Hollandse meesters in de 21ste eeuw

Kunst is strijd

Voor de tentoonstelling Hollandse meesters in de 21ste eeuw zijn honderd kunstenaars in hun ateliers door filmmakers geportretteerd. Maar regisseert de filmmaker, of regisseert de kunstenaar?

BEELDEND KUNSTENAARS werken in het verborgene. Tenminste, als ze niet exposeren. Die tentoonstellingen zouden eigenlijk voldoende moeten zijn om het werk van de kunstenaar te leren kennen. De schilderijen, tekeningen, beeldhouwwerken, installaties en video’s: die zijn het verhaal. Toch vragen we ons regelmatig af: waar komt al die verbeelding vandaan? De serie atelierportretten Hollandse meesters in de 21ste eeuw wil daar een antwoord op geven. Het verbaasde Michiel van Nieuwkerk en Ineke Hilhorst dat er nauwelijks beeldmateriaal bestaat waarin we de huidige generatie kunstenaars aan het werk zien. Ze namen het initiatief tot honderd korte portretten. De eerste negentien zijn nu in de Rotterdamse Kunsthal te zien.
Het atelier als de plaats waar het genie van de kunstenaar huist, is een uitvinding van de negentiende eeuw. Daarvoor werd het schildersatelier vooral gezien als een werkplaats, zoals de werkplek van een smid of een meubelmaker. Daar hing niets heiligs omheen. De Romantiek maakte van het atelier echter een plek waar een verborgen schat te vinden zou zijn, het geheim van de kunstenaar.
Het atelierbezoek werd in de geïllustreerde tijdschriften van de negentiende eeuw een populair genre. De kunstliefhebbers gingen bij een atelierbezoek nooit voor minder dan het vinden van de ziel van de kunstenaar. Een van de mooiste voorbeelden die ik ken is het bezoek van Lodewijk van Deyssel in 1894 aan het schildersatelier van Matthijs Maris in Londen. Atelier is misschien een wat groot woord voor het armoedige pensionkamertje waarin Maris zich als een kluizenaar had teruggetrokken. Toch had Van Deyssel het gevoel een kathedraal binnen te treden, ‘waar’, zoals hij schrijft, 'geen enkele Kathedraalvorm te zien is, maar waar het andere, de ziel van de Kathedraal, leeft.’
'De lucht was zeer grijs en wat was het venster stoffig’, vervolgde Van Deyssel. Voor de goede verstaander is deze beschrijving van het atelier een evocatie van de schilderijen waaraan Matthijs Maris in zijn late jaren werkte, waarin zijn vrouwenfiguren lijken weg te drijven achter een waas van grijs en stof.
Van Deyssel bezocht tijdens diezelfde reis ook de woning van Lawrence Alma-Tadema in Londen. In tegenstelling tot Maris woonde Alma-Tadema in een paleis, waar, zoals Van Deyssel het fijntjes formuleert, een vrouwenmenigte zich als een reusachtige levende ruiker voortbewoog. De woning van Alma-Tadema was vormgegeven als een Griekse tempel, geheel in de geest van zijn werk. Maar was zijn ziel daar ook te vinden? De foto’s die ik ervan ken bevestigen Van Deyssels indruk: het is een slim uitgevoerde marketingstunt - al formuleert hij het natuurlijk niet zo.
De atelierwoning als marketing, daarin stond Alma-Tadema niet alleen. Kunstenaars hadden gaandeweg de negentiende eeuw ontdekt dat hun weldoeners, de kopers van hun werk en de critici die erover schreven, hunkerden naar een bezoek aan hun atelier. Maar wilden zij die plek waar hun ziel huisde zomaar prijsgeven? Nee natuurlijk, want wat was het meer dan een prozaïsch werkhok met verfvlekken op de vloer, nog niet afgemaakte of mislukte schilderijen, een verzameling potjes en pannen, een sofa voor wat vlug vermaak met hun modellen misschien? Daarom verzonnen zij een list. Kunstenaars nemen nu eenmaal graag zelf de regie in handen. Zij creëerden een tweede atelier, speciaal voor ontvangsten. Een pronkatelier, in de betekenis van pronkkamer. Hier stond weliswaar ook een schildersezel, maar met een schilderij dat al lang af was. En er stond, zoals in het pronkatelier van Arie Scheffer in Parijs, een spinet of klavecimbel, voor kleine recitals. Hier kon het vrouwenbezoek als 'levende ruikers’ veilig de kunst aan de wand vervolmaken. Hier werd niet gewerkt maar ontvangen en regisseerde de kunstenaar zijn eigen imago. Sindsdien draait het steeds om de vraag: waar wordt de zielzoekende kunstliefhebber toegelaten - het werkatelier of het pronkatelier? Niet alleen in de negentiende eeuw, maar nog steeds.

ZIEHIER DE vraag waar filmmakers die een kunstenaarsportret willen maken zich voor gesteld zien: ga ik de ziel onthullen, of kom ik niet verder dan het pronkatelier? Je kunt de vraag ook anders stellen: regisseert de filmmaker, of regisseert de kunstenaar?
Hoe dubbelzinnig het antwoord op die vraag kan zijn bewijst de moeder aller atelierfilms De werkelijkheid van Karel Appel, het portret dat Jan Vrijman in 1961 van Appel maakte. Die film kun je ook bekijken als het gevecht van twee kunstreuzen, waarin de filmer de kunstenaar zijn ziel tracht te ontfutselen en de kunstenaar niet van zins is de regie uit handen te geven. Het gevecht vindt - hoe toepasselijk - niet plaats in Appels eigen atelier, maar in een door Vrijman nagebouwd atelier. Dit is, zeg maar, een pronkatelier dat zich voordoet als een werkatelier. Vrijman heeft in het schildersdoek een gat geknipt waarachter de camera is geplaatst. Hij stelt zich letterlijk op als een voyeur die de kunstenaar bespiedt in zijn zwakste moment: alleen voor het lege doek. Op dat lege doek opent Karel Appel de aanval, hij smijt met verf, en smeert en schuurt erover met zijn paletmes. Vangt Vrijman daarmee de ziel van Appel? Of weet Appel zijn ateliergeheimen voor zichzelf te houden?
Ik hou het op een gelijkspel, of een film met twee winnaars, want anders dan in de sport kan dat heel goed in de kunsten: Vrijman ontfutselt Appel iets wat we nooit meer zo te zien zouden krijgen (de twijfel in zijn ogen, de ijdelheid van het jonge genie), en Appel regisseert zorgvuldig zijn eigen imago, schmiert zijn eigen kunstenaarschap.
Hoe zit dat in de serie Hollandse meesters in de 21ste eeuw? Zie ik zorgvuldig vormgegeven pronkateliers, of kom ik in het echte atelier van de kunstenaar? Kunst is geen sport, maar wel strijd. Na het zien van negentien van de portretten hou ik het erop dat de kunstenaars hebben gewonnen. Ik heb meer pronkateliers gezien dan echte ateliers. Meer zorgvuldig bewaakte imagebuilding dan onthullende zielknijperij.
Misschien past dat ook wel bij de eregalerij die deze reeks voorgeeft te zijn. Een serie vriendschappelijke wedstrijden ter eer en meerdere glorie van de kunstenaars. Dat is het sympathieke van deze serie. Het levert vaak heel mooie momenten op: het rusteloze lopen van Mark Manders, het onhandige gestuntel met een stanleymes in kostbaar schilderslinnen van Marc Bijl, het precieuze kleurmengen van Koen Vermeule, hoe Joep van Lieshout met een soort slagersmes, achteloos bijna, twee fijne billetjes uitsnijdt, de wijsvinger van Iris van Dongen die tikt en tikt op het zachte krijt, de mateloze branie van Erik van Lieshout die samenvalt met de branie van zijn films, de overtuigingskracht van David Bade die onwillige ambtenaren overtuigt van zijn ontwerp voor een speelplaats, en Charlotte Schleiffert die in een weinig elegante overall in haar ijskoude atelier houtjes hakt voor de houtkachel, terwijl op de vloer kleurrijke erotische taferelen ons toelonken.
Toch wringt er iets. De filmmakers (een lange rij van het beste wat Nederland aan documentairefilmers te bieden heeft) stellen zich uiterst dienstbaar op, gunnen hun beeldende collega’s de ruimte. Waarom zou je van een vriendschappelijke wedstrijd een veldslag maken, zo moeten veel van hen hebben gedacht.
Ik weet wel een reden waarom ze niet zo moeten denken. Die reden krijg ik aangereikt door de geportretteerden zelf. Ik zie stuk voor stuk kunstenaars die niet bang zijn om te verliezen. Geen van allen speelt ooit op veilig, met hun kunst durven ze zich boven de afgrond te begeven. Dat is een uitdaging die de filmmakers te weinig hebben opgepakt. Wat zich wreekt in Hollandse meesters is die belangwekkende en bewonderenswaardige traditie van de Hollandse documentaire school: het observeren zonder commentaar. Nederlandse filmmakers zijn vooral kijkers, toeschouwers. Ik heb het nog nooit zo helder gezien, maar als die stijl tot in het absurde wordt doorgevoerd, keert hij zich tegen zichzelf. Juist de geportretteerde kunstenaars, stuk voor stuk eigenzinnige, spannende en noeste zoekers, verdienen een tegenstem, een interpretatie, een mening. Hoe mooi en professioneel de kunstenaars in hun atelier ook worden geobserveerd, veel van de filmmakers kijken ernaar en vinden er zo te zien niks van. Of houden dat voor zich.
Wat ik mis zijn equivalenten van Van Deyssels 'De lucht was zeer grijs en wat was het venster stoffig.’ De meest verhelderende filmpjes zijn die waar de filmmaker wél een mening heeft, zoals in de subtiele portretten die Ditteke Mensink van Iris van Dongen en Marc Bijl maakte. Mensink legt een zelfgekozen vorm over het werk van de kunstenaars, waarin een commentaar ligt besloten over hun werkwijze en hun bestaan als kunstenaar. Van Dongen wordt opgevoerd als de 'werkende vrouw’, ongedurig op zoek naar de rust om te tekenen, en Bijl als de chaotische zoeker, die zijn ochtendkoffie in de zon nodig heeft om dag na dag de aanval op de rommel te openen die zijn verbeelding voedt. Je ziet iets van hun gevecht met de materie, de essentie van het kunstenaarschap.
Zoiets gebeurt ook in het hilarische gevecht dat Pieter Verhoeff aangaat met Erik van Lieshout (enfant terrible, ADHD-filmmaker). Dat gevecht evoceert hoe Van Lieshout in zijn werk hardhandig zijn eigen biografie probeert uiteen te scheuren. Zoals Karel Appel tegenover het lege doek staat, zo staat Van Lieshout tegenover de lege werkelijkheid waarin hij op onderzoek uitgaat. 'Art is a decision making process’, zei de Amerikaanse fotograaf Stephen Shore ooit mooi in een interview. Verhoeff vangt misschien niet een beslissing van Van Lieshout, maar wel de vertwijfeling die daaraan voorafgaat.
In het portret dat Barbara Makkinga maakte van herman de vries zit ook zo'n moment, maar dan van een zelfverzekerde kunstenaar die weet wat hij wil. Een wonderlijk moment bij iemand die het fragiele en vergankelijke tot zijn onderwerp heeft gemaakt. In het bos houden twee assistenten van de vries een wit paneel achter wuivende varens. Samen met de kunstenaar kijken we ernaar, en met hem zie je in een flits het mogelijke schilderij. Je bent bij het moment van wat ik maar eens ouderwets 'de creatie’ zal noemen, je ziet waar de droom van de kunstenaar begint, hoe er een beslissing met verregaande gevolgen wordt genomen. En je begrijpt iets van zijn zoektocht, hoe hij de natuur zelf zijn kunst wil laten maken en hoeveel werk dat van de vries zelf vereist. Van dit soort momenten had ik er graag meer gezien. Want precies zo'n beslissing kan ons dichter bij - om dat ouderwetse woord nog maar eens te gebruiken - de ziel van de kunstenaar brengen.

Hollandse meesters in de 21ste eeuw. Kunsthal Rotterdam, t/m 26 juni; www.hollandsemeesters.info.
Dit artikel is een bewerking van een lezing die Peter Delpeut 18 mei in de Kunsthal hield