde kwetsbaarheid heeft. En dat is waarnaar ik steeds op zoek ben, een fragiliteit die mijn films hopelijk ook spannend maakt voor de toeschouwer. Ik wil dat ze een openheid hebben waardoor je er echt bij betrokken wordt, dat je wat je ziet en hoort niet zo makkelijk weer van je kunt laten afglijden.’
Het ongemak van een eerste ontmoeting, dat geeft Rudelius’ werk de kijker. Het schutterige, elkaar aftasten, registreren wat iemand laat zien terwijl je er tegelijkertijd achter probeert te komen of je dat wel wílt zien. Zo confronteert ze je onder het mom van kunst met een film waarin vrouwen vrijmoedig vertellen over hun seksleven. Ze zijn gekleed, blijven met hun gezicht buiten beeld, raken zichzelf niet aan, maar zitten al pratend wel ineens op handen en knieën voor een bank, of maken suggestieve heupbewegingen. Ogenschijnlijk schaamteloos. Organisch opgaand in hun eigen verhaal, zoiets.
Ranzig is het niet. Maar wel gênant. Wat voor gezicht trek je hierbij in een publieke, verlichte ruimte als een museumzaal? Hm-hm, interessant zeg. Terwijl het ondertussen ook opwindend is wat de dames zeggen en doen. Wat wil Rudelius hiermee? ‘Wat ik maak begint bijna altijd met eigen vragen. Wat maakt me boos, wat bang? En hoe zit dat bij andere mensen? Seks is voor mij helemaal geen makkelijk gespreksonderwerp. Dus wilde ik daar iets mee, hoewel ik dat doodeng vond. Gevoed door het beeld van vrouwen en vrouwelijke seksualiteit zoals de tv dat toont, heb ik geprobeerd een geconcentreerde, esthetisch verantwoorde weergave te maken van mijn beginvraag en de antwoorden daarop, zoals ík die ervaren heb. Antwoorden in taal en bewegingen, in stiltes.’
Rudelius laat er een vallen. ‘Misschien ben ik als een vlinderverzamelaar, die probeert ook dingen te pakken te krijgen.’
En dan? ‘Ik hoop dat het resultaat je als kijker met jezelf confronteert. Dan vind ik kunst op z’n best, als je je afvraagt: waar ben ik nu in beland?’

Het zijn grote woorden, die Rudelius bedachtzaam en bescheiden formuleert. Ze toetst ze terwijl ze ze uitspreekt, blijft er met haar denken kritisch bij. Zegt niet zomaar wat. Tekst is belangrijk voor haar. En omdat ze weet hoe manipulatief ze daar zelf mee omgaat in haar films (‘Niet: hoe kan ik zijn woorden zo goed mogelijk naar voren brengen, maar: hoe past zíjn mening in wat ík heb gezien?’), doet Rudelius haar best tijdens een interview zo veel mogelijk bruikbaar materiaal mee te geven. ‘Maar misschien moet een artikel over mijn werk helemaal niet over mijzelf gaan.’
Toch wel. Want Rudelius is duidelijk in haar films aanwezig. Natuurlijk alleen al door haar onderwerpen, vormgeving, montagekeuzes. Maar soms is ze ook te horen, bijvoorbeeld als ze dicht op de huid zit van de allochtone jongens die ze in een hotelkamer vraagt te vertellen over hun dure merkkleding, terwijl ze zich aankleden. Of ze komt even in beeld, bijna achteloos, als onderdeel van het maakproces, een lamp verschuivend.
Een andere keer laat Rudelius horen dat ze tijdens het filmen door een passant ter verantwoording wordt geroepen: ‘Je bent een heks’, als ze in de Bijlmer gekleurde kinderen filmt. ‘Je neemt zomaar iets van ze mee, om vervolgens op tv te laten zien dat ze hier rondhangen, je kent ze niet eens.’ Of ze geeft in ruil voor iemands medewerking antwoord op de vragen die een geïnterviewde háár nu eens stelt: ‘Julika, wat is het doel van je leven? Waarom ben je hier? Wat gebeurt er als je doodgaat?’
In haar nieuwste film – bij hoge uitzondering op uitnodiging gemaakt, voor het project De Samaritaan: Barmhartigheid nu – speelt Rudelius zelfs een duidelijke rol: die van aanklager. Ze ondervraagt mensen die als vrijwilliger werkzaam zijn voor de Protestantse Diaconie in diverse kerkgebouwen in Amsterdam. Waarom zijn ze vrijwilliger? Voelen ze zich dan beter? Worden ze zo aardiger gevonden? Hebben ze eigenlijk wel een eigen leven? ‘Een kloterol, maar voor mij de interessantste manier om met dat onderwerp van barmhartigheid om te gaan.’

De meeste van Rudelius’ intrigerende films duren ongeveer een kwartier. We zien mensen, meestal lopend, op een locatie die niet verandert. Zoals de vijf rijke mannen in pak in een onpersoonlijk kantoor (Economic Primacy). Eén voor één drentelen ze op afstand heen en weer in dezelfde witte ruimte terwijl ze antwoord geven op vragen die we niet gesteld horen worden. Over de rol en het belang van geld, en over hen die het niet hebben. Vijf mooie vrouwen zette Rudelius aan de rand van een zwembad. Flanerend debiteren ze wijsheden over hun schoonheid, en passant even rustend in een ligstoel.
Rudelius zit met haar werk tussen maatschappij en kunst in. Ze portretteert elke keer opnieuw individuen die met hun fysieke gedragingen en verbale antwoorden in het uiteindelijk door haar gecomponeerde verhaal iets vertellen over de soort waartoe zij al dan niet bewust behoren. De snelle man in pak, de gefortuneerde vrouw die het geluk niet moeilijk af lijkt te gaan, de jonge jongens die in een treincoupé bluffend spreken over hun seksuele veroveringen, zelfverzekerde seksueel actieve vrouwen. Maandenlang, soms wel een jaar, is Rudelius met zo’n film bezig: ‘Ik zoek de mensen, leer ze kennen, win hun vertrouwen. En dan gebruik ik ze.’ Ze lacht beschroomd: ‘In hoeverre mag dat? In hoeverre mag kunst überhaupt?’
Weer zo’n grote vraag. Maar inmiddels heeft Rudelius zich ermee verzoend dat dat is wat ze het liefst doet: beelden maken. ‘Ik sta mezelf toe de luxe die kunst heet te bedrijven. Vroeger vond ik vooral dat ik de wereld moest veranderen. Zeker als Duitser. Ik nam me voor: als het weer zo uit de hand loopt, grijp ik in. Maar hoe weet je wanneer je daarmee moet beginnen? Ben ik nu misschien al te laat? Bovendien: wat moet je doen? Misschien is mijn werk wel een manier om de wereld te verbeteren. Door gedrag te laten zien, kijkers echt bij mijn films te betrekken, en daardoor wellicht te bewegen.’
Rudelius’ werk lijkt een zoektocht naar de vraag hoe je dat eigenlijk doet, leven. Haar zoekende aanpak, niet-eenduidige manier van informatieoverdracht en het ontbreken van een oordeel of conclusie maken dat je je als kijker lastig afzijdig kunt houden. In elk geval moeilijker dan bij het kijken naar een documentaire of een ‘gewoon’ interview. Rudelius raakt je aan, of je wilt of niet. Al was het maar door te irriteren. Want wat wil ze nou precies zeggen, wat moet je met zo’n film zonder begin en eind en duidelijke verhaallijn? Rudelius: ‘Dat maakt voor mij het verschil tussen kunst en entertainment. Van vermaak word je traag en raak je verzadigd. Denk aan het eten van een zak patat van de Febo: heel lekker, maar erna ben je moe. Als je rijst eet met kort gestoomde groente kun je daarna nog iets doen. Dat wil ik graag bereiken met mijn kunst. Mensen even meenemen in mijn zicht, mijn paranoia, de dingen voor een moment laten zien en voelen zoals ik ze ervaar. En misschien is er daarna iets verschoven in hun eigen waarneming.’
Filosofie, dat had ze graag willen studeren: ‘En biologie, om dan te gaan schrijven over onderwerpen als genetische manipulatie. Maar de banenmarkt was eind jaren tachtig heel slecht in Duitsland. Daarom heb ik een uitgeversopleiding gevolgd waarbij ik direct aan het werk ging. Ik kwam er echter achter dat ik totaal ongeschikt ben voor kantoorwerk. Door vrienden van me die kunstzinnig bezig waren, merkte ik dat ik goed kan kijken. Toen ben ik gaan fotograferen en naar de kunstacademie in Hamburg gegaan. Vervolgens kwam ik hier, omdat ik vond dat ik weg moest van alles wat bekend was. Ik volgde de Rietveld Academie en de Rijksakademie, wilde erachter komen wat echt uit mezelf zou komen.’
Het bleek de rol van filmende buitenstaander, en die ligt Rudelius, beschouwer van nature, goed: ‘Ik ben het gelukkigst als ik een camera in mijn hand heb. Dan verdwijnen veel vragen en twijfels, denk en werk ik instinctiever, val ik samen met wat ik zie en doe. Het is een heel geconcentreerde zelfvergetelheid waarin alles op z’n plaats valt. Ik ben dan ook zeer verbaasd als mensen me op zo’n moment iets vragen: hoezo zien ze mij? Ik ben toch zelf aan het kijken, en dus onzichtbaar?’

De Samaritaan: Barmhartigheid nu, 29 augustus t/m 12 oktober, Corvershof, Amsterdam; www.skor.nl, www.diaconie.org, www.rudelius.org