FILM

Kunst tegenover lijden

Enjoy Poverty

Het enige gevoel dat Enjoy Poverty, een documentaire van de Nederlandse kunstenaar Renzo Martens over filosofische onderstromingen rond humanitaire rampen in Afrika, oproept, is verontwaardiging – niet over de rampen zelf, maar over de film en zijn maker. De climax is een serie scènes rond ondervoede kinderen in een gammel opvanghuis, waarna het sterven van een kind koud in beeld wordt gebracht. Het dode kind voegt niets toe aan de vertelling, noch aan Martens’ nogal oppervlakkige boodschap. Hiermee verloochent de regisseur/kunstenaar zijn eigen werk; zijn camera registreert op dat moment het ‘nieuws’ met precies dezelfde obsessie voor visuele dramatiek als die van westerse nieuwsmedia en hun gebruikers, die Martens juist wil bekritiseren. Dat maakt hem kort gezegd geen haar beter dan Amnesty International of de UNHCR of Artsen Zonder Grenzen en soortgelijke hulporganisaties die volgens Martens alleen maar publicitair ‘verdienen’ aan de ellende in Afrika, zonder dat de Afrikanen zelf daar beter van worden.
Enjoy Poverty, gekozen als openingsfilm van de vorige editie van het International Documentary Film Festival (Idfa), krijgt nu een bredere release in de filmhuizen. De film raakt een zenuw; kunst komt tegenover lijden te staan. Martens, die in Brussel, Amsterdam en Kinshasa werkt, is geïnteresseerd in de rol van de camera in situaties zoals die in de Democratische Republiek Congo, waar oorlog en ondervoeding duizenden levens kosten. In een interview met De Groene Amsterdammer zegt Martens: ‘Empathie lost de problemen van die mensen niet op… Medelijden helpt niet. Daarom heb ik geprobeerd om het medelijden buiten de deur te houden en me op te stellen als representant van het publiek, de tv-beeldenconsument, met al zijn vooringenomen ideeën en onuitgesproken aannames.’
Dat lijkt mij een foute benadering. Wie zonder empathie en medelijden door het leven gaat, mist iets essentieels. De interessantste scènes in Enjoy Poverty zijn dan ook die waarin Martens doet denken aan de gestoorde Klaus Kinski in Fitzcarraldo, met zijn wilde ogen en absurdistische ideeën. Zo stelt Martens voor dat de Afrikanen nu maar eens hun eigen armoede en ellende moeten uitbuiten door er zelf foto’s van te maken en die te verkopen. Voor kunstenaar Martens moet het een boeiende, filosofische gedachteoefening zijn. Ik kan hem hierin ook wel volgen, maar dan hooguit tien minuten lang bij een kopje koffie ergens in Europa. Daarna wil ik geen ironie meer, geen absurdisme, en wil ik er weer in geloven dat de hulpverleners in Afrika een verschil maken, dat ze echt levens redden, ook al is dat er één per dag, een kind maar. Of hulporganisaties met hun logo’s zichzelf in Afrika promoten, zal mij een zorg zijn. Eén kind dat vandaag kan eten dankzij de Verenigde Naties of wie dan ook – daarin wil ik geloven, en daar geloof ik ook in.
Voor de slachtoffers in Afrika, de van honger stervende Congolezen, is het een zaak van leven of dood. Ironische distantie? Wat hebben zij daaraan? Pijnlijk is het om te zien hoe Martens kunst maakt terwijl de mensen om hem heen echt lijden. Geen moment lijkt hij ook maar één Afrikaan serieus te nemen, als mens. Vragen als ‘hoe komt het dat je zelf niet het goud uit de grond kunt halen?’ maken de plaatselijke inwoners alleen maar belachelijk.
Uiteindelijk leidt het spelletje van Martens nergens naartoe. Quasi-diep gefluister over ‘ik ben zo vatbaar voor ijdelheid’ of ‘de rivier is zwart, daar zie je alleen maar je eigen angst’ is net zo nietszeggend als de film als geheel.

Te zien vanaf 4 juni in Amsterdam, Den Haag en Utrecht en vanaf 11 juni in Eindhoven